Belgian court dismisses prisoner's appeal against prison disciplinary sanction for unauthorized DVD possession.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Anton Kouchnerenko's appeal against a fifteen-day disciplinary isolation sanction imposed by the prison director. The court found the director's decision based on a report and the prisoner's own interrogation sufficient, noting the prisoner failed to request specific evidence or witnesses during the hearing. Consequently, the court ruled the administration acted lawfully and dismissed the challenge.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 144, § 4 and § 5 of the Constitution; A disciplinary sanction based on a report and the accused's own interrogation is lawful if the accused does not raise specific doubts or request additional evidence during the hearing.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.575 van 26 oktober 2017
in de zaak A. 215.562/XIV-36.366
In zake : Anton KOUCHNERENKO
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Giovanni Havet kantoor houdend te 3202 Rillaar Langestraat 6
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Willebroekkaai 33
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 3 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Leuven van 6 februari 2015 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie wordt opgelegd van vijftien dagen individueel regime.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
XIV-36.366-1/14
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Giovanni Havet, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is ten tijde van de feiten opgesloten in de gevangenis van Leuven Centraal.
3.2. Op 3 februari 2015 wordt lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld met daarin de volgende vaststellingen:
“Tijdens een controle van de lokalen van de bibliotheek werd er in de wisselcollectie van [verzoeker] een aantal gekopieerde dvd’s aangetroffen die verborgen zaten achter originele dvd’s, die betrokkene verleden week had afgeleverd om in de wisselcollectie te deponeren. Op een van deze dvd’s is er een luchtfoto van de inrichting weergegeven. Op een andere dvd zijn er berichten opgeslagen die voorheen op jail tv en op het infokanaal werden weergegeven. Op een derde dvd is er een opname te zien van een katholieke mis die in de inrichting werd opgedragen.”
3.3. Op 6 februari 2015 wordt aan verzoeker de tuchtstraf “15 dagen afzondering van 08.02.2015 tot en met 22.02.2015”, met toelating tot
XIV-36.366-2/14
gemeenschappelijk bezoek, opgelegd wegens een inbreuk van de tweede categorie, met name “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering:
“- Aangezien de aangetroffen DVD’s wel degelijk van betrokkene zijn.
- Aangezien betrokkene voorgaanden heeft: betrokkene werd reeds aangetroffen met gekopieerde DVD’s in zijn bezit.
- Aangezien lege DVD’s die gebrand kunnen worden op een illegale manier de gevangenis betreden.
- Aangezien de inhoud van de gekopieerde DVD’s enkel afkomstig kan zijn van een computer IN de gevangenis. We dienen dan ook te concluderen dat betrokkene betrokken is bij een handel in inhoud die niet op cel mag zijn.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker voert in een eerste middel machtsoverschrijding en de schending van het onpartijdigheidsbeginsel aan “[d]oordat de bestreden beslissing genomen werd relatief kort nadat verzoeker reeds meermaals bij dezelfde directie als deze die de tuchtprocedure initieerde zijn beklag had gedaan over het ontbreken van dvd’s in zijn eigen wisselcollectie” en “doordat directeur [I. G.] klaarblijkelijk […] het niet ongepast achtte om zelf op 4 februari 2015 te besluiten tot een tuchtvervolging van verzoeker wegens verboden bezit van gekopieerde dvd’s, waar zij tevens zelf correspondent is met (de raadsman van) verzoekende partij omtrent diens ingebrekestelling van de inrichting wegens (relatief kort voorafgaandelijk) verlies van een aantal aangekochte dvd’s”. Verzoeker wijst er op dat een ander lid van het directieteam de beslissing tot het opstarten van de tuchtprocedure had kunnen nemen, zonder een schijn van partijdigheid toe te laten.
Het feit dat de uiteindelijke beslissing door iemand anders is genomen, doet volgens verzoeker niets af aan zijn vaststelling daar zonder opstart van de
XIV-36.366-3/14
procedure door directeur I. G. de tuchtbeslissing zelf nooit tot stand had kunnen komen.
5. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont verzoeker dat directeur I. G. niet enkel de tuchtprocedure opstartte maar ook het voorafgaandelijk onderzoek voerde naar de vastgestelde feiten, leidende tot de opstart van de tuchtprocedure. Verzoeker verwijst naar artikel 6 van het EVRM, dat te dezen gerespecteerd dient te worden aangezien er sprake is van een leedtoevoegende straf. Waar er volgens verzoeker reeds vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de positie van de gevangenisdirecteur als rechter en partij in dezelfde zaak, dient er in een omwille van voorafgaande feitelijkheden gevoelig dossier met nog meer omzichtigheid te worden gehandeld. Verzoeker vindt het op zijn minst merkwaardig dat hij kort nadat hij zelf de gevangenis in gebreke heeft gesteld omdat er dvd’s verdwenen uit zijn eigen collectie zelf plots het voorwerp wordt van een tuchtsanctie betreffende gekopieerde dvd’s. Gezien de recente voorgeschiedenis is volgens verzoeker een rechtstreeks en persoonlijk belang in hoofde van gevangenisdirecteur I. G. niet uit te sluiten. Het komt verzoeker voor dat de oudere tuchtrapporten, die moeten aantonen dat hij niet aan zijn proefstuk toe is, een doorslaggevende factor zijn geweest en dat men daarmee op grond van vermoedens feiten tracht te construeren. Aangezien er volgens verzoeker geen enkele manier is om na te gaan, laat staan te bewijzen, dat de dvd’s van hem zijn, blijven enkel de antecedenten over als zogenaamd bewijs van schuld en dergelijke mate van vooringenomenheid strookt niet met het onpartijdigheidsbeginsel.
6. In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat het feit dat hij de gevangenisdirecteur op 17 december 2014 in gebreke heeft gesteld niet tot gevolg heeft dat deze de bevoegdheid ex. artikel 144, § 3, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet) zou verliezen. Verzoeker volhardt echter dat er te dezen een schijn van vooringenomenheid is.
XIV-36.366-4/14
Beoordeling
De schending van het onpartijdigheidsbeginsel
7. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.
8. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat gevangenisdirecteur I. G. “er belang […] bij heeft of zou kunnen hebben, om verzoeker te ontraden zijn ingebrekestelling verder te benaarstigen” en “een rechtstreeks en persoonlijk belang […] niet uit te sluiten [is]”, gaat het om de persoonlijke of subjectieve onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur.
Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.
9. Het enkele gegeven dat gevangenisdirecteur I. G. door verzoeker eerder in gebreke werd gesteld wegens het verlies van een aantal dvd’s volstaat te dezen niet om te doen veronderstellen dat I. G. niet met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid heeft besloten tot het opstarten van de tuchtprocedure. Een loutere subjectieve indruk van partijdigheid - die verzoeker ontwaart in de “merkwaardige” samenloop van de ingebrekestelling en de tuchtprocedure -
volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Te meer nu de uiteindelijke tuchtbeslissing is genomen door een andere persoon wiens onpartijdigheid door verzoeker niet in vraag wordt gesteld.
XIV-36.366-5/14
In zoverre verzoeker eerst in de memorie van wederantwoord aanvoert dat de oudere tuchtrapporten een doorslaggevende factor zijn geweest en dat het feit dat men teruggrijpt naar die antecedenten als bewijs van schuld getuigt van een grote mate van vooringenomenheid, toont hij niet aan dat hij dit argument niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Het kan derhalve niet tot de nietigverklaring leiden.
Overige beginselen en bepalingen
10. Wat de overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte beginselen en bepalingen betreft, met name machtsoverschrijding en artikel 6 van het EVRM, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.
Conclusie
11. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
12. Verzoeker neemt een tweede middel uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ “[d]oordat in de bestreden beslissing gesteund wordt op de overwegingen dat de aangetroffen dvd’s van [hem] zouden zijn en hij dus betrokken zou zijn bij een handel in inhoud die niet op cel mag zijn”.
Volgens verzoeker is evenwel niet aangetoond dat de dvd’s van hem zijn, noch dat hij betrokken zou zijn in een handel van illegaal gekopieerde dvd’s.
XIV-36.366-6/14
Verzoeker betoogt dat dvd’s die buiten zijn cel zijn gevonden en die niet voorkomen op de lijst van zijn eigen collectie onmogelijk met enige zekerheid aan hem kunnen worden toegewezen louter op basis van het gegeven dat die dvd’s verborgen zaten achter andere dvd’s die hij een week voordien in de gevangenisbibliotheek, een plaats waar meerdere gedetineerden komen, zou hebben gedeponeerd. Volgens verzoeker kunnen de feiten dan ook prima facie niet zomaar als bewezen worden beschouwd. De motivering van de bestreden beslissing dat “de aangetroffen dvd’s wel degelijk van betrokkene zijn”, zonder nader te motiveren waaruit dat dan blijkt, is volgens verzoeker zeker niet pertinent en afdoende.
Voorts, in een tweede onderdeel, wijst verzoeker er op dat nergens in het tuchtrapport wordt verwezen naar een mogelijke illegale handel in gekopieerde dvd’s, noch dat hij daar deel zou van uitmaken. Dat de tuchtsanctie ook zonder zulke mogelijke betrokkenheid zou zijn gegeven, blijkt volgens verzoeker niet uit de motieven van de bestreden beslissing.
13. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker daar nog aan toe dat geen enkel bewijs voorligt dat aantoont dat hij de dvd’s bij de gevangenisbibliotheek zou hebben gedeponeerd. Verzoeker verduidelijkt dat de afgifte van boeken of dvd’s steeds gebeurt in de voor alle gedetineerden toegankelijke lokalen van de bibliotheek en daar vaak eerst enkele dagen blijven liggen vooraleer ze worden geregistreerd. Verzoeker stelt dan ook geen verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor spullen die al een week op een plek liggen waar meerdere gedetineerden komen en waar hij geen enkele vorm van controle kan uitoefenen.
14. In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat de vaststelling dat de gekopieerde dvd’s aan hem toebehoren een dragend motief is van de getroffen tuchtstraf. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens verzoeker niet dat het gegeven dat hij betrokken zou zijn bij een illegale handel in dvd’s een overtollig motief uitmaakt zodat volgens verzoeker in het auditoraatsverslag ten onrechte een eigen
XIV-36.366-7/14
inschatting wordt gemaakt van de dubbele motivering in de bestreden beslissing.
Dat hij betrokken zou zijn bij een illegale handel is volgens verzoeker een loutere gissing en een onwettige motivering.
Beoordeling
15. Verzoeker voert weliswaar de schending aan van de artikelen 2
en 3 van de wet van 29 juli 1991 doch uit de lezing van het middel blijkt dat hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht beoogt. Het middel wordt dan ook in die zin begrepen en onderzocht.
16. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.
De tuchtoverheid kan aldus het bewijs van de feiten steunen op vermoedens die gevolgtrekkingen zijn van bekende feiten om te besluiten tot een onbekend feit op voorwaarde dat die vermoedens gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn.
XIV-36.366-8/14
Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen.
De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
17. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gevangenisdirecteur het bewijs van de feiten afleidt uit het tuchtrapport waaromtrent verzoeker, in bijzijn van zijn raadsman, tegenspraak heeft kunnen voeren. In het rapport aan de directeur is te lezen dat achter originele dvd’s die door verzoeker in de bibliotheek waren afgeleverd om in de wisselcollectie te deponeren een aantal gekopieerde dvd’s werden aangetroffen met daarop een luchtfoto van de gevangenis, berichten van op jail-tv en het infokanaal en een opname van een katholieke mis, opgedragen in de inrichting. Op de tuchtrechtelijke hoorzitting werd door de gevangenisdirecteur nog meegedeeld dat “de DVD is gevonden in een DVDbox die [verzoeker] toebehoort” en dat hij “voor de zekerheid nog [zal] nakijken of de DVD’s van [verzoeker] zijn”. Door in die feitelijke context uit die bekende feiten te besluiten dat die gekopieerde dvd’s van verzoeker zijn, blijft de tuchtoverheid binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid van de gevolgtrekkingen uit bekende feiten wat het bewijs van de feiten betreft.
Gelet op het feit dat de bewuste dvd’s in de bibliotheek waren afgeleverd met de bedoeling om terug in de wisselcollectie te worden opgenomen -
en daarbij dus ter beschikking zouden komen voor de andere gedetineerden - blijft de gevangenisdirecteur binnen zijn beoordelingsbevoegdheid wanneer hij op grond van de concrete bestaande feiten besluit dat verzoeker “betrokken is bij een handel in inhoud die niet op cel mag zijn”.
Met zijn uiteenzetting betreffende de werking van de bibliotheek geeft verzoeker weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de
XIV-36.366-9/14
feitelijke toedracht, maar maakt hij aldus niet aannemelijk dat de tuchtoverheid in verband met de beoordeling ervan en het trekken van gevolgen er uit, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan.
18. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij de grenzen van de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan door op grond van de bevindingen gemaakt in het rapport aan de directeur te besluiten dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten een tuchtvergrijp vormen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
19. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel als behoorlijk beginsel van behoorlijk bestuur “[d]oordat de bestreden beslissing steunt op een volkomen onzorgvuldig en onvolledig onderzoek van de feiten en de weerlegging daarvan zoals uiteengezet tijdens de hoorzitting”. Verzoeker betoogt dat hij steeds heeft betwist dat de dvd-boxen waarin de gekopieerde dvd’s werden gevonden van hem zouden zijn, hetgeen ook zo werd geacteerd in het verslag van de hoorzitting. Verzoeker stelt formeel dat hij geen dvd’s heeft afgegeven aan de bibliotheek in de week voorafgaand aan de vaststellingen. Doordat de verwerende partij de titels en de deponeringsnummers niet aan hem heeft voorgelegd tijdens de hoorzitting en hij pas na de tuchtbeslissing heeft kunnen nagaan of ze van hem waren, acht verzoeker zijn rechten van verdediging miskend en is het onderzoek volgens hem onzorgvuldig gebeurd. Zonder deponeringsnummer is er geen zekerheid om de dvd’s aan een bepaalde gedetineerde toe te wijzen en het achteraf toewijzen van een dergelijk nummer is volgens verzoeker onvoldoende. Verzoeker stelt dat hij na eigen onderzoek en rondvraag te weten is gekomen dat de dvd’s van de gedetineerde P. P. zijn, hetgeen door de werkwijze van de gevangenisdirectie niet voorafgaand aan de tuchtbeslissing kon worden nagegaan. Verzoeker wijst er
XIV-36.366-10/14
nogmaals op dat er geen enkele zekerheid is dat de dvd’s, die al een week waren gedeponeerd op een vrij toegankelijke plaats, niet achteraf zijn gevoegd. De onzorgvuldige wijze waarop dvd’s in de bibliotheek worden behandeld, blijkt volgens verzoeker ook uit het feit dat hij nog steeds tien dvd’s uit zijn eigen collectie mist, een feit waarvoor de gevangenisdirectie al in gebreke werd gesteld.
20. In zijn memorie van wederantwoord bekritiseert verzoeker het feit dat er geen getuige werd verhoord over bijvoorbeeld het gegeven of hij die week door personeel, bibliothecaris of andere gedetineerden was gezien in de bibliotheek en of hij daar iets had afgegeven. Verzoeker meent ook dat zijn voorgeschiedenis - hij heeft immers reeds zijn beklag gedaan over verdwenen dvd’s zodat het volgens hem waarschijnlijk is dat ook zijn andere dvd’s zouden worden nagekeken en het onwaarschijnlijk is dat hij zich schuldig zou maken aan de feiten in kwestie - de gevangenisdirectie tot meer zorgvuldigheid had moeten aanzetten. Dat de andere gedetineerde P. P. nu zou hebben verklaard dat de dvd’s toch niet van hem zijn, doet volgens verzoeker geen afbreuk aan het feit dat dit onderzoek vooraf had moeten gebeuren. Verzoeker brengt bovendien een verklaring bij van P. P. van 18 juni 2015 waarin deze toch erkent dat twee dvd’s van hem zijn. Het feit dat P. P. geen aankoopbewijs van de dvd’s kon voorleggen, zoals door de verwerende partij aangehaald, is volgens verzoeker niet pertinent want ook hij kan geen aankoopbewijs voorleggen. De gevangenisdirecteur heeft op de hoorzitting gesteld dat hij voor de zekerheid nog eens zou nagaan of de dvd’s van verzoeker zijn, maar verzoeker merkt op dat het volkomen onduidelijk, en dus ook onzorgvuldig, is hoe dit is gebeurd. De onzorgvuldige wijze waarop dvd’s in de bibliotheek worden behandeld blijkt ook uit het feit dat verzoeker nog steeds zeven dvd’s mist, waarvoor de gevangenisdirectie al in gebreke werd gesteld ruim voor de tuchtbeslissing.
In de laatste memorie voert verzoeker een aantal elementen aan die hij opsomt en die volgens hem weerleggen dat er geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek.
XIV-36.366-11/14
Beoordeling
21. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
22. Verzoeker betwist in het derde middel dat de dvd’s waarachter de gekopieerde dvd’s zijn aangetroffen aan hem toebehoren en stelt dat het onderzoek niet zorgvuldig werd gevoerd.
Zoals bij de behandeling van het tweede middel reeds werd gesteld, heeft de tuchtoverheid zich voor het bewijs van het ten laste gelegde tuchtvergrijp gesteund op het aan tegenspraak onderworpen rapport en op het verhoor van verzoeker. Voorts blijkt uit het verhoorverslag dat de directeur voor de zekerheid nog eens ging nakijken of de dvd’s van verzoeker zijn.
23. Op grond van artikel 144, § 5, vierde lid, van de basiswet brengt verzoeker - die overeenkomstig artikel 144, § 4 van diezelfde basiswet werd bijgestaan door een advocaat tijdens het tuchtverhoor - zijn verweermiddelen mondeling en, zo hij dit wenst schriftelijk, ter kennis van de directeur. Hoewel verzoeker, bijgestaan door een advocaat, met toepassing van de voormelde bepaling onderzoeksvragen ter gelegenheid van de hoorzitting in een (geschreven)
(verweer)nota kenbaar had kunnen maken, blijkt hij zulks niet te hebben gedaan.
Niet blijkt uit het dossier en inzonderheid niet uit het verhoor dat verzoeker of zijn raadsman op enig moment in de procedure heeft gevraagd tot het voorleggen van de deponeringsnummers noch heeft hij bekritiseerd dat die niet voorlagen op het ogenblik van het verhoor. Evenmin is op enig ogenblik verzocht
XIV-36.366-12/14
tot het horen van getuigen. Enkel blijkt uit het verhoorverslag dat de directeur voor de zekerheid nog eens ging nakijken of de dvd’s van verzoeker zijn, doch bij gebreke aan het op dat ogenblik verzoeken tot het stellen van de thans vermelde onderzoeksdaden die volgens verzoeker hadden moeten zijn gebeurd, kan het de verwerende partij niet worden verweten dat onderzoek niet op zorgvuldige wijze te hebben verricht door niet die handelingen te hebben gesteld.
Uit het administratief dossier blijkt voorts dat de verklaring van medegedetineerde P. P. dat twee van de dvd’s ingeschreven op verzoekers naam op zijn naam hadden moeten zijn geregistreerd, dateert van na de bestreden beslissing.
De tuchtoverheid kon die aldus niet in haar beoordeling betrekken.
Verzoeker geeft voor het overige zowel in zijn verzoekschrift als in de memorie van wederantwoord blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de feiten, maar hij maakt niet aannemelijk dat de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen.
24. Door het bewijs van de tenlastelegging louter te steunen op dit rapport aan de directeur, het verhoor en het nakijken “voor de zekerheid” naar aanleiding van het verhoor en geen bijkomende onderzoeksdaden te verrichten, zoals die welke verzoeker thans vermeldt, begaat de directie geen onwettigheid.
Verzoeker voerde immers tijdens zijn verhoor geen gerede twijfel aan waarbij getwijfeld kan worden aan de vaststellingen zelf in het rapport van de directeur.
25. Het derde middel is ongegrond.
XIV-36.366-13/14
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.366-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.575