Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.571 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.571 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed; RvVb not required to debate its own interpretation of lower court ruling.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.571
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the cassation appeal filed by NV MC Consulting and NV Distrimo against a ruling of the Administrative Tribunal. The applicants argued that the Tribunal violated their right to a fair trial by taking a stance on the scope of a Brussels Court of Appeal decision without first hearing the parties. The court found no factual basis for this claim, noting that the applicants had explicitly communicated the relevant court ruling to the Tribunal prior to the hearing, and a debate regarding its scope was conducted in their presence. Consequently, the court held that the Tribunal did not deprive the applicants of access to the courts.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 6 ECHR and Article 9.2 j° 2.5 of the Aarhus Convention; The administrative tribunal is not required to reopen proceedings to debate its own interpretation of a lower court ruling if the parties have previously communicated that ruling and participated in the debate.

Mots-clés

Généré par l'IA
right to a fair trial administrative tribunal procedure access to the courts interpretation of lower court ruling right of defense stabilité économique sécurité juridique motif de révision

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 6 ECHR
Article 9.2 j° 2.5 of the Aarhus Convention
en art. 9.2 j° 2.5 van het Verdrag van Aarhus, aan verzoekende partijen de gelegenheid heeft ontnomen om te wijzen op de correcte draagwijdte van een toetsing op grond van artikel 159 Grondwet door de burgerlijke rechter en de concrete invulling en gevolgen van deze toetsing op de onderhavige zaak”.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.571 van 26 oktober 2017

in de zaak A. 220.859/VII-39.851.

In zake : 1. de NV MC CONSULTING

2. de NV DISTRIMO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury en tevens door advocaat Robert Peeters kantoor houdend te 3090 Overijse Brusselsesteenweg 506

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN

VAN DE GEMEENTE HOEILAART

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yvan Boels kantoor houdend te 1060 Brussel Bronstraat 68, bus 2

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0178 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 18 oktober 2016 in de zaak 1314/0790/A/5/0771.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 21 december 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

VII-39.851-1/9

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaten John Toury en Jan De Groote, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Kristel Boels, die loco advocaat Yvan Boels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoeilaart (hierna: college) weigert op 17 november 2005 een stedenbouwkundige vergunning voor het uitvoeren van instandhoudingswerken aan de woning van de

VII-39.851-2/9

heer en mevrouw Robat-Joris, rechtsvoorgangers van de NV MC Consulting en de NV Distrimo:

“[...] De woning is bijgevolg zonevreemd of gelegen buiten de geëigende bestemmingszone. Gezien de toestand van de woning welke hedentendage niet voldoet aan de elementaire eisen van de stabiliteit kan geen vergunning voor werken worden afgeleverd en is de rechtszekerheid van de woning komen te vervallen (art. 195bis, 3°). De woning staat geïnventariseerd als leegstaand, verwaarloosd en ongeschikt (registratieattesten) [...]”.

3.2. Bij vonnis van 1 februari 2011 verklaart de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van de NV MC Consulting ongegrond. De NV MC Consulting vorderde “te zeggen voor recht dat het stakingsbevel en verzegeling van 9 september 2010 bekrachtigd op 20 september 2010 ten onrechte gelegd werd, en dat de beschikking zal gelden als opheffing van het stakingsbevel, de bekrachtigingsbeslissing en de maatregel van verzegeling indien [het Vlaamse Gewest] zou nalaten om binnen de 48 uur de te wijzen beschikking, vrijwillig aan [de nv MC Consulting] te verlenen”.

3.3. Het college weigert op 3 februari 2014 aan de NV MC

Consulting en de NV Distrimo een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor het regulariseren van verbouwingswerken aan voormelde woning.

3.4. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) verklaart op 19 juni 2014 het administratief beroep van de NV MC Consulting en de NV Distrimo tegen de voormelde vergunningsbeslissing van 3 februari 2014 gegrond en verleent aan laatstgenoemde een stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van verbouwingswerken aan voormelde woning.

3.5. Het hof van beroep te Brussel verklaart bij arrest van 20 oktober 2015 het hoger beroep van de NV MC Consulting tegen het vonnis van 1 februari 2011 gegrond en “[b]eveelt de opheffing van het stakingsbevel van 9 september 2010, bekrachtigd op 20 september 2010 met betrekking tot het [voormelde]

VII-39.851-3/9

onroerend goed […] en van de daar gelegde verzegeling” na de conclusie dat er “geen aanleiding [is] tot toepassing van artikel 159 van de Grondwet” na te hebben overwogen:

“Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat de beslissing van de deputatie met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet gehouden worden. Het voert aan dat de deputatie ongemotiveerd en ten onrechte oordeelde dat het gebouw van MC CONSULTING niet verkrot was.

De beslissing van de deputatie is ruim en grondig gemotiveerd in feite en in rechte en het hof ziet geen schending van de motiveringsplicht uit de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De deputatie maakt toepassing van de ‘basisrechten voor zonevreemde constructies’, zoals bepaald in artikel 4.1.10 VCRO en volgende. Artikel 4.1.10

§1 VCRO bepaalt dat de afdeling met betrekking tot de basisrechten van toepassing is op vergunningsaanvragen ‘die betrekking hebben op hoofdzakelijk vergunde en niet verkrotte zonevreemde constructies’. De deputatie verwijst naar de definitie van verkrot in artikel 4.1.1.15° VCRO: ‘niet voldoend aan de elementaire eisen van stabiliteit’. Uit een inspectieverslag uit de periode van de eerste vergunningsaanvraag leidt zij af dat er geen structurele problemen waren. Zij overweegt verder dat de uitvoering van werken met invloed op de stabiliteit niet impliceert dat het gebouw instabiel was. Deze redenering is overeenstemming met de aangehaalde bepalingen van de VCRO

en is dus niet onwettig”.

3.6. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van het college voormelde vergunningsbeslissing van 19 juni 2014.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

4. De NV MC Consulting en de NV Distrimo hebben een “verzoek tot voortzetting van de procedure” ingediend waarin zij een repliek geven op het auditoraatsverslag. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit)

voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”.

VII-39.851-4/9

Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de NV MC Consulting en de NV Distrimo. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten.

V. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunt van de verzoekende partijen

5. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 oktober 2015, de artikelen 23, 24 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 149 van de Grondwet:

“Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen het verzoek tot nietigverklaring van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hoeilaart gegrond heeft bevonden wegens schending van de motiveringsverplichting, Terwijl het Hof van Beroep te Brussel bij arrest dd. 20 oktober 2015 ten aanzien van de beslissing van de Deputatie uitdrukkelijk en expliciet heeft vastgesteld dat de Deputatie aan de motiveringsverplichting heeft voldaan, En terwijl het gezag van gewijsde (van dit in kracht van gewijsde gegane)

arrest van het Hof van Beroep dd. 20 oktober 2015 zich ertegen verzet dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen het reeds beoordeeld motief van de motiveringsplicht naast zich neerlegt, Zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 20 oktober 2015 heeft miskend en het bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in strijd met artikel 149 Grondwet bijgevolg op tegenstrijdige redenen berust en niet regelmatig met redenen is omkleed”.

Zij lichten toe dat het gezag van gewijsde als een algemeen rechtsbeginsel geldt, dat het hof van beroep “de legaliteit van de motivering van de beslissing van de deputatie […] uitdrukkelijk [heeft] beoordeeld en in overeenstemming bevonden met de wet van 29 juli 1991 betreffende de

VII-39.851-5/9

uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen” en dat het arrest “op het ogenblik van de beoordeling van de zaak door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en reeds in kracht van gewijsde was getreden bij gebreke van cassatieberoep door het Vlaamse Gewest, en er door het college […]

geen derdenverzet werd aangetekend tegen het voormelde arrest terwijl zij van de inhoud uitdrukkelijk op de hoogte werd gesteld”.

Beoordeling

6. Het gezag van gewijsde van een vonnis in burgerlijke zaken is relatief en vereist dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat. Het belet dat opnieuw uitspraak kan worden gedaan over dezelfde vordering.

7. Uit de gegevens waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de procedure voor het hof van beroep te Brussel die geleid heeft tot het arrest van 20 oktober 2015 werd gevoerd door de NV MC Consulting tegen het Vlaamse Gewest en dat door laatstgenoemde overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet de buitentoepassingverklaring van de vergunningsbeslissing van 19 juni 2014

werd gevorderd. Verder blijkt dat de procedure voor de RvVb die geleid heeft tot het bestreden arrest werd gevoerd door het college tegen de deputatie, met de NV MC Consulting en de NV Distrimo als tussenkomende partijen en dat door het college overeenkomstig de toepasselijke versie van artikel 4.8.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de vernietiging werd gevorderd van dezelfde vergunningsbeslissing.

8. Hieruit volgt dat deze procedures verschillende vorderingen van verschillende partijen betreffen.

9. Het bestreden arrest overweegt dat de RvVb “de natuurlijke rechter [is] om zich uit te spreken over de wettigheid van de bestreden vergunning, en […] niet gebonden [is] door deze zijdelingse wettigheidstoets door de burgerlijke rechter”.

VII-39.851-6/9

10. Het bestreden arrest berust niet op tegenstrijdige motieven.

Het eerste middel wordt verworpen.

Tweede middel

Standpunt van de verzoekende partijen

11. De verzoekende partijen voeren de schending aan van:

“het algemeen beginsel van het recht van verdediging en het recht op eerlijke behandeling zoals vervat in artikel 6.1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EVRM’) en het recht op toegang tot de rechter vervat in artikel 6 EVRM en art. 9.2 j° 2.5 van het Verdrag van Aarhus (Verdrag (V.N.) van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (BS 24 april 2003), Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen ambtshalve standpunt heeft ingenomen over de draagwijdte van het arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 20 oktober 2015, zonder dat hierover tussen partijen een georganiseerd debat kon worden gevoerd, Terwijl het algemeen beginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijke behandeling vervat in artikel 6 EVRM met zich meebrengen dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de partijen vooraf had moeten horen over de (ambtshalve) aangehouden interpretatie die het aan het arrest van het Hof van Beroep geeft, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen in die omstandigheden bijgevolg ambtshalve de debatten had moeten heropenen om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de draagwijdte van het arrest van het Hof van Beroep, Zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in strijd met het algemeen beginsel van het recht op toegang tot de rechter zoals vervat in artikel 6 EVRM

en art. 9.2 j° 2.5 van het Verdrag van Aarhus, aan verzoekende partijen de gelegenheid heeft ontnomen om te wijzen op de correcte draagwijdte van een toetsing op grond van artikel 159 Grondwet door de burgerlijke rechter en de concrete invulling en gevolgen van deze toetsing op de onderhavige zaak”.

VII-39.851-7/9

Beoordeling

12. Volgens de gegevens van het dossier waarop de Raad van State mag acht slaan hebben de NV MC Consulting en de NV Distrimo het arrest van 20 oktober 2015 van het hof van beroep van Brussel met het oog op de zitting van 13 september 2016 aan de RvVb meegedeeld met een schrijven van 29 augustus 2016.

Verder blijkt uit het proces-verbaal van voormelde zitting van de RvVb dat in hun aanwezigheid debat werd gevoerd over het meegedeelde arrest van het hof van beroep.

13. Uit de in randnummer 9 aangehaalde overweging van het bestreden arrest volgt dat de RvVb het door de NV MC Consulting en de NV Distrimo meegedeelde overtuigingsstuk en hun daarop gesteunde verweer op voormelde zitting van de RvVb in de beoordeling heeft betrokken.

14. Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest “ambtshalve standpunt heeft ingenomen over de draagwijdte van het arrest van het hof van beroep […] zonder dat hierover tussen partijen een georganiseerd debat kon worden gevoerd” mist feitelijke grondslag.

Het tweede middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

VII-39.851-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.851-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.571