Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.568 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.568 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed; applicant lacks standing as mere competitor without direct urban planning harm.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.568
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the cassation appeal filed against a ruling that declared the applicant's administrative challenge inadmissible. The applicant, a competitor, argued that the refusal of a building permit constituted a direct hindrance warranting judicial review. The court held that a mere weakening of competitive position does not satisfy the requirement of direct urban planning harm under the relevant statute.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 4.8.11, §1, first paragraph, 3° VCRO; A mere competitive disadvantage does not constitute direct urban planning harm or grant standing to challenge a building permit decision.

Mots-clés

Généré par l'IA
standing requirement urban planning permit competitive disadvantage direct hindrance inadmissibility VCRO provision cassation appeal qualité pour recourir contre permis

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 4.8.11, §1, first paragraph, 3° VCRO
Article 6, §1 EVRM
Article 149 of the Constitution
Article 14, third paragraph of the Royal Decree of 30 November 2006

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Court of Commerce of Tongeren, 7 February 2012
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.568 van 26 oktober 2017

in de zaak A. 221.034/VII-39.864.

In zake : de NV BOUWMATERIALEN JORISSEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN LIMBURG

Tussenkomende partij :

Robert JACKERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maire-Josée Deuss kantoor houdend te 3740 Bilzen Rode Kruislaan 142A

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0266 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 8 november 2016 in de zaak 1213/0759/A/9/0721.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 11 januari 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

VII-39.864-1/8

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 1 maart 2017. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekende partij, afdelingschef Tom Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Philippe Ghesquiere, die loco advocaat Marie-Josée Deuss verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

VII-39.864-2/8

III. Feiten

3.1. Met een besluit van 27 juni 2013 verklaart de deputatie van de provincieraad van Limburg het administratief beroep van de verzoekende partij tegen de stedenbouwkundige vergunning die werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst op 14 maart 2013 aan de tussenkomende partij, onontvankelijk.

3.2. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 27 juni 2013

onontvankelijk.

IV. Onderzoek van het enige middel

Voorafgaandelijke opmerking

4. Te dezen neemt de memorie van wederantwoord niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) in zoverre het louter de in het verzoekschrift geschonden geachte bepalingen herneemt. De Raad van State houdt voor de beoordeling van de gegrondheid van het enige middel enkel rekening met het in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middel en de eventuele toelichting ervan.

Uiteenzetting van het middel

5. De verzoekende partij voert in de memorie van wederantwoord de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en artikel 149 van de Grondwet “aangezien het [arrest] niet regelmatig met redenen omkleed is”.

VII-39.864-3/8

Beoordeling

6. Overeenkomstig artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit dient over de ontvankelijkheid van dit enige middel uitspraak te worden gedaan op basis van het inleidende verzoekschrift.

7. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten.

Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door de bestreden jurisdictionele beslissing geschonden geachte rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.

8. In dat verzoekschrift wordt het in de memorie van wederantwoord hernomen enige middel aangevoerd. De verzoekende partij licht daarin toe dat artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO en artikel 149 van de Grondwet geschonden worden door het bestreden arrest omdat, samengevat:

- het “tot het besluit [komt] dat verzoeker niet beschikt over het rechtens vereiste belang in toepassing van artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO”;

- “verzoeker in zijn verzoek tot vernietiging onder titel II.2. [nochtans] uitvoerig [had] aangegeven waarom hij beschikt over het rechtens vereiste belang in toepassing van artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO” en dat verder had uitgewerkt in de wederantwoordnota;

- het overeenkomstig artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO volstaat dat de verzoekende partij “redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico op het ondergaan van de aangevoerde hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat”;

- de “visie in het bestreden arrest [over de hinderaspecten] veel te beperkend [is], en [...] geen steun [vindt] in de parlementaire werken bij de VCRO, laat staan in de letterlijke bewoordingen van het artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO”;

VII-39.864-4/8

- de door de verzoekende partij omstandig aangevoerde hinder en nadelen “op geen enkel ogenblik aan een inhoudelijk onderzoek [werden] onderworpen” in het bestreden arrest.

9. Het in het verzoekschrift aangevoerde enige cassatiemiddel voldoet aan de krachtens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit gestelde vereisten en is derhalve ontvankelijk.

10. Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed.

De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de motiveringsverplichting is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt.

Wanneer een motivering voorts leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

11. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de verzoekende partij op grond van volgende overwegingen onontvankelijk:

“In overeenstemming met artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO is het vereist dat de verzoekende partij, om als belanghebbende bij de Raad beroep te kunnen instellen, aannemelijk maakt dat zij rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen door de bestreden beslissing kan ondervinden. Het door die bepaling gestelde belangvereiste raakt aan het grondrecht op toegang tot de rechter en mag om die reden niet op een overdreven formalistische wijze worden toegepast. Het bestaan van hinder of nadelen en het oorzakelijk verband met de bestreden beslissing hoeven niet met onomstotelijke zekerheid te

VII-39.864-5/8

worden aangetoond. De verzoekende partij hoeft niet te bewijzen dat zij de aangevoerde hinder of nadelen effectief ondervindt. Het volstaat om redelijkerwijze aannemelijk te maken dat er een risico op het ondergaan van de aangevoerde hinder of nadelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, van de bestreden beslissing bestaat.

Dat beginsel houdt nochtans niet in dat om het even welke benadeling of hinder ter adstructie van het belang in aanmerking genomen kan worden. De regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening en de stedenbouw strekt in essentie tot de bescherming van de goede ruimtelijke ordening en een gezond leefmilieu, en mag niet van die finaliteit worden afgewend ter bescherming van belangen die daar volledig vreemd aan zijn. Artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3°

VCRO geeft dan wel geen omschrijving van de ‘hinder en nadelen’ die constitutief voor het belang zijn, dat neemt niet weg dat de aan een vergunningsbeslissing toegeschreven hinder en nadelen binnen het domein van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw moeten blijven. De voorwaarde van aannemelijk te maken hinder of nadelen mag niet van die wettelijke context worden ontdaan.

Die interpretatie vindt bevestiging in de memorie van toelichting van het ontwerp van decreet tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid (Parl. St. Vl. Parl., 2008-09, nr. 2011/1, 186) waarin gesteld wordt:

‘[…]

‘Hinderaspecten’ kunnen geredelijk worden onderscheiden in visuele hinder (slechte stedenbouwkundige-architectonische inpasbaarheid), hinder ingevolge de slechte functionele inpasbaarheid in de omgeving (hinder ingevolge het ondoelmatige ruimtegebruik, mobiliteitshinder,...), c.q. geluidshinder, trillingshinder, geurhinder, stofhinder, rookhinder, stralingshinder en lichthinder (deze laatste hinderaspecten vormen uiteraard de traditionele compartimenteringen binnen de milieuhinder).

[…]’ De in artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO bedoelde ‘hinder en nadelen’ moeten dan ook in die stedenbouwkundige betekenis worden begrepen.

2. Zoals blijkt uit de uiteenzetting in het verzoekschrift, voert de verzoekende partij ter verantwoording van haar belang enkel een commercieel nadeel aan, dat wil zeggen het verlies aan cliënteel aan de tussenkomende partij die in directe concurrentie met haar eigen bedrijvigheid staat. Een commercieel nadeel of het risico daarop kan maar in aanmerking worden genomen voor zover het voortvloeit uit of in verband staat met de stedenbouwkundige hinder die de bestreden beslissing veroorzaakt. Het door de verzoekende partij ingeroepen commercieel nadeel blijkt van iedere stedenbouwkundige inslag te zijn ontdaan.

De verzoekende partij beweert niet dat de omgeving van haar vestiging als gevolg van de bestreden beslissing aan enige stedenbouwkundige impact blootgesteld wordt. Zij beroept zich op een louter concurrentieel belang. De verzoekende partij streeft met de vernietiging van de bestreden beslissing na dat de verwerende partij in administratief beroep alsnog de vergunning aan de

VII-39.864-6/8

tussenkomende partij zou weigeren. Zij wil de vergunning geweigerd zien enkel omdat het om een concurrent gaat.

Daaruit volgt dat de verzoekende partij niet beantwoordt aan de hoedanigheid van belanghebbende in de zin van artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen als gevolg van de bestreden vergunningsbeslissing kan ondervinden.

3. Er wordt niet aangenomen dat artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO, in die zin uitgelegd dat een louter concurrentieel nadeel als belang niet volstaat om beroep bij de Raad in te stellen, in strijd zou zijn met het door artikel 6, §1

EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Door het recht op toegang tot de Raad voor te behouden aan belanghebbenden die als gevolg van een stedenbouwkundige vergunningsbeslissing stedenbouwkundige hinder en nadelen (dreigen te) ondervinden, legt artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO

geen onredelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde op.

De verzoekende partij reikt geen argumenten aan om daar anders over te oordelen. Dat de verzoekende partij als handelaar van iedere rechtsbescherming verstoken zou blijven en niet bij machte zou zijn de staking van de op basis van een gebeurlijk onwettige vergunning uitgeoefende handelspraktijken te vorderen, toont zij met de enkele verwijzing naar het vonnis van de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 7 februari 2012 niet aan.

Het valt daarbij ook niet in te zien waarom artikel 4.8.11, §1, eerste lid 3°

VCRO in functie van de ‘vaststaande’ rechtspraak van de handelsrechter geïnterpreteerd zou moeten worden.

4. Waar de tussenkomende partij de verzoekende partij het rechtens vereiste belang bij het beroep ontzegt omdat een verzwakking van de concurrentiepositie alleen niet als hinder of nadeel in de zin van artikel 4.8.11, §1, eerste lid 3° VCRO kan gelden, is de exceptie gegrond.

Het beroep is onontvankelijk”.

12. Het arrest is aldus overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen omkleed.

In zoverre in de memorie van wederantwoord de schending van deze grondwettelijke bepaling wordt hernomen omdat het bestreden arrest niet regelmatig met redenen is omkleed, is het middel ongegrond.

13. Het middel in zoverre het wordt hernomen in de memorie van wederantwoord en het de schending aanvoert van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO, kan door de ontstentenis van een uiteenzetting in de memorie van

VII-39.864-7/8

wederantwoord van de wijze waarop deze rechtsregel door het bestreden arrest wordt miskend, niet tot cassatie leiden.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.864-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.568