Court dismisses appeal as client seeks to legitimize an illegal expansion of transport business beyond permitted capacity.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to annul the municipality's decision imposing special environmental conditions on their transport company. The applicant argued that the new conditions restricted their existing operations, but the court found they were actually seeking to legalize an unauthorized expansion of their fleet. Since the applicant had previously declared a smaller operation, the court determined that annulling the decision would not restore the legal status quo but would instead perpetuate an illegal state of affairs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 4, § 2 of the Decree of 28 June 1985 on environmental permits; The annulment of a decision imposing special environmental conditions must not serve to lift an existing prohibition on exploitation and maintain an illegal situation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.567 van 26 oktober 2017
in de zaak A. 220.760/VII-39.839.
In zake : de BVBA TRANSPORT FREDDY
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Donald Stockmans kantoor houdend te 1760 Roosdaal Ninoofsesteenweg 101
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de GEMEENTE ROOSDAAL
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 21 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal van 29 augustus 2016 waarbij aan de BVBA Transport Freddy bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd voor de exploitatie van een transportbedrijf, gelegen aan de Kerkveldstraat 11 te Roosdaal.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 238.155 van 11 mei 2017 is het debat heropend en wordt de zaak volgens de gewone rechtspleging voortgezet.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
VII-39.839-1/5
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Eline Vanluchene, die loco advocaat Donald Stockmans verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij exploiteert een transportbedrijf te Roosdaal, Kerkveldstraat 11.
3.2. Bij besluit van 26 juli 1999 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal akte genomen van de melding van de verandering van een klasse 3 ingedeelde inrichting, voortaan omvattende:
“- 3 trekkers en 4 opliggers gestald al dan niet in een overdekte ruimte, rubriek 15.1.1;
- de opslag van 12 500 1 diesel in 2 bovengrondse dubbelwandige tanken, rubriek 17.3.6.1.b;
- één verdeelpomp, rubriek 17.3.9.1;
- de opslag van 400 1 olie, rubriek 17.3.7.1;
- de lozing van bedrijfsafvalwater (hemelwater mogelijks bevuild met koolwaterstoffen na de olie-benzineafscheider), rubriek 3.1.1;
- het wassen van voertuigen, rubriek 15.4;
- volgende niet-ingedeelde inrichtingen zoals ant[i]gel tot 10 kg en de opslag van corrosief reinigingsmiddel tot 200 kg”.
VII-39.839-2/5
3.3. Op 29 augustus 2016 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal een besluit waarbij “met [het] oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving” aan de verzoekende partij de volgende bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd:
“- het verbod op het plaatsen van aanhangwagens met koelgroepen ten einde de geluidshinder veroorzaakt door de koelgroepen in werking op de directe omgeving te verhinderen. De maatregel dringt zich op omdat de exploitant er niet in slaagt om het bepaalde in artikel 5.15.0.6 van het Vlarem II na te leven;
- de te gebruiken oppervlakte voor het stallen van transporteenheden beperken tot het geasfalteerde deel vóór de voetweg (Molenweg) zodat het aantal beperkt blijft tot het aantal van 7 (zeven) waarvoor een recht op uitbating bekomen is op basis van de akteneming van 26 juli 1999. Dit beperkt ook de geluidshinder van aankomend en vertrekkend transport”.
Dit is de thans bestreden beslissing.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. Eveneens heeft zij nagelaten het administratief dossier neer te leggen.
Derhalve worden, met toepassing van artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij deze kennelijk onjuist zouden blijken te zijn. De toepassing van voornoemde bepaling ontslaat de Raad van State er evenwel niet van om ambtshalve te onderzoeken of het beroep ontvankelijk is.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Ambtshalve exceptie
5. De verzoekende partij licht haar belang bij de gevorderde nietigverklaring toe door te stellen dat “de bestreden beslissing […] bijzondere
VII-39.839-3/5
voorwaarden toevoegt aan de akteneming/vergunning van 26 juli 1999 waardoor deze laatste gevoelig wordt ingeperkt met een nefaste invloed op de werking van het bedrijf”. De draagwijdte van de gelaakte “inperking” wordt in het verzoekschrift niet nader toegelicht.
6. Wat betreft de gevolgen van de bestreden beslissing verliest de verzoekende partij blijkbaar uit het oog dat zij blijkens de aktename van 26 juli 1999 melding heeft gedaan van de exploitatie van een transportbedrijf met stalplaatsen voor “3 trekkers en 4 opliggers”. De bestreden beslissing strekt er in hoofdzaak toe het stallen van vrachtwagens te beperken “tot het aantal van 7 (zeven) waarvoor een recht op uitbating bekomen is op basis van de akteneming van 26 juli 1999”.
In tussenarrest nr. 238.156 van 11 mei 2017, gewezen in de zaak A. 221.634/VII-39.931 waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging werd gevorderd van onder meer onderhavige beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal, werd reeds vastgesteld dat “uit de uiteenzetting van de verzoekende partij [blijkt] dat zij de nadelen die een schorsingsarrest moet afwenden, stoelt op de omstandigheid dat zij een transportbedrijf exploiteert met ‘15 trekkers en 22 opleggers’ en een personeelsbestand van ‘13 vaste chauffeurs’”. De verzoekende partij heeft deze vaststelling niet ontkracht.
Artikel 4, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat “niemand […], zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die in de derde klasse is ingedeeld en geen onderdeel is van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld, [mag] exploiteren of veranderen”. De uitkomst van een annulatieberoep tegen een beslissing tot oplegging van bijzondere milieuvoorwaarden mag er niet toe dienen voormeld exploitatieverbod op te heffen en een bestaande onwettige toestand te bestendigen.
VII-39.839-4/5
De verzoekende partij streeft een ongeoorloofd belang na.
Het beroep is niet ontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.839-5/5
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.567