Belgian State wins cassation appeal; applicant dismissed for lack of current interest and procedural violations.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's cassation appeal against a Foreigners' Board decision refusing residence as a family member of a Belgian citizen. The applicant argued she retained an interest in challenging the departure order despite living in Argentina, and claimed violations of the principle of reasonable time and the right to a fair hearing. The court ruled the appeal inadmissible because the applicant failed to demonstrate a current legal interest in the outcome and the Board did not exceed its annulment powers.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 39/2, § 2; 39/5, § 1; 39/56, § 1 of the Foreigners' Law; The Council of State holds that a cassation appeal is inadmissible if the applicant cannot demonstrate a current legal interest in the annulment of the contested decision, particularly when the applicant has moved abroad and no longer resides in Belgium.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.533 van 24 oktober 2017
in de zaak A. 216.042/XIV-36.474
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 juni 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 144.760 van 4 mei 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.408 van 9 juli 2015.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-36.474-1/16
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2016.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Luc Denys, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster dient op 24 juni 2011 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name als ascendent van een meerderjarige Belg.
Op 29 november 2011 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoekster een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.
XIV-36.474-2/16
Verzoekster stelt op 25 januari 2012 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt het beroep tot nietigverklaring tegen de voornoemde beslissing van 29 november 2011 met een arrest van 4 mei 2015. Dit is het bestreden arrest.
IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4. Met een brief van haar raadsman van 23 augustus 2017 bevestigt verzoekster dat zij vanaf 15 maart 2016 tijdelijk in Argentinië heeft verbleven en dat zij ten gevolge daarvan “niet haar belang [behoudt] bij het bestrijden van het bevel om het grondgebied te verlaten”.
Het cassatieberoep is derhalve niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het bestreden arrest in de mate dat het beroep tot nietigverklaring tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 29 november 2011 wordt verworpen.
5. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van gebrek aan belang op omdat zij, na een gebeurlijke cassatie van het bestreden arrest en vernietiging van de aanvankelijk bestreden beslissing tot weigering van verblijf, niet anders zal kunnen dan vast te stellen dat verzoekster zich - ingevolge de wetswijziging van 8 juli 2011 - niet meer kan beroepen op het recht op gezinshereniging. Verzoekster brengt daar in de memorie van weder-
antwoord tegenin dat de verwerende partij bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing tot weigering van verblijf een vervaltermijn niet heeft nageleefd, waardoor de onwettigheid van die beslissing vaststaat en geen nieuwe ongunstige beslissing kan worden genomen.
De exceptie hangt samen met de vraag naar de gegrondheid van de middelen, die hierna worden onderzocht.
XIV-36.474-3/16
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
6. Verzoekster werpt in een eerste middel de schending op van artikel 42, § 1, eerste lid van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) iuncto artikel 10.1 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ (hierna: richtlijn 2004/38).
Verzoekster voert aan dat de beslissing over de erkenning van een recht op verblijf op grond van artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet niet enkel moet worden genomen maar ook ter kennis gebracht van de vreemdeling binnen een termijn van zes maanden. Al verwijst het voornoemde artikel 42, § 1, eerste lid, naar “de burger van de Unie en zijn familieleden”, volgens verzoekster betreft deze bepaling ook de duur van de termijn waarbinnen de aanvraag van een familielid van een (statische) Belg moet worden beoordeeld vermits voor deze laatste situatie geen bijzondere wetsbepaling is voorzien. De bedoelde termijn kan niet verschillend worden geïnterpreteerd naargelang het gaat om de ene of de andere categorie van vreemdelingen.
Artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 voorziet dat het verblijfsrecht binnen de zes maanden wordt vastgesteld “door de afgifte van een document”, waaruit blijkt dat de afgifte van de verblijfskaart is inbegrepen in de termijn van zes maanden vanaf de indiening van de aanvraag. Verzoekster laat gelden dat artikel 42, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet moet worden geïnterpreteerd conform artikel 10.1 van
XIV-36.474-4/16
richtlijn 2004/38, waaruit volgt dat zowel de beslissing als de kennisgeving ervan binnen de termijn van zes maanden moeten vallen. De aanvankelijk bestreden beslissing is op 27 december 2011 ter kennis gebracht van verzoekster, hetzij zes maanden en drie dagen na de indiening van de aanvraag op 24 juni 2011, zodat verzoekster de aangehaalde bepalingen geschonden acht.
7. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij voegt toe dat de verwerende partij niet kan verwijzen naar artikel 52, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het vreemdelingenbesluit) in de mate dat het strijdig zou zijn met artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet zoals dit moet worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38. Dat de termijn van zes maanden geldt voor de beslissing en de kennisgeving ervan, blijkt volgens verzoekster uit de tekst van artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet zoals deze gold vóór de wijziging door de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 8 juli 2011).
Deze tekst bevatte geen termijn, doch artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit bepaalde wel, tot de wijziging ervan met het koninklijk besluit van 21 september 2011 ‘tot wijziging van de koninklijke besluiten van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van 7 mei 2008 tot vaststelling van bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, dat aan de betrokkene een verblijfskaart werd afgeleverd “indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf erkent of indien binnen de termijn van vijf maanden bepaald in § 1 geen beslissing werd meegedeeld aan het gemeentebestuur”. Dat de termijn met de wet van 8 juli 2011 in artikel 42, § 1, van
XIV-36.474-5/16
de vreemdelingenwet en thans niet meer in het uitvoeringsbesluit is opgenomen, is het gevolg van een amendement nr. 147 waarvan in de verantwoording werd gesteld dat “aansluitend op een arrest van het Grondwettelijk Hof […] voortaan in de wet een behandelingstermijn van zes maanden [wordt] opgenomen” (Parl. St.
Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Uit het feit dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 128/2010 van 4 november 2010 een vergelijking maakt met artikel 12bis, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet, dat een termijn vermeldt waarbinnen de beslissing moet worden genomen en betekend, leidt verzoekster af dat het voornoemde amendement eveneens een termijn bepaalt waarbinnen de beslissing moet worden genomen en betekend. Verzoekster merkt nog op dat het formulier “bijlage 19ter” de kracht van een koninklijk besluit heeft vermits het bij koninklijk besluit is vastgelegd en dat de tekst van dat formulier haar stelling bevestigt dat de kennisgeving van de beslissing moet gebeuren binnen de termijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag.
Beoordeling
8. Verzoekster liet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer gelden dat de in artikel 42 van de vreemdelingenwet bepaalde termijn van zes maanden werd overschreden, dat dit artikel moet worden gelezen in functie van richtlijn 2004/38, dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet werd genomen en ter kennis gebracht binnen de voornoemde termijn en dat de verwerende partij geen nieuwe weigeringsbeslissing meer kan nemen eens deze termijn werd overschreden.
In het bestreden arrest wordt in antwoord daarop overwogen dat verzoekster haar aanvraag heeft ingediend op 24 juni 2011, dat de verwerende partij ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 8 juli 2011 overeenkomstig artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet beschikte over een termijn van zes maanden om te beslissen over de aanvraag, dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen op 29 november 2011 en dus binnen de in het
XIV-36.474-6/16
voornoemde artikel bepaalde termijn en dat het tijdstip waarop de aanvankelijk bestreden beslissing ter kennis van verzoekster werd gebracht niet van belang is.
9. Artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet luidt:
“Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.”
Verzoekster betoogt dat artikel 42 van de vreemdelingenwet moet worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 10 van richtlijn 2004/38.
10. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2004/38 omschrijft als “begunstigden” van de daarbij verleende rechten “iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen”. Richtlijn 2004/38 voorziet dus volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend in een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familielid zijn van een burger van de Unie in de zin van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn, wanneer laatstgenoemde zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft (zie in die zin HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-456/12, punten 38 en 39, O. en B.; HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-457/12, S.
en G., punt 34). Aan deze richtlijn kan dus voor derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie, geen afgeleid verblijfsrecht worden ontleend in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit (in die zin: HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-457/12, S. en G., punt 34; HvJ [GK] 12 maart 2014, nr. C-456/12, punten 36 en 43).
In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoekster op 24 juni 2011 een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend als bloedverwant in opgaande lijn van een meerderjarige Belg.
XIV-36.474-7/16
Het wordt niet betwist en het wordt door geen enkel element uit het rechtsplegingsdossier ontkracht dat het te dezen gaat om gezinshereniging, gevraagd door een derdelander als ascendent van een meerderjarige Belgische onderdaan die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij personenverkeer binnen de Unie.
11. Verzoekster is van oordeel desalniettemin te kunnen verwijzen naar artikel 10.1 van richtlijn 2004/38 omdat eenzelfde tekst niet verschillend geïnterpreteerd zou kunnen worden naargelang hij van toepassing is op familieleden van een Unieburger of op familieleden van een Belg.
Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling, waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht.
Verzoeksters aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamde “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. St. Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht is een interpretatie van artikel 42, § 1, eerste lid van de
XIV-36.474-8/16
vreemdelingenwet overeenkomstig artikel 10, lid 1 van richtlijn 2004/38, zoals door verzoekster voorgesteld, te dezen niet aan de orde.
12. Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet stelt als algemene regel dat een beslissing betreffende het recht op verblijf van meer dan drie maanden dient te worden genomen binnen de zes maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag en dat de Koning de voorwaarden voor de erkenning en de duur van het verblijfsrecht bepaalt. Er wordt geen bevoegdheid aan de Koning gegeven voor het bepalen van de termijn waarbinnen het recht op verblijf aan de burger moet worden erkend.
Reeds in zijn arrest nr. 128/2010 van 4 november 2010 heeft het Grondwettelijk Hof gewezen op de dubbele waarborg voor de betrokken vreemdeling: “enerzijds, wordt de overheid verplicht om binnen een bepaalde termijn te beslissen over de aanvraag tot gezinshereniging, zodat de betrokkene niet te lang in het ongewisse blijft over het antwoord op zijn aanvraag; anderzijds, moet de toelating worden verleend indien geen enkele beslissing werd genomen binnen de opgelegde termijn, waardoor de betrokken vreemdeling wordt beschermd indien de overheid de opgelegde termijn niet respecteert of geen enkele beslissing neemt.” Verder heeft het Hof in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 uitdrukkelijk vastgesteld dat zowel uit de parlementaire voorbereiding als uit het algemeen opzet van de artikelen 40 en volgende van de vreemdelingenwet blijkt “dat de wetgever heeft gewild dat de termijn van zes maanden binnen welke over de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht wordt beslist, in elk geval moet worden nageleefd”.
Uit het voorgaande volgt dat de bedoelde termijn van zes maanden een vervaltermijn is en dat het enkel gaat om een termijn voor het nemen van de “beslissing”. Noch in de wettekst, noch in de voorbereidende werken, noch in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof komt de termijn van de kennisgeving aan bod. Verzoekster maakt het tegendeel niet aannemelijk met het feit dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 128/2010 van 4 november 2010 ook het
XIV-36.474-9/16
vroegere artikel 12bis van de vreemdelingenwet aanhaalt waarvan § 2, derde lid, voorzag dat de beslissing binnen de negen maanden werd “getroffen en betekend”, noch met het feit dat in het amendement dat heeft geleid tot de wijziging van artikel 42 van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 wordt verwezen naar het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof.
13. De lezing of interpretatie van artikel 52, § 4 van het vreemdelingenbesluit kan niet tot een andere conclusie leiden. In deze bepaling, die mede uitvoering geeft aan artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet, is enkel sprake van de situatie “waarin geen enkele beslissing is genomen” binnen de in het voornoemde artikel 42 bepaalde termijn. In deze uitvoeringsbepaling is echter geen sprake van een termijn voor de kennisgeving van de beslissing. Hoe dan ook zou artikel 52 van het vreemdelingenbesluit geen afbreuk kunnen doen aan artikel 42 van de vreemdelingenwet als hogere norm.
14. Tot slot kunnen ook de in het formulier “bijlage 19ter”
voorziene bewoordingen geen afbreuk doen aan het voorgaande.
15. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op wettige wijze geoordeeld dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen binnen de in artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet bepaalde termijn en dat het tijdstip waarop die beslissing ter kennis werd gebracht van verzoekster van geen belang is.
Het eerste middel is ongegrond en kan niet tot cassatie leiden.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
16. Verzoekster werpt in een tweede middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet.
XIV-36.474-10/16
Verzoekster voert “in hoofdorde” aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet heeft geantwoord op haar kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden door slechts na meer dan drie jaar te beslissen over het ingediende annulatieberoep. Verzoekster had niet de schending van het fairplaybeginsel ingeroepen, zodat het antwoord dienaangaande in het bestreden arrest naast de kwestie is en een afwezigheid van motivering inhoudt. Zij acht daardoor artikel 149 van de Grondwet geschonden.
Verzoekster voert “in ondergeschikte orde” aan dat de redelijke termijn ook voor administratieve rechtscolleges geldt en dat het bestreden arrest drie en een half jaar na het indienen van het annulatieberoep is uitgesproken. Al bepaalt artikel 39/81 iuncto artikel 39/76, § 3, van de vreemdelingenwet slechts een termijn van orde van drie maanden na de ontvangst van het beroep, een termijn die 14 maal zo lang aansleept is kennelijk onredelijk. Verzoekster acht de redelijke termijn geschonden door de overweging in het bestreden arrest dat van de voorgehouden schending slechts sprake is bij moedwilligheid.
Verzoekster voert “in nog meer ondergeschikte orde” aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een nieuwe grondslag heeft gegeven aan de ingeroepen schending van de redelijke termijn door te stellen dat verzoekster de schending van het fairplaybeginsel inriep. Op die wijze heeft de eerste rechter een nieuw middel opgeworpen en zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde annulatiebevoegdheid overschreden.
17. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij benadrukt dat zij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk heeft verweten slechts na verscheidene jaren een beslissing te hebben genomen en dat het bestreden arrest daarover geen motieven bevat. De redelijketermijneis is geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur maar een algemeen rechtsbeginsel dat dus ook van toepassing is op administratieve rechtscolleges. Tot slot stelt verzoekster dat, indien zij een middel betreffende de
XIV-36.474-11/16
schending van de redelijke termijn opwerpt en de rechter dit gegrond verklaart, de rechter in het kader van zijn annulatiebevoegdheid de voor hem bestreden beslissing moet vernietigen.
Beoordeling
18. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoekster, in antwoord op de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking van 25 augustus 2014, ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer heeft gesteld “dat de redelijke termijn is overschreden: er kan worden aanvaard dat de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen] heeft gewacht op het arrest van het GwH, maar ook het arrest van het GwH heeft lang op zich laten wachten (het beraad heeft meer dan acht maanden geduurd). Na het arrest van het GwH heeft de Raad nog eens veertien maanden gewacht om de zaak vast te stellen. Dit is niet te wijten aan de Raad, maar wel aan [verwerende partij] die onvoldoende personeel en middelen ter beschikking stelt van de Raad.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt daarop in het bestreden arrest dat verzoekster met haar betoog de schending lijkt aan te voeren van het fairplaybeginsel, dat van dergelijke schending slechts sprake kan zijn ingeval van moedwilligheid en dat verzoekster in casu niet aantoont dat het bestuur door oneerlijke middelen, zoals het achterhouden van gegevens, door vertragingsmaneuvers of door overdreven spoed, de verkrijging van een recht zou hebben bemoeilijkt.
XIV-36.474-12/16
Met de voormelde motivering wordt verzoeksters kritiek beantwoord. Die kritiek was immers niet gericht tegen het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het arrest van het Grondwettelijk Hof had afgewacht maar wel tegen het daaropvolgende tijdsverloop van 14 maanden dat door verzoekster uitdrukkelijk werd geweten aan de houding van de verwerende partij “die onvoldoende personeel en middelen ter beschikking stelt van de Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen].”
Het tweede middel is ongegrond wat de “in hoofdorde”
opgeworpen schending van artikel 149 van de Grondwet betreft.
19. Artikel 39/81 iuncto artikel 39/76, § 3, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beslissing neemt binnen de drie maanden na de indiening van een annulatieberoep. De wet verbindt geen enkel rechtsgevolg aan de overschrijding van deze termijn, zodat het slechts een termijn van orde betreft.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is er als administratief rechtscollege op straffe van rechtsweigering toe gehouden om uitspraak te doen over een bij hem ingesteld jurisdictioneel beroep tegen een administratieve weigeringsbeslissing. Dit geldt ook wanneer de in de wet bepaalde termijn van orde om uitspraak te doen is overschreden, zelfs bij een niet verantwoorde vertraging. Uit een overschrijding van de redelijke termijn volgt geen verplichting om het beroep tot nietigverklaring gegrond te verklaren.
Verzoekster heeft derhalve geen belang bij haar kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het redelijketermijnbeginsel heeft geschonden door het bestreden arrest uit te spreken na een termijn die 14 maal langer is dan de in de wet voorziene termijn.
Het tweede middel is niet-ontvankelijk wat de “in ondergeschikte orde” opgeworpen schending van de redelijke termijn als algemeen rechtsbeginsel betreft.
XIV-36.474-13/16
20. Uit de weergave in het bestreden arrest van verzoeksters argumentatie ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, blijkt dat verzoekster het overschrijden van de redelijke termijn wijt aan de verwerende partij die de Raad onvoldoende personeel en middelen ter beschikking zou hebben gesteld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht hieruit op wettige wijze af te leiden dat verzoekster zich op een schending van het fairplaybeginsel beriep. Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet voorziene annulatiebevoegdheid heeft overschreden en ambtshalve een nieuw middel heeft opgeworpen.
Het tweede middel is ongegrond wat de “in nog meer ondergeschikte orde” opgeworpen schending van artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet betreft.
21. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
22. Verzoekster werpt in een derde middel de schending op van artikel 39/56, eerste lid, van de vreemdelingenwet.
Verzoekster voert aan dat uit de voormelde middelen blijkt dat zij wel degelijk een actueel belang heeft bij de vernietiging van de (aanvankelijk)
bestreden beslissing. De schending van het beginsel van de redelijke termijn kan immers worden ingeroepen ongeacht het eventuele verlies van belang ten gevolge van de wijziging van artikel 40ter van de vreemdelingenwet door de wet van 8 juli 2011. Volgens verzoekster wordt artikel 39/56 van de vreemdelingenwet met het bestreden arrest geschonden door de stelling dat zij geen actueel belang heeft.
XIV-36.474-14/16
23. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij voegt toe dat het verweer dat het bestreden arrest niet op een onredelijk tijdstip werd genomen, een beoordeling in feite inhoudt die niet door de Raad van State kan worden onderzocht. Het verweer dat het vaststellen van de schending van de redelijke termijn niet tot gevolg heeft dat de aanvraag automatisch moet worden ingewilligd, werd door verzoekster reeds beantwoord bij het tweede middel.
Beoordeling
24. Uit de behandeling van het “in nog meer ondergeschikte orde”
opgeworpen onderdeel van het tweede middel blijkt dat de door verzoekster voorgehouden schending van de redelijke termijn niet tot de cassatie van het bestreden arrest kan leiden.
Het derde middel is niet-ontvankelijk en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
VI. Kosten – bedrag van de rechtsplegingsvergoeding
25. Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij verzoekster te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.
Vermits verzoekster als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
XIV-36.474-15/16
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.474-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.533