Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.532 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.532 Généré par l'IA

Belgian State wins appeal; court dismisses claim for loss of candidate officer status due to failed professional duties.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.532
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Belgian State successfully appealed a decision ordering the annulment of the loss of the candidate officer status. The court found the applicant's arguments regarding witness testimony and motivation irrelevant because he failed to provide a witness list and the core decision rested on his proven lack of professional qualifications. Consequently, the appeal was rejected, and the applicant was ordered to pay the legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 11, § 1 of the Royal Decree of 21 November 2007; The failure to submit a witness list precludes later challenges to testimony, and a decision based on proven lack of professional qualifications stands despite redundant motivational grounds.

Mots-clés

Généré par l'IA
loss of status professional qualifications witness list motivation duty administrative appeal military training legal costs évaluation des aptitudes des candidats

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 11, § 1 of the Royal Decree of 21 November 2007 on the functioning of certain bodies within the Defence and the appearance procedure for these bodies
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.532 van 24 oktober 2017

in de zaak A. 215.172/XIV-36.267

In zake : Kevin BERVOETS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 3 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 21 januari 2015 van de Algemene Directie Human Resources [...] houdende het verlies van rechtswege van de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

XIV-36.267-1/19

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor verzoeker, en kapitein-commandant van het vliegwezen Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 16 augustus 2007 wordt verzoeker aanvaard als student van de 147ste promotie Sociale en Militaire Wetenschappen (SSMW) aan de Koninklijke Militaire School (hierna: KMS) in de hoedanigheid van kandidaat-

beroepsofficier (hierna: KBO). Na een aantal onvoldoendes en herexamens slaagt verzoeker niet in zijn tweede bachelorjaar en beslist de deliberatiecommissie hem op 24 juni 2010 definitief mislukt te verklaren als KBO omdat hij niet over de vereiste professionele hoedanigheden beschikt.

3.2. Op 7 september 2010 wordt verzoeker toegelaten om gereclasseerd te worden in de hoedanigheid van kandidaat-aanvullingsofficier (hierna: KGO) (vanaf 31 december 2013 kandidaat-officier niveau B), en in die hoedanigheid muteert hij naar de Koninklijke School voor Onderofficieren (KSOO) te Sint-Truiden, waar hij zijn opleidingsperiode, zijnde het eerste gedeelte van zijn statutaire vormingscyclus, in april 2012 met succes afrondt.

XIV-36.267-2/19

3.3. Op 2 april 2012 muteert verzoeker naar het 18 Bataljon Logistiek (hierna: 18 Bn Log), alwaar zijn evaluatieperiode, zijnde het tweede gedeelte van zijn statutaire vormingscyclus, een aanvang neemt.

Op 13 maart 2013 ondertekent verzoeker zijn takenschrift als pelotonscommandant van het peloton “Approvisionnement” (Appro) binnen het 18 Bn Log voor de evaluatieperiode van 2 april 2012 tot 12 oktober 2014 voor kennisname. Deze evaluatieperiode omvat vijf halfjaarlijkse beoordelingsperiodes, waarbij op het einde van elke periode een beoordelingsnota van de professionele hoedanigheden wordt opgesteld (naast beoordelingsnota’s van de karakteriële hoedanigheden). Voor de periodes van 2 april 2012 tot 1 oktober 2012 en van 2 oktober 2012 tot 1 april 2013 krijgt verzoeker telkens een gemotiveerde beoordeling “voldoende” van de professionele hoedanigheden.

Op 22 april 2013 doet verzoeker een interne mutatie naar de stafcompagnie van het 18 Bn Log en op 21 augustus 2013 ondertekent hij voor kennisname het takenschrift voor zijn nieuwe functie als commandant van het Regionaal Transport Centrum (RTC). Voor de periode van 2 april 2013 tot 1 oktober 2013 krijgt verzoeker een gemotiveerde beoordeling “onvoldoende”, en voor de periode van 2 oktober 2013 tot 1 april 2014 een gemotiveerde beoordeling “voldoende” van de professionele hoedanigheden.

Van 30 juni 2014 tot 25 juli 2014 vindt in Arlon het “Summer Kamp 2014” plaats van het Bataljon Leerling-Officieren van de Directie Basisvorming van de Officieren van de KMS. Verzoeker wordt door het 18 Bn Log aangeduid om er gedurende vier weken de functie van Detachements-

commandant Real Life Support (RLS) uit te oefenen. Bij niet gedateerde nota aan de korpscommandant van verzoeker geeft de commandant van voornoemd Bataljon en tevens kampcommandant tijdens het “Summer Kamp 2014” een negatieve feedback over de deelname van verzoeker aan dit zomerkamp.

XIV-36.267-3/19

Voor de periode van 2 april 2014 tot 12 oktober 2014 krijgt verzoeker van zijn korpscommandant een gemotiveerde beoordeling “onvoldoende” van de professionele hoedanigheden. Luidens de bijlage bij de beoordelingsnota gelden de opmerkingen voor de periode van 2 april 2014 tot 12 oktober 2014, maar mogen de commentaren, gezien verzoekers evaluatieperiode hierbij afloopt, beschouwd worden als een beoordeling van verzoekers professionele hoedanigheden gezien over de volledige stage- en evaluatieperiode.

3.4. Op 25 november 2014 wordt verzoeker, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, door de bevoegde evaluatiecommissie gehoord.

Dezelfde dag beslist de evaluatiecommissie dat verzoeker niet beschikt over de vereiste professionele hoedanigheden en dat hij mislukt is voor zijn vorming. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:

“Uit het dossier en aangevuld met de documenten in bijlage en de verklaringen tijdens de hoorzitting blijkt dat betrokkene :

a. Voldoende kansen heeft gekregen om in verschillende logistieke functies conform zijn vorming zich te bewijzen als officier van de Logistiek. Betrokkene werd daarbij gedurende de volledige kandidatuur nauwgezet gevolgd en gecoached met de nodige bijsturingen door meerdere ervaren collega’s die gezamenlijk tot dezelfde conclusie zijn gekomen welke verwoord werd in de eindbeoordeling.

b. Tijdens het summer kamp van de KMS, een oefening die meerdere maanden voorbereiding vergt waarbij de Kand van meet af aan bij was betrokken, duidelijk heeft aangetoond niet over de vereiste professionele competenties te beschikken.

c. Zijn korpsoverste hem niet (na 25 jaar in de eenheid) wil inschakelen voor buitenlandse opdrachten (MALI), omdat hij geen vertrouwen heeft in de professionele (en karakteriële) competenties en zijn leidinggevende capaciteiten.

De korpsoverste heeft betrokkene herhaaldelijk maar vergeefs bij zich geroepen om hem te wijzen op zijn tekortkomingen en hoe zich te verbeteren.”

3.5. Op 4 december 2014 tekent verzoeker beroep aan tegen de beslissing van de evaluatiecommissie. Op 9 december 2014 stelt de korpscomman-

dant van verzoeker een reactie op tegen het schrijven van verzoeker van 4 december 2014, waarvan verzoeker dezelfde dag kennis neemt.

XIV-36.267-4/19

Op 18 december 2014 wordt verzoeker door de beroepsinstantie gehoord.

Op 8 januari 2015 beslist de beroepsinstantie dat verzoeker niet over de professionele hoedanigheden beschikt en bijgevolg definitief mislukt is.

Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:

“Referte: Proces-verbaal van de zitting van de beroepsinstantie van 18 Dec 2014

1. Motivering in rechte betreffende hoedanigheid a. A16-G1, Art 97/2, §2, lid 2, 2° (professioneel)

b. Al6-G1, Art 98/1, §2, lid 3 (karakterieel)

c. A16-G190, Art 7, 30

d .A16-G1, Art 101/1

2. Motivering in feite betreffende hoedanigheid De beroepsinstantie moet zich uitspreken over de karakteriële en professionele hoedanigheden van OLt Bervoets.

Voor wat betreft de karakteriële hoedanigheden:

Gezien in het dossier duidelijke elementen zitten die aantonen dat OLt Bervoets ernstig tekort schiet als officier, gezien het feit dat de beoordelingselementen niet altijd werden opgesteld conform de vigerende wetgeving en reglementen, oordeelt de beroepsinstantie dat OLt Bervoets nog steeds over de vereiste karakteriële hoedanigheden beschikt.

Voor wat betreft de professionele hoedanigheden:

De professionele hoedanigheden waarover een officier van de logistiek moet kunnen beschikken volgens de personeelsbeheerder zijn onder andere de volgende:

• Is een officier die instaat voor de leiding, planning en organisatie van het beheer van bevoorradingsgoederen, de fysieke distributie, het transport en de controle der bewegingen en de daarvoor ter beschikking gestelde middelen.

• Kennen van de algemene doctrine.

• Kennen en kunnen toepassen van de specifieke richtlijnen, technieken en procedures.

• Kennen van de vereisten met betrekking tot personeel en materieel.

• Kennen van de opties en principes van multinationale logistiek.

• Kunnen uitvoeren van een sequentie Recce & Orders.

• Kunnen uitbaten van een logistiek order op zijn niveau.

• Kunnen geven van een logistiek order op zijn niveau.

• Kunnen maken van een logistieke behoefteschatting.

• Kunnen analyseren van een logistiek steunconcept.

• Kunnen inplaatsstellen van logistieke capaciteiten.

Bovenstaande professionele hoedanigheden zijn noodzakelijk om de in het takenschrift hernomen professionele beoordelingsfactoren naar behoren te kunnen uitvoeren.

OLt Bervoets is sinds 2007 bij Defensie. Na 3 jaar militaire school wordt hij KGO en volgt hij o.a. een opleiding tot officier van de logistiek OLt Bervoets behoort immers tot het korps van de logistiek, met als specialiteit “pelotonscommandant logistiek”. De professionele hoedanigheden die hierboven

XIV-36.267-5/19

opgesomd worden, maken deel uit van de gevolgde cursus. Vermits OLt Bervoets deze cursus slaagt met meer dan 70%, kan aangenomen worden dat hij over de theoretische logistieke basiskennis beschikt van de professionele hoedanigheden die van hem verwacht worden.

Na zijn vorming wordt hij in april 2012, in zijn eerste eenheid, het 18 Bataljon Logistiek, chef van het peloton Appro. Dit is in principe een doenbare functie die hij normaal aan had moeten kunnen. Deze functie is een ideale startersfunctie voor een pelotonscommandant uit de vakrichting SM. Niettemin lukt hij hierin niet. Volgens de korpscommandant slaagt OLt Bervoets er niet in de Appro processen te doorgronden en leiding te geven aan zijn peloton. Hij krijgt na 1 jaar van de eenheid een tweede kans en mag in juni 2013 een goed draaiende RTC (Regionaal Transport Centrum) overnemen. Het RTC wordt door de eenheid gezien als een gemakkelijkere functie omdat die goed beschreven en gedocumenteerd is. De eenheid wil OLt Bervoets verplaatsen om te voorkomen dat hij een beoordeling “onvoldoende” zou krijgen in die functie.

In het takenpakket van OLt Bervoets staat duidelijk beschreven wat de functie RTC inhoudt. Ook het deelnemen aan oefeningen wordt als laatste vermeld.

Deelnemen aan een oefening kan inderdaad als deelnemer maar ook als verantwoordelijke. De verdediging tracht dit punt af te doen als slechts één van de 8

taken die OLt Bervoets moest uitoefenen en dat de negatieve beoordeling te zwaar tilt aan fouten die gemaakt werden tijdens een hem toegewezen oefening. De beroepsinstantie volgt de redenering van de verdediging niet. Zo is bijvoorbeeld de eerste taak “een duidelijke werkstructuur creëren voor zichzelf en voor zijn medewerkers”. Deze taak is zowel van toepassing op zijn werk op het RTC als ook tijdens oefeningen. Elke officier krijgt een functie toegewezen in de eenheid en die kan duidelijk beschreven worden. Maar elke logistieke officier moet ook een oefening of een detachement in operaties kunnen steunen. Vermits elke oefening anders is, kan deze niet zo uitgebreid beschreven worden. Niettemin bestaat er in het 18 Bataljon Logistiek een gedetailleerde instructie ‘detachementscommandant logistieke steun’ 18L0-GID-DETCOMD-STAX-900, die duidelijk beschrijft hoe een oefening logistiek voorbereid en gesteund moet worden. OLt Bervoets kent deze richtlijn en heeft er zelfs een briefing over gevolgd die in de eenheid gegeven werd. Hij weet dus ook exact wat er van hem verwacht wordt in de functie van detachementscommandant. Meermaals wordt door de verdediging aangehaald dat voor de taak van detachementscommandant geen functiebeschrijving gegeven werd. De beroepsinstantie stelt echter vast dat deze wel bestaat en gekend is door OLt Bervoets. Deze inhoud van zijn functie moest hij trouwens al kennen van zijn vorming van logistiek officier.

De verdediging stelt dat de taak als Comd RTC de hoofdopdracht is van OLt Bervoets en dat een Comd van een RTC niet op oefening gaat. De beroepsinstantie is het hier niet mee eens. OLt Bervoets is tewerkgesteld in een operationele eenheid en niet in een territoriale eenheid die nooit op oefening gaat. Het steunen van een oefening is de voorbereiding op het echte werk, het steunen van een operatie in he[t]

buitenland, de core business van Defensie. De laatst vermelde taak van het takenpakket van OLt Bervoets is dus eigenlijk de belangrijkste, of toch minstens even belangrijk als zijn werk in de eenheid. Bovendien is OLt Bervoets geen uitzonderlijke taak gegeven. De korpscommandant bepaalt elk jaar wie er welke oefening of operatie in binnen- en buitenland moet steunen. Alle officieren van de eenheid hebben dus wel degelijk een dubbele functie.

De verdediging haalt meermaals aan dat OLt Bervoets goed werk geleverd heeft in het RTC. De beroepsinstantie ontkent dit niet, maar gezien de opmerkingen die vermeld staan op de individuele opmerkingsverslagen en de adviezen van de peter, kan ook niet met zekerheid gesteld worden dat de positieve audit van het RTC, er

XIV-36.267-6/19

gekomen is dankzij het werk van OLt Bervoets. OLt Bervoets is op oefening vertrokken (30 juni-25 juli), is dan één week bezig geweest met het postzomerkamp om het materiaal terug in orde te plaatsen en heeft dan aansluitend zijn groot verlof (2 augustus-31 augustus) genomen. Hij is dus in totaal ongeveer 2 maanden afwezig geweest op het RTC. Al deze tijd heeft deze dienst goed gedraaid. Er kan dus gezegd worden dat de ondergeschikten op het RTC in staat zijn om autonoom te werken. Er blijft dus een twijfel bestaan of OLt Bervoets in staat is de dienst te leiden. Niettemin zijn er een aantal positieve beoordelingen gegeven zoals:

motivatie, onafhankelijk handelen, schriftelijke en mondelinge communicatie enz.

De verdediging haalt meermaals aan dat de beoordelingen te weinig gemotiveerd zijn. Tijdens de beroepsinstantie werd het echter duidelijk dat elke maandelijkse beoordeling door de peter gepaard ging met een toelichtend gesprek van een uur.

OLt Bervoets heeft dit bevestigd. Naast de beknopte motivatie op papier, heeft hij dus steeds een uitgebreide mondelinge motivering gekregen. OLt Bervoets kende dus de punten waaraan hij moest werken om te kunnen slagen.

Tijdens een niet statutaire beoordeling van een eerdere evaluatieperiode, kreeg OLt Bervoets een ONVOLDOENDE voor professionele capaciteiten. In die periode zat een FTX (Field Training Exercise) waar OLt Bervoets niet goed gefunctioneerd had als pelotonscommandant. Zijn tekortkomingen werden hem kenbaar gemaakt.

Dit zijn nog altijd trainingen in het kader van de functionele training van de eenheid.

Er mag dus redelijkerwijze aangenomen worden dat hij geleerd zal hebben uit zijn fouten en alles zal doen wat binnen zijn mogelijkheden ligt om een herhaling hiervan te voorkomen.

De steun aan de oefening van de KMS (Koninklijke Militaire School) tijdens het zomerkamp is volgens de beroepsinstantie een terechte opdracht die OLt Bervoets toegewezen krijgt in februari 2014, ruim 4 maanden voor het begin van het kamp.

Hij is dan immers al 2 jaar in de eenheid. Op 3 april, bij het begin van de laatste evaluatie periode, is de eerste briefing over het kamp van de KMS

De verdediging haalt aan dat in andere eenheden een jonge officier deze taak niet alleen moet uitvoeren. Het is echter niet de eerste keer dat OLt Bervoets betrokken is bij een oefening, waar hij wel begeleid werd. Nu hij op het einde van zijn evaluatieperiode gekomen is, is het logisch dat hij een oefening alleen moet leiden.

Het zomerkamp van de KMS is een jaarlijks terugkerende oefening, op het militair terrein van Arlon. Deze oefening is dus goed gekend en afgebakend met weinig onzekerheden en is dus niet te moeilijk voor een jong officier en het is een gelegenheid om zijn professionele hoedanigheden op een objectieve manier te beoordelen. De beroepsinstantie is van oordeel dat OLt Bervoets deze taak dus redelijkerwijze tot een goed einde had moeten kunnen brengen. Het is helemaal geen verplichting twee officieren mee te sturen. OLt Bervoets heeft ook nooit aangegeven dat hij de taak niet aan kon of aan zou kunnen.

Tijdens de voorbereiding van de oefening zijn er meerdere briefings en coördinatievergaderingen geweest. Daarnaast is er een Recce (verkenning) geweest ter plaatse. Tijdens deze Recce werd OLt Bervoets bijgestaan door de S3 van de eenheid. De peter van OLt Bervoets heeft hem geholpen met de voorbereiding van de oefening. Hij heeft ook steun gekregen vanuit de KMS. Wat specifiek als steun verwacht wordt, staat onder andere ook in het operatieorder dat OLt Bervoets gekregen heeft. Hij werd dus niet aan zijn lot overgelaten maar heeft begeleiding gekregen tijdens de voorbereiding van de oefening wat bevestigd werd door OLt Bervoets op de zitting van de beroepsinstantie. De eindverantwoordelijkheid van de steun aan de oefening lag wel bij OLt Bervoets. Hij moest hiervoor op zijn niveau de nodige schikkingen treffen en zijn mensen, een 40-tal in totaal, de nodige instructies geven. Op de zitting van de beroepsinstantie zegt OLt Bervoets dat hij het materiaal zo goed en zo kwaad mogelijk heeft getracht te reserveren en dat hem

XIV-36.267-7/19

dat in bepaalde mate gelukt is. Dit lijkt de beroepsinstantie toch niet de houding die van een officier mag verwacht worden. Het is onduidelijk hoe OLt Bervoets hierover gecommuniceerd heeft of getracht heeft er iets aan te doen.

Tot één week voor het vertrek werd hij door zijn peter er op attent gemaakt dat hij zijn mensen moest briefen en het canvas voor de briefing moest gebruiken. Deze briefing trok op niets. Het klassieke “wie, wat, waar, wanneer, hoe” werd niet gevolgd waardoor zijn mensen van niets wisten. Het geven van een order, dus het briefen van mensen en hen opdrachten geven is een professionele taak van een officier, zowel voor zijn functie in de eenheid als voor een oefening. Hij is hier dus duidelijk in gebreke gebleven.

De steun aan een oefening heeft twee cruciale ogenblikken, het begin en het einde. In het begin moet er een initiële inplaatsstelling gebeuren en op het einde moet de zone ontruimd worden. Deze elementen waren gekend door OLt Bervoets.

Beide periodes worden door de gesteunde eenheid, de KMS, echter gezien als catastrofaal. Het heeft meer dan drie dagen geduurd vooraleer de steun begon te draaien terwijl dit verwacht wordt na één dag. Dit blijkt duidelijk uit de nota opgemaakt door de KMS en wordt bevestigd door de peter. De timing voor de inplaatsstelling werd door OLt Bervoets niet gerespecteerd. Tijdens de zitting van de beroepsinstantie blijft OLt Bervoets relatief vaag over het late vertrekuur. Wel geeft hij toe dat hij geen initiatief genomen heeft om bevestiging te krijgen van het uur. Dit mag volgens de beroepsinstantie toch gezien worden als een ernstige professionele nalatigheid. Bovendien staat deze informatie wel in het operatieorder dat OLt Bervoets gekregen heeft en dus blijkbaar niet goed uitgebaat heeft. Het kunnen uitbaten van een order is een professionele vereiste.

OLt Bervoets zegt dat hij nog te weinig ervaring heeft om de timings te bepalen.

Dit wordt door zijn peter weerlegd die stelt dat iedereen op zijn niveau zijn timings moet bepalen en dat OLt Bervoets in zijn functie van pelotonscommandant dit ook al had moeten doen en het dus zou moeten kunnen. Door zijn deelname aan verscheidene oefeningen de afgelopen jaren is de beroepscommissie van oordeel dat hij aan het einde van zijn evaluatieperiode in staat moest zijn de timings te moeten bepalen die onderdeel zijn van zijn sequentie Recce & orders.

Een oefening vereist het stellen van prioriteiten. Het kamp ging door op twee locaties te Arlon. In het kamp Bastin was de zaak relatief onder controle, maar in de compound in het terrein was dit niet het geval. OLt Bervoets had geen overzicht van het materiaal dat er stond en was niet aanwezig op de coördinatie vergaderingen.

OLt Bervoets zegt dat hij er niet kon zijn omdat hij naar de coördinatievergadering van het detachement in het kamp ging. Zoals gezegd is het een kwestie van prioriteiten stellen, maar als de logistieke ondersteuning van een detachement op het terrein fout loopt, kan het niet zijn dat de verantwoordelijke officier er na drie dagen nog niet eens is geweest. OLt Bervoets geeft toe dat hij op “gedwongen” initiatief toen zijn peter naar Arlon is gegaan omdat de berichten van de KMS alarmerend waren, dan zijn prioriteit bij het detachement op het terrein heeft gelegd. Deze houding is voor de beroepsinstantie onbegrijpelijk. Het kan zijn dat OLt Bervoets een inschattingsfout heeft gemaakt aan het begin van de oefening maar dan moet hij snel bijsturen. Als officier u verschuilen achter het feit dat u een onderofficier ter plaatse hebt, is uw verantwoordelijkheid als officier ontlopen en wordt door de beroepsinstantie gezien als een ernstige tekortkoming.

OLt Bervoets is duidelijk in gebreke gebleven tijdens deze oefening en heeft zware beroepsfouten gemaakt die in reële omstandigheden in operaties zware gevolgen kunnen hebben. Het is in grote mate een herhaling van de fouten die eerder op de FTX gemaakt werden. Zijn gebrek aan het geven van duidelijke instructies aan zijn mensen, het niet kunnen voorbereiden en organiseren van de steun, het gebrek aan leiding geven, zijn enkele van de essentiële vereisten voor een

XIV-36.267-8/19

officier van de logistiek. De beroepsinstantie is van oordeel dat hij voldoende begeleid werd tijdens de voorbereiding en dat hij dus volledig verantwoordelijk is voor de vele zaken die zijn mis gegaan tijdens de oefening.

De punten die tijdens het kamp duidelijk aan het licht zijn gekomen zijn zware tekortkomingen op professioneel vlak met betrekking tot de volgende taken: ‘een duidelijke werkstructuur creëren voor zichzelf en voor zijn medewerkers’ en ‘deelname aan oefeningen’. Bovendien zijn er verscheidene tekortkomingen terug te vinden op diverse peterverslagen en beoordelingen tijdens de ganse evaluatie-

periode zoals logistieke kennis bijschaven, te weinig anticiperen op gestelde problemen, kritisch de zaak analyseren, communiceren, richtlijnen geven aan ondergeschikten, werken aan leiderschap, afstand houden tot de ondergeschikten, maturiteit, enz. Het is dus helemaal niet zo dat voor de evaluatie van OLt Bervoets enkel rekening wordt gehouden met de 4 weken van de kampperiode. Wel zijn er tijdens het kamp elementen bijgekomen.

Er kan redelijkerwijze aangenomen worden dat de zware tekortkomingen er niet enkel tijdens de oefening waren maar doorlopend aanwezig waren. Ze zijn enkel flagrant aan de oppervlakte gekomen tijdens de oefening waar hij er alleen voor stond en zijn verantwoordelijkheid als officier moest nemen.

De beroepsinstantie is het met de verdediging eens dat een jonge officier fouten moet kunnen maken. OLt Bervoets mocht deze fouten maken in de eenheid maar er kan redelijkerwijze aangenomen worden dat deze na een zekere tijd minder gaan voorkomen. Hij is kunnen groeien in de eenheid. Hij heeft zelfs een tweede functie gekregen nadat de eerste mislukt was. Hij heeft aan meerdere oefeningen deelgenomen, als pelotons adjunct, dan als pelotonscommandant van het peloton maintenance aan de FTX en voor het kamp van de KMS als detachements-

commandant. Na 2,5 jaar in de eenheid wist OLt Bervoets dat deze laatste opdracht heel belangrijk was voor hem. De nalatigheden en fouten die door hem gemaakt zijn op deze kampperiode kunnen niet meer gezien worden als fouten van een jonge officier. Ze zijn van dien aard dat de taak van detachementscommandant aan hem niet toegewezen kan worden.

OLt Bervoets voert in zijn beroep aan dat bepaalde onderofficieren het kamp anders hebben ervaren. Een andere onderofficier zou ook een positieve evolutie van zijn professionele hoedanigheden kunnen bevestigen. Hij laat echter na om deze personen als getuigen op te roepen, deze mogelijkheid werd hem nochtans geboden in zijn convocatie voor de hoorzitting. De beroepsinstantie kan hier dus geen rekening mee houden.

3. De beroepsinstantie neemt de volgende beslissing(en)

Voor wat betreft de karakteriële hoedanigheden:

Gezien in het dossier duidelijke elementen zitten die aantonen dat OLt Bervoets ernstig tekort schiet als officier, gezien het feit dat de beoordelingselementen niet altijd werden opgesteld conform de vigerende wetgeving en reglementen, oordeelt de beroepsinstantie dal OLt Bervoets nog steeds over de vereiste karakteriële hoedanigheden beschikt.

Voor wat betreft de professionele hoedanigheden:

Gelet op het voorgaande, gezien OLt Bervoets over de nodige theoretische kennis van de logistiek zou moeten beschikken, opgedaan in de school en in de eenheid, gezien hij tijdens deze laatste evaluatieperiode een duidelijk omschreven takenpakket had waar het creëren van een duidelijke werkstructuur voor zichzelf en voor zijn medewerkers en het deelnemen aan oefeningen een onderdeel van was, gezien hij voor het werk als detachementcommandant een gedetailleerde instructie ter zijne beschikking had die impliciet een duidelijke functiebeschrijving

XIV-36.267-9/19

is ter aanvulling van het takenschrift, gezien niet aangetoond is dat zijn dienst in de eenheid draaide door zijn toedoen, temeer omdat in zijn vorige functie dat niet het geval was, gezien hij 2,5 jaar degelijk begeleid werd in de eenheid en maandelijks gewezen werd op zijn sterke punten maar ook op zijn tekortkomingen tijdens lange gesprekken met zijn peter, acht de beroepsinstantie betrokkene hierover voldoende geïnformeerd, gezien hij geen enkele keer enig verweer heeft laten gelden tegen eerdere beoordelingen, ook niet tegen een ONVOLDOENDE na een niet statutaire beoordeling, gezien de hem toegewezen oefening tijdens deze evaluatieperiode niet uitzonderlijk moeilijk was en redelijkerwijze mogelijk was voor een jonge officier, gezien de grote lacunes in de voorbereiding van de steun van het zomerkamp van de KMS, het desastreuse begin en de gebrekkige communicatie, leiding en orders, duidelijk te wijten aan professionele tekortkomingen van OLt Bervoets en dat deze tekortkomingen een miskenning zijn van de eerste en laatste taak van zijn takenschrift, gezien er voldoende feiten zijn in het dossier die dit bevestigen, summier in de adviezen van de peter en de individuele opmerkingsbladen, maar bevestigd voor de beroepsinstantie tijdens de zitting, gezien de negatieve elementen zwaarder doorwegen dan de positieve elementen, acht de beroepsinstantie het aangetoond dat de professionele hoedanigheden van OLt Bervoets ONVOLDOENDE zijn voor een functie van logistiek officier bij Defensie.”

Op 12 januari 2015 wordt deze beslissing, via zijn eenheid, aan verzoeker meegedeeld.

3.6. Bij nota van 21 januari 2015 wordt de voormalige eenheid van verzoeker ervan in kennis gesteld dat verzoeker op 27 januari 2015 van rechtswege de hoedanigheid van KBO verliest en hij definitief met verlof wordt gezonden, met verwijzing naar de beslissing van de beroepsinstantie en de omstandigheid dat verzoeker geen aanspraak wenst te maken op de mogelijkheid tot reclassering.

Verzoeker neemt op 26 januari 2015 kennis van deze beslissing.

Dit is de bestreden beslissing.

XIV-36.267-10/19

IV. Onderzoek van de middelen

Uiteenzetting van het enig middel

4. Verzoeker beroept zich in een enig middel op de schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurs-

handelingen en machtsoverschrijding’.

Verzoeker erkent dat de bestreden beslissing voor de onderliggende redenen verwijst naar de beslissing van de beroepsinstantie waarvan hij kennis heeft gekregen. Hij wijst erop dat uit die motivering overduidelijk blijkt dat de wijze waarop hij de opdracht van detachementscommandant RLS op het zomerkamp in Arlon heeft uitgeoefend, het doorslaggevend argument voor de bestreden beslissing is geweest en dat dit in gang gezet is door de niet gedateerde negatieve nota van de kampcommandant, waarin op grond van een ervaring van enkele weken en van veronderstellingen, persoonlijke indrukken en niet-gestaafde beweringen een vernietigend oordeel werd uitgebracht over de geschiktheid van verzoeker om als beroepsofficier te fungeren.

Volgens verzoeker gaat de bestreden beslissing voorbij aan de diverse gunstige beoordelingen die in de loop van de evaluatieperiode werden uitgebracht, niet in het minst in de voorlaatste beoordelingsnota van mei 2014

waarin gewezen werd op de positieve ontwikkeling van verzoeker als officier en als commandant RTC. Vijf maanden - en één kamp KMS - later is de korpscommandant helemaal van mening veranderd.

Verzoeker wijst op de positieve audit van de RTC waarvan verzoeker de leiding had, die heeft plaatsgevonden in de periode tussen die beoordelingen. Het auditverslag was zeer positief over de wijze waarop verzoeker presteert als commandant RTC. De motivering van de bestreden beslissing is dan ook niet correct in zoverre zij stelt dat niet met zekerheid kan gesteld worden dat de positieve audit van de RTC er gekomen is dankzij het werk van verzoeker. Dat

XIV-36.267-11/19

verzoeker in zijn vorige functie niet voldeed, volstaat evenmin om te besluiten dat dit in zijn nieuwe functie evenzeer het geval is. Dat de RTC tijdens zijn afwezigheid goed is blijven draaien kan ook het gevolg zijn van de wijze waarop verzoeker hierop geanticipeerd heeft door duidelijke richtlijnen en praktische maatregelen te treffen. De korpscommandant heeft verzoeker zelfs gelukgewenst met het behaalde resultaat.

Voorts houdt de bestreden beslissing volgens verzoeker geen rekening met positieve verklaringen ten gunste van hem van een aantal onderofficieren, zowel in zijn functie van commandant RTC, als met betrekking tot het zomerkamp.

Verzoeker betoogt ook nog dat de beroepsinstantie verwijst naar de professionele hoedanigheden waarover een officier van de logistiek moet beschikken, maar nalaat te verwijzen naar het takenschrift dat opgesteld werd bij de aanwijzing van verzoeker als commandant RTC, zodat de professionele hoedanigheden van verzoeker niet op grond van adequate criteria werden beoordeeld.

Ten slotte stelt verzoeker dat, in zoverre de bestreden beslissing het verlies van hoedanigheid KBO koppelt aan het ontbreken van de wens van verzoeker om gereclasseerd te worden, deze voorbijgaat aan de vaststelling dat verzoeker geen aanspraak meer kon maken op reclassering aangezien hij reeds eerder van deze mogelijkheid gebruik gemaakt heeft en hij dit geen tweede keer kon doen. Dit argument is dus niet pertinent.

In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker, wat betreft het voorbijgaan aan de diverse gunstige beoordelingen, dat zijn punten tijdens zijn stage tot aan het zomerkamp evolueerden in stijgende lijn, en er pas helemaal op het einde een negatieve beoordeling kwam, de enige in drie jaar tijd, terwijl in de bestreden beslissing enkel wordt verwezen naar verzoekers tekortkomingen voor en tijdens voornoemd zomerkamp.

XIV-36.267-12/19

Voorts betoogt verzoeker dat het feit dat de positieve verklaringen die te zijnen gunste werden afgelegd niet eerder in de procedure werden aangehaald, niet aantoont dat deze verklaringen onjuist zouden zijn of er geen rekening kan worden mee gehouden.

Wat het motief betreft dat verzoeker van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier verliest “daar hij geen aanspraak wenst te maken op de mogelijkheid tot reclassering”, betoogt verzoeker nog dat de verwerende partij, door te dezen toepassing te vragen van de bestuurlijke lus, aantoont dat zij er zich van bewust is dat de motivering van de bestreden beslissing gebrekkig is.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat uit het feit dat in het positief auditverslag RTC uitdrukkelijk wordt verwezen naar verzoeker en dat het een audit betreft van een eenheid waarvoor verzoeker verantwoordelijk is, alleen maar kan worden afgeleid dat de positieve audit het resultaat is van het werk van verzoeker. Door welbewust deze positieve beoordeling niet mee op te nemen in de beoordeling van verzoeker werd de bestreden beslissing op een onjuiste manier gemotiveerd. De beroepsinstantie motiveert niet uitdrukkelijk waarom de negatieve elementen primeren op alle positieve elementen, waardoor de positieve beoordeling van verzoeker voorafgaand aan het zomerkamp als het ware wordt uitgewist.

Voorts repliceert verzoeker nog dat de beroepsinstantie, teneinde met kennis van zaken te oordelen en aldus een beslissing te nemen met een juiste motivering, de getuigen die door verzoeker ter sprake waren gebracht, zelf had dienen op te roepen.

XIV-36.267-13/19

Beoordeling

5. Voor zover verzoeker “machtsoverschrijding” aanvoert, wordt vastgesteld dat het middel op dit punt in het geheel niet ontwikkeld wordt, zodat het niet-ontvankelijk is.

6. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.

Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

7. Te dezen verwijst de bestreden beslissing waarbij verzoeker van rechtswege zijn hoedanigheid van KBO verliest naar enerzijds de beslissing van de beroepsinstantie waarbij verzoeker definitief mislukt wordt verklaard omdat hij onvoldoende professionele hoedanigheden bezit, en anderzijds de omstandigheid dat hij geen aanspraak wenst te maken op de mogelijkheid tot reclassering.

Deze motivering verschaft aan verzoeker voldoende duidelijk-

heid over de determinerende motieven waarom de verwerende partij oordeelde dat verzoeker van rechtswege zijn hoedanigheid van KBO verliest. Dit volstaat in het licht van de door verzoeker aangehaalde formelemotiveringsplicht. Aangenomen wordt dat verzoeker de motieven kent waarom hij van rechtswege zijn

XIV-36.267-14/19

hoedanigheid van KBO verliest en dat hij er zich inhoudelijk kan tegen verweren, getuige hiervan de inhoudelijke kritiek die verzoeker in het middel aanvoert en die hoofdzakelijk is gericht op de motieven van de beslissing van de beroepsinstantie.

Uit de formele motivering van deze beslissing blijkt overigens dat de beroeps-

instantie op expliciete wijze het verweer van betrokkene daadwerkelijk in de besluitvorming heeft betrokken en uit haar beslissing blijkt dat zij heeft geantwoord op de verschillende bezwaren en argumenten die verzoeker heeft aangehaald ter gelegenheid van de uitoefening van het hoorrecht.

In de mate verzoeker de schending van de formelemotiverings-

plicht aanvoert, is het niet gegrond.

8. Uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat verzoeker eveneens de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert.

Verzoeker werpt een aantal grieven op ten aanzien van de motieven in de beslissing van de beroepsinstantie, en één grief ten aanzien van een motief in de bestreden beslissing zelf. De verwerende partij heeft dit ook zo begrepen waar zij antwoordt op de door verzoeker opgeworpen argumenten en stelt dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is.

De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

XIV-36.267-15/19

9. Verzoeker betoogt vooreerst dat de wijze waarop hij de opdracht op het zomerkamp in Arlon heeft uitgeoefend, een doorslaggevend argument voor de bestreden beslissing is geweest, terwijl dit slechts een ervaring was van enkele weken, helemaal op het einde van zijn evaluatieperiode, en terwijl hierdoor geen rekening wordt gehouden met de diverse gunstige beoordelingen van voordien, en in het bijzonder niet met de positieve audit van de RTC waarvan verzoeker de leiding had.

Uit de formele motivering van de beslissing van de beroepsinstantie blijkt dat een uitvoerig overzicht wordt gegeven van de door verzoeker uitgeoefende functies tijdens de betrokken evaluatieperiode, en de beoordelingen daarvan. Het in gebreke blijven van verzoeker tijdens voornoemd zomerkamp komt inderdaad uitvoerig aan bod, maar uit de motivering van voornoemde beslissing blijkt tevens dat er uitdrukkelijk wordt ontkend dat voor verzoekers evaluatie enkel rekening wordt gehouden met de vier weken kampperiode, aangezien verscheidene tekortkomingen terug te vinden zijn op diverse peterverslagen en beoordelingen tijdens de ganse evaluatieperiode, zoals “logistieke kennis bijschaven, te weinig anticiperen op gestelde problemen, kritisch de zaak analyseren, communiceren, richtlijnen geven aan ondergeschikten, werken aan leiderschap, afstand houden tot de ondergeschikten, maturiteit, enz.”.

Voorts wordt gesteld dat verzoeker gedurende anderhalf jaar in de eenheid werd begeleid en maandelijks werd gewezen op zijn sterke punten maar ook op zijn tekortkomingen tijdens lange gesprekken met zijn peter, dat verzoeker geen enkele keer enig verweer heeft laten gelden tegen eerdere beoordelingen, ook niet tegen een onvoldoende na een niet-statutaire beoordeling. Wat de positieve audit van de RTC betreft, stelt de beslissing van de beroepsinstantie, verwijzend naar de individuele opmerkingsverslagen en de adviezen van de peter, dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat deze er is gekomen dankzij het werk van verzoeker, te meer de dienst goed heeft gedraaid ook in afwezigheid van verzoeker gedurende twee maanden.

XIV-36.267-16/19

Door aldus in concreto te oordelen dat de negatieve elementen zwaarder doorwegen dan de positieve elementen en aldus aangetoond te achten dat de professionele hoedanigheden van verzoeker onvoldoende zijn voor een functie van logistiek officier, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan. Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling ter zake dan die van de beroepsinstantie, maar hij maakt met deze niet aannemelijk dat de beroepsinstantie in verband met de beoordeling van zijn professionele hoedanigheden tot een conclusie is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken.

10. Waar verzoeker betoogt dat de motivering van de beslissing van de beroepsinstantie niet afdoende zou zijn omdat zij de positieve verklaringen van een aantal onderofficieren die ten gunste van hem werden afgelegd, niet in aanmerking heeft genomen, mist het middel feitelijke grondslag.

Uit de formele motieven van de beslissing van de beroepsinstantie blijkt dat verzoeker heeft nagelaten om de betrokken onderofficieren als getuigen op te roepen terwijl deze mogelijkheid hem nochtans werd geboden in de oproepingsbrief voor de hoorzitting, zodat de beroepsinstantie er geen rekening kon mee houden. De verwerende partij verwijst in zijn laatste memorie daarbij met recht naar artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 21 november 2007 ‘tot vaststelling van de werking van sommige instanties binnen Defensie en van de verschijningsprocedure voor deze instantie’, waaruit blijkt dat de comparant of zijn verdediger de mogelijkheid heeft de lijst mee te delen van de getuigen en deskundigen die hij nodig acht te horen. Aangezien verzoeker niet van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, en overigens die verklaringen pas voor het eerst bijbrengt in huidige procedure, komt het hem thans niet toe te stellen dat deze verklaringen niet onjuist zouden zijn en er desalniettemin rekening mee had moeten worden gehouden.

XIV-36.267-17/19

11. Ook de grief dat de beroepsinstantie heeft nagelaten te verwijzen naar het takenschrift dat werd opgesteld bij zijn aanwijzing als commandant RTC, zodat verzoeker niet werd beoordeeld op basis van adequate criteria, is feitelijk onjuist. Uit voornoemde formele motieven blijkt dat wel degelijk wordt getoetst aan het takenpakket van verzoeker als commandant RTC, waarbij zware tekortkomingen op professioneel vlak worden vastgesteld met betrekking tot de taken “een duidelijke werkstructuur creëren voor zichzelf en zijn medewerkers” en “deelname aan oefeningen”.

12. Verzoekers kritiek ten slotte op het motief in de bestreden beslissing dat hij van rechtswege zijn hoedanigheid van KBO verliest “daar hij geen aanspraak wenst te maken op de mogelijkheid tot reclassering”, lijkt terecht.

Het is evenwel voor geen enkele betwisting vatbaar dat de beslissing tot verlies van rechtswege van verzoekers hoedanigheid van KBO in hoofdzaak voortvloeit uit de beslissing van de beroepsinstantie dat verzoeker definitief mislukt is omdat hij onvoldoende professionele hoedanigheden bezit. Verzoekers kritiek betreft dan ook kritiek op een overtollig, niet pertinent motief, die geen reden kan vormen voor de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Dit middelonderdeel is niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang.

Ook in de mate verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, is het, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.

Conclusie

13. Het enig middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

XIV-36.267-18/19

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.267-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.532