Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.529 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.529 Généré par l'IA

Court suspends city's permit to allow radioactive transport due to noise pollution complaints and enforcement concerns.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.529
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State granted the applicant's request for urgent suspension of the city of Mechelen's decision permitting radioactive material transport activities. The city had issued a permit despite prior complaints about night-time noise and a provincial report confirming significant noise threshold exceedances. The court ordered immediate suspension and imposed strict enforcement measures to prevent further noise disturbances while the permit remains in limbo.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 1.2.2.3 and 5.15.0.6, § 1 of the Flemish Law on Radioactive Materials; The Council of State may suspend the execution of an administrative decision granting a permit for radioactive material transport when there are credible complaints of environmental harm and concerns regarding the authority's willingness to enforce existing prohibitions.

Mots-clés

Généré par l'IA
radioactive material transport noise pollution complaints urgent suspension of execution environmental protection enforcement of prohibitions Flemish Law on Radioactive Materials administrative discretion pollution acoustique

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 1.2.2.3 of the Flemish Law on Radioactive Materials (Vlarem II)
artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II […] activiteiten toe te staan tot en met 31 oktober 2017”.
Article 5.15.0.6, § 1 of the Flemish Law on Radioactive Materials (Vlarem II)

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, Case No. 239.343 of 9 October 2017
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 239.529 van 24 oktober 2017

in de zaak A. 223.551/VII-40.108.

In zake : Alex NEUTJENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de STAD MECHELEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Sarah Jacobs kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 101

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de NV ISOTOPES SERVICES INTERNATIONAL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 18 oktober 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen van 13 oktober 2017 waarbij wordt ingegaan op “de afwijkingsaanvraag van 10 oktober 2017 van de NV Isotopes Services International, Maanstraat 17-19 te 2800 Mechelen, in toepassing van artikel 1.2.2.3. Vlarem II, om in afwijking van

VII-40.108-1/17

artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II […] activiteiten toe te staan tot en met 31 oktober 2017”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Isabelle Larmuseau, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Wouter Moonen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De NV Isotopes Services International (hierna: ISI) exploiteert aan de Maanstraat 17-19 te Mechelen een bedrijf dat gespecialiseerd is in de distributie en het vervoer van laag radioactieve stoffen bestemd voor onderzoek en medisch/industriële toepassingen.

Het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen heeft akte genomen van de melding van onder meer de volgende

VII-40.108-2/17

activiteiten: het stallen van 23 autovoertuigen en/of aanhangwagens andere dan personenwagens, koelinstallaties voor het bewaren van de producten en verscheidene opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen.

3.2. Vanaf juli-augstus 2014 ontvangt de stad Mechelen herhaaldelijk klachten van omwonenden over (nachtelijke) geluidshinder.

3.3. In september 2015 voert het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (hierna: PIH) van de provincie Antwerpen geluidsmetingen uit. Het verslag over die metingen besluit dat “[d]e laad- en losactiviteiten […] aanleiding [geven] tot significante overschrijdingen van de grenswaarde (nacht)”.

3.4. Vanaf oktober 2015 worden processen-verbaal opgemaakt lastens de NV ISI wegens geluidshinder en wordt zij door de verwerende partij aangemaand om een geluidssaneringsplan op te maken.

3.5. Bij besluit van 23 februari 2016 legt de burgemeester van de stad Mechelen op grond van artikel 16.4.7, § 1, 2°, van het decreet van 5 april 1995

houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid aan de NV ISI een bestuurlijke maatregel op waarbij “het […] met onmiddellijke ingang verboden [is] te laden en te lossen op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen”.

3.6. In opdracht van de NV ISI voert de NV Acoustical Engineering, erkend geluidsdeskundige, in maart 2016 een volledig akoestisch onderzoek uit. In het besluit van het rapport over dit onderzoek wordt onder meer gesteld dat “[o]p het terras van het appartement op de 3de verdieping aan de Schoonjansstraat (gebouwd 10 jaar na de vergunningsverlening) […] overschrijdingen van de norm [worden] vastgesteld”, “[d]e overschrijdingen worden veroorzaakt door vrachtwagens (stationair draaiende motoren) en eventueel koelgroep, roepende chauffeurs, laad- en losactiviteiten”, dat “[h]et ontbreken van een buffer tussen de industrie en de woningen […] niet bevorderlijk [is]” en dat “[o]ok de constructie

VII-40.108-3/17

van het appartementsgebouw […] aanleiding [geeft] tot reflecties waardoor sterk verhoogde waarden worden gemeten […]”.

3.7. In de nacht van 17 op 18 oktober 2016 wordt opnieuw een geluidsmeting uitgevoerd. Uit de resultaten van die meting zou blijken dat de toepasselijke grenswaarden inzake geluid niet worden overschreden ter hoogte van de gekozen meetpunten.

3.8. Intussen heeft een aantal omwonenden, waaronder verzoeker, op grond van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, juncto artikel 194 van het gemeentedecreet een milieustakingsvordering ingesteld. In eerste aanleg wordt (deels) ingegaan op de stakingsvordering en wordt het laden en lossen op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen verboden ingaande vanaf 4 maanden na de betekening van de beschikking en onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per vastgestelde overtreding en per nacht dat deze overtreding wordt vastgesteld. Bij arrest van 28 juni 2017 verklaart het hof van beroep te Antwerpen de vordering ontvankelijk maar ongegrond.

3.9. Op 17 maart 2017 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen om “in te gaan op de afwijkingsaanvraag van de firma Isotopes Services International, Maanstraat 17-19 te 2800 Mechelen om in afwijking van artikel 5.15.0.6 Vlarem II de volgende activiteiten toe te staan, mits een termijn verstrijkend op 1 oktober 2017 (herlocalisatie naar Nossegem):

- Het aan- en afrijden van maximum 14 vrachtwagens tussen 21.00 en 2.30, en het laden en lossen van deze vrachtwagens - Het aan- en afrijden van maximum 30 bestelwagens tussen 2.00 en 6.00, en het laden en lossen van deze bestelwagens binnen in de inrichting - Het aan- en afrijden van maximum 3 vrachtwagens tussen 5.00 en 7.00 en het laden en lossen van deze vrachtwagens”.

VII-40.108-4/17

Aan deze “afwijking” worden bijzondere voorwaarden verbonden.

Tegen voormeld besluit van 17 maart 2017 heeft verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak A. 221.769/VII-39.942).

3.10. Met een besluit van 29 september 2017 verlengt het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen de op 17 maart 2017 verleende “afwijking” tot “uiterlijk 1 januari 2018”.

De in het verlengde besluit opgelegde bijzondere voorwaarden blijven van kracht en deze worden aangevuld met twee bijkomende bijzondere voorwaarden:

“- NV Isotopes dient met ingang van 1 oktober 2017 permanent geluidsmetingen uit te voeren. Bij klachten dient steeds een analyse gemaakt te worden van de geluidsmetingen. Deze analyse wordt steeds zonder verwijl overgemaakt aan de dienst Milieu en landbouw.

- Binnen één maand na de ontvangst van het collegebesluit dient NV Isotopes een gedetailleerd en uitgebreid tijdspad over de herlokalisatie naar Nossegem over te maken aan de dienst Milieu en landbouw”.

3.11. Bij arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 wordt bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het collegebesluit van 29 september 2017 bevolen.

Aan de stad Mechelen wordt het volgende bevel opgelegd:

“De Raad van State beveelt de stad Mechelen, na de kennisgeving van dit arrest, om binnen 24 uren na elke vaststelling door een gerechtsdeurwaarder dat er op de inrichting van de NV Isotopes Services International aan de Maanstraat 17-19 te Mechelen, op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur of op zon- en feestdagen, rustverstorende werkzaamheden worden uitgevoerd, zoals onder meer het aan- en afrijden van vracht- en bestelwagens en/of het laden en lossen ervan, desnoods mondeling, de onmiddellijke stopzetting van deze werkzaamheden, handelingen of activiteiten te bevelen, onder verbeurte van

VII-40.108-5/17

een dwangsom ten bedrage van 12.500 euro per dag en per overtreding dat zij in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen”.

3.12. De daaropvolgende dag, 10 oktober 2017, dient de NV ISI in allerijl een nieuwe aanvraag in om, uiterlijk tot 1 januari 2018, te mogen afwijken van de milieuvoorwaarden van artikel 5.15.0.6 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II). Deze afwijkingsaanvraag zoekt rechtsgrond in artikel 1.2.2.3 van Vlarem II.

3.13. Op 11 oktober 2017 trekt het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen het door de Raad van State geschorste collegebesluit van 29 september 2017 in.

3.14. Eveneens op 11 oktober 2017 deelt de NV ISI aan de stad Mechelen het engagement mee “om tegen 1 november 2017 de nachtactiviteiten niet meer in onze loods, Maanstraat 17-19 uit te oefenen”.

3.15. Met het thans bestreden besluit van 13 oktober 2017 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen om in te gaan op de afwijkingsaanvraag van 10 oktober 2017 en staat zij, in afwijking van artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II, “tot en met 31 oktober 2017”, de volgende activiteiten toe:

“● Het aan- en afrijden van maximum 14 vrachtwagens tussen 21.00 u en 2.30 u, en het laden en lossen van deze vrachtwagens.

● Het aan- en afrijden van maximum 30 bestelwagens tussen 2.00 u en 6.00 u, en het laden en lossen van deze bestelwagens binnen in de inrichting.

● Het aan- en afrijden van maximum 3 vrachtwagens tussen 5.00 u en 7.00 u en het laden en lossen van deze vrachtwagens”.

Aan de afwijking worden “in toepassing van artikel 3.3.0.2

Vlarem II” een aantal bijzondere voorwaarden verbonden.

VII-40.108-6/17

IV. Tussenkomst

4. Met een ter zitting neergelegd verzoekschrift vraagt de NV Isotopes Services International om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

V. Onderzoek van de vordering

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

A. Ernstig middel

Standpunt van de partijen

6. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van het gezag van gewijsde van arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 en van artikel 3.3.0.2 van Vlarem II:

“doordat het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen, ondanks de tussenkomst van het arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 van Uw Raad, „in toepassing van artikel 1.2.2.3. Vlarem II‟ een afwijking toestaat op het nachtelijk exploitatieverbod opgenomen in artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II

(artikel 1 van het bestreden besluit), en in samenhang met deze afwijking, „in toepassing van artikel 3.3.0.2. Vlarem II‟ bijzondere milieuvoorwaarden oplegt aan de door de nv ISI uitgebate klasse 3-inrichting (artikel 2 van het bestreden besluit), terwijl in het met gezag van gewijsde beklede arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 van Uw Raad duidelijk is bepaald dat het toelaten van het aan-

en afrijden van vracht- en bestelwagens met de bijhorende laad- en

VII-40.108-7/17

losactiviteiten tijdens de nacht evident afbreuk doet aan de voorwaarde van artikel 3.3.0.2., 2de lid Vlarem II dat slechts in minder strenge zin van de milieuvoorwaarden van Vlarem II kan worden afgeweken indien „deze afwijking geen aanleiding geeft tot bijkomende milieuhinder‟, en het bestreden afwijkingsbesluit om die reden niet kan worden ingepast in artikel 3.3.0.2.

Vlarem II (randnummer 13 van het arrest nr. 239.343 van Uw Raad), en terwijl de verwijzing naar de rechtsgrond van artikel 1.2.2.3. Vlarem II

in artikel 1 van het bestreden besluit evident de toepasselijkheid van artikel 3.3.0.2. Vlarem II en de inhoud van het met gezag van gewijsde beklede arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 van Uw Raad onverlet laten, nu de op basis van artikel 1.2.2.3. Vlarem II verleende afwijking van een sectorale milieuvoorwaarde van Vlarem II (met name een afwijking van artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II) op zich kwalificeert als een bijzondere milieuvoorwaarde, die moet voldoen aan artikel 3.3.0.2. Vlarem II, zodat zowel artikel 1 van het bestreden besluit (de als bijzondere milieuvoorwaarde geldende afwijking van het als sectorale milieuvoorwaarde geldende nachtelijke exploitatieverbod) als artikel 2 van het bestreden besluit (de als bijzondere milieuvoorwaarden geldende duizend-en-één-maatregelen die bijkomende milieuhinder impliceren opzichtens de stilte die voortvloeit uit het als sectorale milieuvoorwaarde geldende nachtelijke exploitatieverbod)

moeten voldoen aan de vereisten van artikel 3.3.0.2. Vlarem II, wat onmogelijk is, nu het toelaten van het aan- en afrijden van vracht- en bestelwagens met de bijhorende laad- en losactiviteiten tijdens de nacht evident afbreuk doet aan de voorwaarde van artikel 3.3.0.2., 2de lid Vlarem II (zie randnummer 13 van het arrest nr. 239.343 van Uw Raad)[…]”.

7. De verwerende partij stelt, in hoofdorde, dat uit de samenlezing van de artikelen 1.2.2.3 en 5.15.0.6 van Vlarem II volgt dat het college van burgemeester en schepenen als aktenemende overheid kan afwijken van de betrokken sectorale milieuvoorwaarde van Vlarem II, en, in ondergeschikte orde, dat voornoemde bepalingen hoe dan ook conform de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moeten worden geïnterpreteerd. Voorts zet zij uiteen dat de in artikel 1

van het bestreden besluit verleende afwijking niet beschouwd kan worden als een “verkapte bijzondere milieuvoorwaarde” in de zin van artikel 3.3.0.2 van Vlarem II, dat uit artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning immers duidelijk het onderscheid blijkt tussen een bijzondere milieuvoorwaarde en een afwijking op de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en dat “artikel 1.2.2.3. Vlarem II […] expliciet de bevoegdheid van het College van Burgemeester en Schepenen [omvat] om aan de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen individuele afwijkingen op de

VII-40.108-8/17

Vlarem II-milieuvoorwaarden - waaronder dus ook artikel 5.15.0.6, § 1 Vlarem II -

toe te staan, voor zover deze afwijkingsmogelijkheid expliciet voorzien is (wat in casu het geval is)”. De verwerende partij beklemtoont dat evenmin een schending van artikel 3.3.0.2 van Vlarem II voorligt, aangezien in artikel 2 van het bestreden besluit een aantal bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd ter bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving. Tot slot ontkent zij dat het gezag van gewijsde van het arrest van 9 oktober 2017 werd geschonden omdat in dit arrest geen uitspraak werd gedaan over de mogelijkheid om de afwijking op artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II te baseren op artikel “1.2.2.1.” (lees: 1.2.2.3) van Vlarem II.

8. De tussenkomende partij laat gelden dat de bestreden beslissing steunt op artikel 1.2.2.3 van Vlarem II, dat in die bepaling uitdrukkelijk wordt gesteld dat “de afwijkingsmogelijkheid voor klasse 3 inrichtingen geldt voor de milieuvoorwaarden die zijn opgenomen in „deel 4: algemene milieuvoorwaarden‟ en „deel 5: sectorale milieuvoorwaarden‟ in Vlarem II en slechts voor die voorwaarden die uitdrukkelijk voorzien in een afwijkingsmogelijkheid voor vergunningsplichtige inrichtingen” en dat het college van burgemeester en schepenen op grond van die bepaling “zonder meer [mocht] afwijken van artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II, en dit zonder nadere voorwaarden”. Voorts benadrukt zij dat de artikelen 1.2.2.3 en 3.3.0.2 van Vlarem II onderscheiden doelstellingen dienen en dat laatstgenoemde bepaling ertoe strekt om middels “bijzondere milieuvoorwaarden […] die niet zijn opgenomen in Vlarem, met oog op bescherming van de mens en de directe omgeving” de milieueffecten van de op grond van artikel 1.2.2.3 van Vlarem II verleende afwijking te matigen. Tot slot deelt de tussenkomende partij mee dat het schorsingsarrest van 9 oktober 2017

“geen gezag van gewijsde [heeft]” en dat in dit arrest enkel wordt geoordeeld dat “de aktenemende overheid het aan- en afrijden van vracht- en bestelwagens tijdens de nacht niet kan toelaten door middel van het opleggen van een bijzondere vergunningsvoorwaarde op grond van artikel 3.3.0.2 Vlarem II”.

VII-40.108-9/17

Beoordeling

9. Artikel 1.2.2.3 van Vlarem II bepaalt:

“Op de algemene en per categorie van inrichting geldende milieuvoorschriften van dit besluit (de delen 4 en 5), kunnen voor in de derde klasse ingedeelde inrichtingen individuele afwijkingen worden toegestaan door het College van Burgemeester en Schepenen. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt slechts indien ze in de desbetreffende hoofdstukken uitdrukkelijk is voorzien ten aanzien van vergunningsplichtige inrichtingen”.

Op grond van deze bepaling kan het college van burgemeester en schepenen voor meldingsplichtige inrichtingen individuele afwijkingen toestaan op de algemene en sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II, in die gevallen dat de bepalingen van Vlarem II deze afwijkingsmogelijkheid uitdrukkelijk hebben opengesteld voor vergunningsplichtige inrichtingen.

10. Artikel 1.2.2.3 van Vlarem II voegt niets toe aan het principe dat een afwijking op het exploitatieverbod van artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II

slechts kan worden verleend na een concreet onderzoek van de effecten van de beoogde nachtelijke exploitatie op de mens en het leefmilieu in de directe omgeving. Naar luid van artikel 1.1.1 van Vlarem II werd dit reglementair besluit ondermeer “uitgevaardigd in uitvoering van art. 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning” en krachtens die rechtsgrondbiedende decreetsbepaling zijn algemene of sectorale milieuvoorwaarden precies vastgesteld om een “hoog niveau van bescherming van de mens en het leefmilieu” te waarborgen, wat in het bijzonder geldt voor het verbod op de uitvoering van rustverstorende werkzaamheden zoals dat is ingesteld door artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II.

Bijgevolg doet de tussenkomende partij blijken van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de strekking van artikel 1.2.2.3 van Vlarem II in zoverre zij staande houdt dat het college van burgemeester en schepenen op grond van die bepaling “zonder meer [mocht] afwijken van artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II, en dit zonder nadere voorwaarden”.

VII-40.108-10/17

De verwerende partij kan niet ernstig voorhouden dat zij tussen de ontvangst van de afwijkingsaanvraag op 10 oktober 2017 en het verlenen van de bestreden afwijking op 13 oktober 2017, een gedegen onderzoek heeft gevoerd naar de concrete gevolgen van de nachtelijke werkzaamheden op de leefbaarheid van de omgeving en de levenskwaliteit van de omwonenden. In zoverre zou worden tegengeworpen dat dergelijk onderzoek reeds heeft plaatsgevonden in het geschorste en later ingetrokken collegebesluit van 29 september 2017 en dat onderzoek in wezen wordt hernomen in de thans bestreden beslissing, wordt gewezen op de overwegingen in arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 dat voornoemd besluit van 29 september 2017 “werd genomen op vraag van de exploitant, klaarblijkelijk teneinde de activiteiten ter plaatse te bestendigen in afwachting van de realisatie van een aangekondigde herlokalisatie” en dat “de bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving” niet aan de basis ligt van dit besluit. Evenmin kan op het eerste gezicht aangenomen worden dat de “flankerende” bijzondere exploitatievoorwaarden, opgelegd op grond van artikel 3.3.0.2 van Vlarem II, volstaan om op wettige wijze te besluiten dat de verleende afwijking per saldo geen aanleiding geeft tot bijkomende milieuhinder.

Zulks is nog minder het geval nu in arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 reeds werd geoordeeld dat “[h]et toelaten van het aan -en afrijden van vracht- en bestelwagens met de bijhorende laad- en losactiviteiten tijdens de nacht, […]

evident afbreuk [doet]” aan de voorwaarde dat de afwijking geen aanleiding mag geven tot bijkomende milieuhinder.

Het middel is ernstig.

B. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Standpunt van de partijen

11. Het bestaan van een dringende noodzakelijkheid wordt door verzoeker als volgt gestaafd:

VII-40.108-11/17

“Zoals reeds het geval was met haar twee vorige illegale afwijkingsbesluiten, hoopt de stad Mechelen ook ditmaal de nodige rechtsonzekerheid in hoofde van onder meer het Openbaar Ministerie te kunnen doen ontstaan, waarvan de nv ISI, net als de afgelopen drie jaar, profiteert om gedurende de nacht verder ongestoord illegaal haar gang te gaan, daarin niet teruggefloten door de verwerende partij (zie infra: alleen de omwonenden en niet de stad Mechelen liggen wakker van flagrante schendingen van zelfs het nieuwe illegale afwijkingsbesluit, […]).

De maat van het verstoren van de nachtrust is reeds drie jaar vol. Een derde illegaal besluit, ditmaal nà de tussenkomst van het UDN-arrest van 9 oktober 2017 en vóór het artificieel uitgestelde afhalen van het arrest van 9 oktober 2017 van het uitwisselingsplatform e-ProAdmin van de Raad van State, mag dan ook geen dag langer in het rechtsverkeer zijn. Een blijk van zoveel onwil in hoofde van de nv ISI, daarin illegaal bijgestaan door de stad Mechelen, kan geenszins prevaleren op de reeds drie jaar lang verstoorde nachtrust van de verzoekende partij.

Deze zaak handelt over de grondwettelijk gewaarborgde gezondheid (artikel 23, lid 3, 4° Grondwet) van de verzoekende partij, die aan de reeds zo lang voortdurende verstoring van zijn nachtrust bezwijkt.

De uiterst dringende noodzakelijkheid is overigens ook in het belang van de nv ISI, gelet op de door het Openbaar Ministerie te formuleren vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van de door de nv ISI jarenlang illegaal gegenereerde omzet (art. 42, 3° en art. 43bis Sw.). Misdrijf (van de nv ISI als dader en de stad Mechelen als medeplichtige) loont niet en kan door uw Raad ook niet verder worden gefaciliteerd”.

12. Volgens de verwerende partij is het verzoekschrift beperkt tot een “aantal algemene beweringen en stellingsnames” waarmee verzoeker niet concreet aantoont dat hij een nadeel ondervindt ten gevolge van de bestreden beslissing, en nog minder dat de beweerde permanente verstoring van de nachtrust concreet en op een objectieve wijze wordt bewezen. In dit verband wijst zij erop dat het appartement van verzoeker gelegen is op een “ruime afstand (+/- é,98 meter) van NV Isotopes”, dat het bedrijf sinds de zomer van 2014 een heel aantal maatregelen heeft genomen om de hinder door geluid en trillingen te beperken, dat in het collegebesluit van 17 maart 2017 bijzondere exploitatievoorwaarden werden opgelegd die in het thans bestreden besluit integraal werden hernomen, dat uit de geluidsstudie van 25 oktober 2016 blijkt dat de toepasselijke grenswaarden worden gerespecteerd, dat het hof van beroep te Antwerpen in zijn arrest van 28 juni 2017 het bestaan van een “kennelijke - duidelijke, manifeste, etc. - inbreuk op het leefmilieu” niet heeft aangenomen en

VII-40.108-12/17

dat, nu verzoeker zelf aangeeft dat de maat voor het verstoren van de nachtrust “reeds drie jaar” vol is, er geen reden is om aan te nemen dat de uitkomst van een gewone schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot herinnert de verwerende partij er aan dat verzoeker enkel een annulatieberoep en geen vordering tot schorsing heeft ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 maart 2017 waardoor hij niet “met passende voortvarendheid is opgetreden om de beweerde onherroepelijke schadelijke gevolgen - de zogenaamde jarenlange verstoring van de nachtrust - veroorzaakt door de bestreden beslissing te voorkomen”.

13. De tussenkomende partij merkt van haar kant op dat de bestreden beslissing slechts toelaat om gedurende 18 dagen af te wijken van artikel 5.15.0.6

van Vlarem II en het effect van die beslissing actueel beperkt is tot de resterende 8 dagen. In de gegeven omstandigheden is het volgens haar een raadsel waarom de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden aangewend. Tevens zou niet worden aangetoond dat de hinder zodanig extreem is dat zij niet gedurende enkele dagen kan worden geduld. In dit verband wijst zij eveneens op de afstand tussen de plaats van exploitatie en de woning van verzoeker, de resultaten van de op 25 oktober 2016 uitgevoerde geluidsmetingen, de vele maatregelen die opgelegd worden om eventuele geluidshinder zoveel als mogelijk te beperken en stelt zij dat artikel 23 van de Grondwet niet van toepassing is op individuele bestuurshandelingen, dat met de beweerde “situatie van rechtsonzekerheid” geen onherroepelijke schadelijke gevolgen worden aangetoond, en dat dezelfde bedenking geldt voor een hypothetische vordering van het parket.

Beoordeling

14. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de

VII-40.108-13/17

uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens onder meer aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

15. De verwerende partij en de tussenkomende partij brengen geen nieuwe feiten noch gewijzigde omstandigheden bij die doen terugkomen op de vaststelling in arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 dat verzoeker met voldoende gegevens aannemelijk maakt dat een permanente verstoring van zijn nachtrust gedurende de geldigheidsduur van de bestreden beslissing dermate ingrijpt op zijn levenskwaliteit en gezondheid, dat besloten moet worden tot het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Voor het overige wenst de Raad van State niet mee te gaan in het juridisch nihilisme dat erin bestaat dat een benadeelde enkeling die tegen zijn wil wordt geconfronteerd met een repetitief onwettig en onwillig bestuursoptreden, finaal wandelen wordt gestuurd omdat hij de aantasting van zijn levenskwaliteit nog wel enkele dagen langer zou kunnen verdragen.

C. Conclusie

16. Uit wat voorafgaat volgt dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid toe te wijzen.

VII-40.108-14/17

VI. Voorlopige maatregel en dwangsom

Standpunt van de partijen

17. Verzoeker vraagt dat “een dwangsom wordt opgelegd van € 25.000 per dag dat er na de betekening van het tussen te komen schorsingsarrest van Uw Raad in strijd met artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II gedurende de nacht wordt geëxploiteerd”.

18. Volgens de verwerende partij maakt verzoeker niet aannemelijk dat een gebeurlijk schorsingsarrest niet zou worden nageleefd en volstaat de loutere verwijzing naar de “historiek van het dossier” alleszins niet om die vrees te staven.

19. De tussenkomende partij wijst erop dat de stad Mechelen zich meteen geschikt heeft naar het arrest van 9 oktober 2017 door de geschorste beslissing in te trekken en dat het bestuur “bij ontvangst van de PV‟s van 18 en 20 oktober 2017 telkens een bevel tot stopzetting van de rustverstorende activiteiten [heeft] verstuurd”.

Beoordeling

20. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing impliceert dat de tussenkomende partij ertoe gehouden is om het verbod op rustverstorende werkzaamheden “op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen” (artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II) met onmiddellijke ingang terug in acht te nemen. Deze verplichting vereist in beginsel geen specifieke aanmaning van de toezichthoudende overheid. De overhaaste totstandkoming van de bestreden beslissing, na het schorsingsarrest nr. 239.343

van 9 oktober 2017, kan niet alleen bij verzoeker enige scepsis opwekken omtrent de bereidheid van de verwerende partij om haar milieuhandhavingsbevoegdheid spontaan ten dienste te stellen van het gezag van gewijsde van dit schorsingsarrest.

VII-40.108-15/17

Daarom is het, in de gegeven specifieke omstandigheden van de zaak, en teneinde het gezag van gewijsde van dit arrest zonder uitstel te doen eerbiedigen en de belangen van verzoeker op een adequate wijze veilig te stellen, aangewezen de verwerende partij, onder verbeurte van een gepaste - in vergelijking met arrest nr. 239.343 van 9 oktober 2017 licht verhoogde -

dwangsom, te bevelen om onverwijld en op een adequate wijze handhavend op te treden indien de tussenkomende partij, na de uitspraak van het schorsingsarrest in openbare terechtzitting van heden, het exploitatieverbod vastgesteld in artikel 5.15.0.6, § 1, van Vlarem II zou miskennen.

BESLISSING

1. Het verzoek van de NV Isotopes Services International tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen van 13 oktober 2017

waarbij wordt ingegaan op “de afwijkingsaanvraag van 10 oktober 2017 van de NV Isotopes Services International, Maanstraat 17-19 te 2800 Mechelen, in toepassing van artikel 1.2.2.3. Vlarem II, om in afwijking van artikel 5.15.0.6., § 1 Vlarem II […] activiteiten toe te staan tot en met 31 oktober 2017”.

3. De Raad van State beveelt de stad Mechelen om binnen 24 uren na elke vaststelling door een gerechtsdeurwaarder dat er op de inrichting van de NV Isotopes Services International aan de Maanstraat 17-19 te Mechelen, op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur of op zon- en feestdagen, rustverstorende werkzaamheden worden uitgevoerd, zoals onder meer het aan- en afrijden van vracht- en bestelwagens en/of het laden en lossen ervan, desnoods mondeling ter plaatse, de onmiddellijke stopzetting van deze

VII-40.108-16/17

werkzaamheden, handelingen of activiteiten te bevelen, onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 15.000 euro per dag en per overtreding dat zij in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen en, na het geven van een bevel tot stopzetting, onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 15.000 euro per dag en per overtreding dat zij nalaat de vereiste bestuurlijke maatregelen te nemen om de uitvoering van rustverstorende werkzaamheden daadwerkelijk te doen beëindigen.

4. De Raad van State beveelt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit arrest.

5. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorste beslissing.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-40.108-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.529