Court dismisses urgent seizure suspension request due to lack of concrete proof of irreparable harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a seizure order regarding four donkeys under the provision for extreme urgency. The applicant argued that the seizure would cause irreparable damage to their breeding program, but the court found no concrete evidence supporting this claim. Consequently, the court ruled that the applicant failed to meet the strict dual requirements of prima facie invalidity and extreme urgency necessary for such an expedited procedure.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Coordinated Laws on the Council of State; Extreme urgency procedures require clear, concrete proof of irreparable harm that cannot be remedied within standard proceedings, rejecting general assertions unsupported by specific data.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.488 van 23 oktober 2017
in de zaak A. 223.519/VII-40.107.
In zake : René BOOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Donkers kantoor houdend te 1050 Brussel Opperstraat 95
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 13 oktober 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing tot inbeslagname van 10 augustus 2017 en het bijhorende proces-verbaal, waarbij 4 ezels van verzoekende partij in beslag werden genomen en waarbij aan verzoeker maatregelen werden opgelegd […], evenals tegen de beslissing van 2 oktober 2017 waarbij de planning van voornoemde opgelegde maatregelen werd gewijzigd […] en ten slotte tegen de beslissing tot bestemming van 3 oktober 2017, waarbij de 4 ezels werden toegekend aan het opvangcentrum voor ezels VZW Anegria […]”.
VII-40.107-1/7
Verzoeker vordert tevens het opleggen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom “teneinde te verzekeren dat het schorsingsarrest wordt nageleefd”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jan Donkers, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Voorwaarden van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid
3. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn
VII-40.107-2/7
van de gewone vordering tot schorsing.
Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
Spoedeisendheid
4. Met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid zet verzoeker het volgende uiteen:
3.1 Betreffende de eerste bestreden beslissing De beslissing van 10 augustus 2017, ter kennis gebracht op 21 augustus 2017, brengt intussen -strikt genomen- niet langer enige rechtsgevolgen teweeg, althans wat de daarin opgenomen beslissing tot inbeslagname betreft.
Conform artikel 42, § 3 van de Wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren wordt het in paragraaf 1 bedoelde beslag immers van rechtswege opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing (tot bestemming) of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname. Deze termijn van twee maanden is intussen verstreken.
Echter, de in het bijgevoegde PV opgenomen ‘overige maatregelen’ kunnen mogelijkerwijze nog rechtsgevolgen voortbrengen indien de tweede bestreden beslissing wordt geschorst en/of vernietigd.
immers, de tweede bestreden beslissing vervangt de eerste bestreden beslissing wat de opgelegde ‘overige’ maatregelen betreft, waardoor de schorsing/vernietiging van de tweede bestreden beslissing mogelijkerwijze zou leiden tot het ‘terugvallen’ op de eerste bestreden beslissing.
In de eerste bestreden beslissing werd aan verzoeker een hele resem maatregelen opgelegd, waarvan de (zeer korte) termijn om aan de maatregelen te voldoen momenteel reeds is verstreken. Bovendien wordt aan verzoeker het verbod opgelegd het aantal ezels uit te breiden en de verplichting de hengsten en merries gescheiden te huisvesten, Deze twee laatste maatregelen, waarbij overigens geen voorwaarde tot opheffing, noch eindtermijn werd bepaald, zorgen de facto voor een verbod op het fokken van ezels. Dit is een dadelijke en ernstige belemmering van de activiteiten van verzoeker, dewelke resulteert in een verlamming van het landbouwbedrijf.
VII-40.107-3/7
Derhalve is de huidige situatie om voornoemde redenen uiterst hoogdringend.
3.2 Betreffende de tweede bestreden beslissing Wat de hoogdringendheid ten aanzien van de tweede bestreden beslissing betreft, kan worden verwezen naar de uiteenzetting onder 3.1. betreffende de eerste bestreden beslissing.
De tweede bestreden beslissing is hoofdzakelijk een wijziging van de in de eerste bestreden beslissing opgelegde termijnen waarbinnen aan de maatregelen dient te worden voldaan.
Bij deze beslissing werd daarnaast de maatregel geschrapt waarbij aan verzoeker de verplichting werd opgelegd hengsten en merries gescheiden te huisvesten. Desalniettemin blijft het verbod op uitbreiding van het aantal ezels overeind. Dit blijft een dadelijke en ernstige belemmering van de activiteiten, dewelke resulteert in een verlamming van het landbouwbedrijf van verzoeker.
Derhalve is ook deze situatie om voornoemde redenen uiterst hoogdringend 3.3 Betreffende de derde bestreden beslissing De in beslag genomen ezels werden op 10 augustus 2017 opgeladen en overgebracht naar het opvangcentrum voor ezels VZW Anegria. Bij beslissing tot bestemming van 3 oktober 2017 werden zij in volle eigendom gegeven aan voornoemd opvangcentrum, Op 5 oktober 2017 verschijnt via het sociaal medium Facebook een bericht op de pagina van het opvangcentrum VZW Anegria, waarin te lezen staat dat aan haar 4 ezels werden toegewezen, 3 hengsten en een drachtige merrie. Het opvangcentrum verkondigt daarbij dat zij diezelfde namiddag de jongste hengst reeds hebben gecastreerd en dat de andere twee hengsten ‘zo snel mogelijk’ zullen volgen (stuk 8). Dit bericht doelt overduidelijk op de ezels van verzoeker.
Daarnaast werkt VZW Anegria met een systeem van ‘doorplaatsing’, waarbij de opgevangen ezels buiten het opvangcentrum aan anderen worden toegewezen, dewelke doorplaatsing aldus ook dreigt voor de in beslag genomen ezels.
Het wegtrekken van de ezels uit de kudde is ook erg schadelijk de sociale ontwikkeling (het zogenaamde ‘kuddegevoel’) van de in beslag genomen ezels en voor de kudde in het algemeen. Bovendien worden zij blootgesteld aan een omgeving waarvoor zij mogelijk geen antistoffen hebben aangemaakt en aan mogelijke besmettingen door ezels van buiten de kudde.
Ten slotte wordt ernstige schade toegebracht aan het landbouwbedrijf van verzoeker. De in beslag genomen ezels zijn noodzakelijk voor het kweekprogramma, aangezien het ezels van ‘buitenlijnen’ betreft, die inteelt in de kudde voorkomen.
Derhalve is de huidige situatie om voornoemde redenen uiterst hoogdringend, niet in het minst nu het opvangcentrum van plan is de andere twee hengsten op korte termijn ook te castreren en de mogelijke schorsing met het opleggen van een voorlopige maatregel nog een nuttig effect kan voortbrengen.
VII-40.107-4/7
Het staat buiten kijf dat zelfs een gewone schorsingsprocedure te laat zou komen aangezien de voorzien doorlooptijd word gesteld op vijfenveertig dagen (artikel 17, §5 RvS-wet).
Overigens wenst verzoeker erop te wijzen dat hij uiterst diligent en alert heeft gehandeld door zo snel als mogelijk alle nuttige informatie aan de Inspectiedienst Dierenwelzijn te bezorgen en heeft zij na de concrete bevestiging van de opgelegde maatregelen en de beslissing tot bestemming onverwijld het initiatief genomen om de huidige vordering tot schorsing in te stellen”.
5. De verwerende partij betoogt dat verzoeker niet aantoont dat er een uiterst dringende noodzaak bestaat om de vordering tot schorsing in te willigen.
Beoordeling
6. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen.
Bij de concrete uitwerking van het begrip “spoedeisendheid”
moet een verzoekende partij zich ervoor hoeden dat begrip niet op algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de spoedeisendheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting.
VII-40.107-5/7
Verzoeker moet dus concreet uiteenzetten waarin zijn schade of zijn nadeel bestaat evenals de wijze waarop hij wil beletten dat dit nadeel ontstaat.
Hij moet niet alleen aannemelijk maken dat hij een nadeel lijdt, hij moet ook uiteenzetten waarom daaraan dringend moet worden verholpen.
Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker een kudde ezels en een kudde schapen heeft. In de kudde ezels lopen merries en hengsten door elkaar en zijn een aantal merries drachtig. Verzoeker toont niet aan dat, gelet op de hoeveelheid dieren die overgebleven zijn, hij dusdanige schade lijdt dat hij de periode die een gewone schorsing in beslag neemt niet zou kunnen overbruggen. Er is in het verzoekschrift wel sprake van een kweekprogramma en er wordt gesteld dat de twee hengsten hiervoor van belang zijn omdat het ezels van buitenlijnen betreft maar dit wordt nergens gestaafd. Er worden hieromtrent geen concrete gegevens aangereikt.
Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet.
Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van de artikelen 17, § 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat tot verwerping van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid en de daaraan verbonden vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom, zonder dat het nodig is de mogelijke ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
VII-40.107-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-40.107-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.488