Court dismisses appeal for lack of standing due to missed response deadline under Council of State rules.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal to annul the Flemish Minister's decision to revoke the NGO's social-cultural status. The applicant failed to submit a counter-memoir within the sixty-day deadline required by the Council of State's procedural rules. Consequently, the court found the applicant lacked the necessary legal interest to pursue the annulment, resulting in a dismissal and an order to pay costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 21, second paragraph of the Council of State Rules; Article 14bis, paragraph 1 of the Regent's Decision of 23 August 1948: Failure to submit a counter-memoir within the prescribed period results in a finding of lack of legal interest, thereby dismissing the appeal.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.462 van 19 oktober 2017
in de zaak A. 220.808/IX-8966
In zake: de VZW CDF FEDERATIE VAN VOORUITSTREVENDE
VERENIGINGEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Özgür Balci kantoor houdend te 9040 Gent Antwerpsesteenweg 742
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Leopold Schellekens en Linde Bevernaege kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 19 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel van 19 september 2016 om de erkenning van de vzw CDF
Federatie van Vooruitstrevende Verenigingen als sociaal-culturele vereniging in te trekken vanaf 1 januari 2017.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 237.362 van 14 februari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
IX-8966-1/4
De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 22 mei 2017.
Op respectievelijk 11 september 2017 en 13 september 2017
heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.
Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent.
IX-8966-2/4
De verzoekende partij heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7
van voormeld besluit van de Regent.
4. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.
IV. Kosten
5. De verwerende partij vordert in haar memorie van antwoord een verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro.
Gelet op het bepaalde in artikel 67, § 2, derde lid, van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 is er evenwel aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het basisbedrag, zijnde 700 euro.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400
euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
IX-8966-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8966-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.462