Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.450 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.450 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against fine for failing to submit updated energy performance certificate report.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.450
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the BVBA Edvice's appeal against a 500 euro administrative fine imposed by the Flemish Energy Agency for failing to submit a renewal energy performance certificate report. The agency argued that the company remained registered and liable despite alleged non-performance, while the appellant claimed the dispute was purely contractual and that the original report was never delivered. The court held that the administrative authority must provide sufficient legal and factual reasoning in its decision, which it did by explicitly addressing the company's continued registration and the specific statutory obligations under the Energy Decree.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 2 and 3 of the Motivation Law; The administrative authority must provide sufficient legal and factual reasoning in individual administrative acts, and in organized professional procedures, must consider the arguments raised in the appeal to ensure the right of appeal is meaningful.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative motivation energy performance certificate filing obligation administrative fine Council of State professional procedure legal reasoning violation de l'obligation de tenir une comptabilité

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 2 and 3 of the Motivation Law
Article 13.4.7 of the Energy Decree
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.450 van 19 oktober 2017

in de zaak A. 217.865/VII-39.561.

In zake : de BVBA EDVICE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Björn Cloots kantoor houdend te 2861 Onze-Lieve-Vrouw-Waver Dijk 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans, Damien Verhoeven en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 17 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap (hierna: VEA) van 22 oktober 2015 waarbij aan de BVBA Edvice een administratieve geldboete van 500 euro wordt opgelegd wegens het niet-indienen van een hernieuwingsaangifte.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

VII-39.561-1/15

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Björn Cloots, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Julie Vanhoenacker, die loco advocaten Dirk Lindemans, Damien Verhoeven en Bert Van Herreweghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 28 november 2010 ontvangt het VEA een EPB-aangifte voor de nieuwbouw van een eengezinswoning gelegen aan de Midakkerstraat 27 te Mol.

De aangifte vermeldt onder de gegevens van de verslaggever, Jan Lauriks van de BVBA Edvice.

3.2. Bij brief van 27 november 2012 vraagt het VEA aan de verzoekende partij om, met het oog op de controle van de juistheid van de EPB-aangifte, bijkomende gegevens over te maken.

VII-39.561-2/15

3.3. Het VEA deelt op 2 september 2013 aan de verzoekende partij mee dat zij op 26 augustus 2013 een onderzoek ter plaatse heeft uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de EPB-aangifte een aantal fouten bevat waardoor het E-peil in realiteit beter is dan het gerapporteerde E-peil. Het VEA vraagt dat uiterlijk tegen 30 oktober 2013 een nieuwe EPB-aangifte wordt ingediend.

3.4. In de periode december 2013 - januari 2014 worden de aandelen van de verzoekende partij overgenomen door de BVBA Adviesbureau De Beuckelaer en wordt een nieuwe zaakvoerder aangesteld ter vervanging van Jan Lauriks.

3.5. Met een aangetekende brief van 1 juli 2014 laat het VEA aan de verzoekende partij weten dat zij nog steeds geen hernieuwingsaangifte heeft ontvangen. De verzoekende partij wordt aangemaand om deze aangifte in te dienen tegen 1 september 2014. Aan die aanmaning wordt geen concreet gevolg gegeven.

3.6. Op 29 mei 2015 maakt het VEA aan de verzoekende partij haar voornemen kenbaar om een administratieve geldboete van 500 euro op te leggen wegens het niet-indienen van een hernieuwingsaangifte. De verzoekende partij wordt uitgenodigd om uiterlijk tegen 26 juni 2015 tegenargumenten over te maken.

3.7. De zaakvoerder van de BVBA Adviesbureau De Beuckelaer reageert op 1 juni 2015 als volgt:

“Bij deze moet ik U melden dat de bvba Edvice activiteiten inzake epb wetgeving heeft uitgevoerd in hoofde van de heer Jan Lauriks, wonende te Moerdreef 5 te 2390 Malle, welke zaakvoerder van deze vennootschap is geweest tot 31/12/2013.

Mijn accountantskantoor heeft de aandelen van deze vennootschap overgenomen van de heer Lauriks en mijn echtgenote Marie Rombouts werd aangesteld als tijdelijke zaakvoerder in afwachting tot wij beslist hebben wat te doen met deze vennootschap, zijnde ofwel het onderbrengen van het gastverblijf van mijn echtgenote ofwel het doorgeven aan een klient van het accountantskantoor welke een zaak wil opstarten. In ieder geval is het zo dat deze vennootschap sedert eind 2013 geen enkele activiteit heeft ontwikkeld.

VII-39.561-3/15

Mag ik U dan ook vragen om uw vordering rechtstreeks te willen richten aan de heer Jan Lauriks op bovengenoemd adres?

Ik laat de heer Lauriks copie van dit schrijven geworden”.

3.8. Op 7 juli 2015 legt het VEA aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 500 euro op. Volgens het VEA rust op de verzoekende partij en niet op de persoon van Jan Lauriks de verplichting om een hernieuwingsaangifte in te dienen. De verzoekende partij wordt erop gewezen dat zij uiterlijk tegen 31 augustus 2015 een correcte EPB-aangifte moet indienen en dat bij het nalaten daarvan een administratieve geldboete in de vorm van een dwangsom kan worden opgelegd op grond van artikel 13.4.7, § 5, van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (hierna: Energiedecreet).

3.9. Bij brief van 3 augustus 2015 deelt de zaakvoerder van de BVBA Adviesbureau De Beuckelaer in naam van de verzoekende partij mee niet akkoord te kunnen gaan met het opleggen van een administratieve geldboete. Hij stelt:

“De administratie verantwoordt in haar beoordeling de verantwoordelijkheid van de vennootschap Edvice als volgt „… of de rechtspersoon, binnen de organisatie waarvan in opdracht van de aangifteplichtige de startverklaring bezorgd wordt aan het Vlaams Energieagentschap en de EPB-aangifte opgesteld wordt door een zaakvoerder, bestuurder of werknemer, houder van het diploma van architect, burgerlijk ingenieur architect, burgerlijk ingenieur, industrieel ingenieur, technisch ingenieur, bio-ingenieur, graduaat bouw, architect-assistent, bachelor bouw, de afstudeerrichting klimatisering van de bachelor elektromechanica en bachelor in de toegepaste architectuur of interieurarchitect, of een daarmee gelijkgesteld buitenlands diploma‟.

Het is dus duidelijk dat een vennootschap, ook volgens het energieagentschap, enkel kan functioneren via haar zaakvoerders die over de juiste bekwaamheden moeten beschikken.

Ik heb het agentschap in mijn vorig schrijven dd 01/06/2015 reeds uiteengezet dat de heer Lauriks, vorig aandeelhouder en zaakvoerder van deze vennootschap, wel beschikte over de nodige bekwaamheden om deze verslaggeving uit te voeren.

De heer Lauriks heeft eind 2013 echter beslist om ofwel de vennootschap stop te zetten ofwel zijn aandelen over te dragen en zijn zaakvoerderschap stop te zetten omdat hij toch al geruime tijd geen actieve prestaties meer uitvoerde in zijn vennootschap.

VII-39.561-4/15

Aangezien de vrijwillige stopzetting van een vennootschap uiteraard wel mogelijk is maar tevens vrij duur is hebben wij als extern accountant van deze vennootschap beslist om de aandelen van de bvba Edvice over te nemen en mijn echtgenote Maria Rombouts aan te stellen als tijdelijke opvolgende zaakvoerder tot op het moment dat wijzelf of een van onze klienten deze vennootschap zou overnemen om vervolgens de benaming, zetel, statutaire activiteiten … aan te passen.

Uit de tekst van het energiedecreet kan ik besluiten dat een vennootschap slechts kan optreden via haar zaakvoerder die in het bezit moet zijn van de geschikte diploma‟s. Aangezien mijn echtgenote deze diploma‟s niet heeft heb ik de administratie in mijn vorige schrijvens reeds gevraagd om zich te wenden tot de heer Lauriks in persoonlijke naam die deze bekwaamheden wel bezit.

De administratie besluit haar beoordeling met de mededeling dat de vennootschap niet uit het rechtsverkeer is verdwenen. Uiteraard is deze vennootschap niet uit het rechtsverkeer verdwenen maar reeds in het jaar 2013

oefende deze vennootschap geen enkele activiteit meer uit waarvan ik hierbij het attest van de FOD financiën bijvoeg, is het btw nummer ondertussen stopgezet en zijn in de KBO administratie de activiteiten inzake EPB

verslaggeving geschrapt.

Tenslotte kan ik U melden dat ik uw schrijven heb voorgelegd aan de heer Jan Lauriks welke mij heeft verduidelijkt dat hij niet bereid was om een aanpassing aan zijn rapport aan te brengen omdat de klant in kwestie, zijnde de heer Jochen Van Steenbergen, de factuur voor het uitvoeren van de energieprestatie dd 28/11/2010 nooit heeft betaald. Er is dus contractbreuk in hoofde van de heer Van Steenbergen en de heer Lauriks is dan ook van mening dat hij in deze geen verdere verplichtingen heeft.

Gelet op deze argumenten wil ik de administratie dan ook vragen om haar beslissing tot het opleggen van de administratieve boete van 500 euro te willen herzien”.

3.10. Met de thans bestreden beslissing van 22 oktober 2015 legt het VEA aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op van 500 euro.

Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd:

“Wij beginnen met een verwijzing naar de door definitie van „verslaggever‟ in artikel 1.1.3, 127° van het Energiedecreet: „de natuurlijke persoon, houder van het diploma van architect, burgerlijk ingenieur-architect, burgerlijk ingenieur, industrieel ingenieur, technisch ingenieur, bio-ingenieur, graduaat bouw, architect-assistent, bachelor bouw, de afstudeerrichting klimatisering van de bachelor elektromechanica, bachelor in de toegepaste architectuur of interieurarchitect, of een daarmee gelijkgesteld buitenlands diploma, die in opdracht van de aangifteplichtige de startverklaring bezorgt aan het Vlaams Energieagentschap en de EPB-aangifte opstelt of de rechtspersoon, binnen de organisatie waarvan in opdracht van de aangifteplichtige de startverklaring

VII-39.561-5/15

bezorgd wordt aan het Vlaams Energieagentschap en de EPB-aangifte opgesteld wordt door een zaakvoerder, bestuurder of werknemer, houder van het diploma van architect, burgerlijk ingenieur architect, burgerlijk ingenieur, industrieel ingenieur, technisch ingenieur, bio-ingenieur, graduaat bouw, architect-assistent, bachelor bouw, de afstudeerrichting klimatisering van de bachelor elektromechanica en bachelor in de toegepaste architectuur of interieurarchitect, of een daarmee gelijkgesteld buitenlands diploma‟.

In casu is de verslaggever die in dit energieprestatiedossier optrad niet de natuurlijke persoon Jan Lauriks, maar is de verslaggever met EP-code EP07465

wel degelijk geregistreerd als de vennootschap bvba Edvice. Het is dan ook niet op de heer Lauriks, maar op de verslaggever-rechtspersoon dat de decretale verplichting, vermeld in artikel 13.4.7 van het Energiedecreet, tot herindiening van de EPB-aangifte rust.

De stelling dat een vennootschap enkel via haar zaakvoerders kan optreden als verslaggever is niet correct: in de tekst van artikel 1.1.3, 127° Energiedecreet wordt zeer duidelijk vermeld dat zowel een zaakvoerder, alsook een bestuurder of werknemer van de vennootschap houder dient te zijn van het vereiste diploma. Het feit dat dhr. Lauriks sinds eind 2013 niet langer de functie van zaakvoerder waarneemt, heeft geenszins tot gevolg dat er geen hernieuwingsaangifte kan ingediend worden door de vennootschap-verslaggever. Het is bv. perfect mogelijk dat de collega‟s van de vennootschap de documenten van de ex-collega kunnen overnemen.

[…]

Gelet op het feit dat het Vlaams Energieagentschap vaststelde dat de verslaggever in het kader van het dossier 13025-G-2009_24251/EP07465/A001/D01/SD001 niet in overeenstemming met de as-builtsituatie rapporteerde; dat de verslaggever bij wege van brief d.d. 2 september 2013 werd gelast om binnen de zestig dagen een nieuwe EPB-aangifte in te dienen, wat niet geschiedde.

Gelet op het feit dat conform artikel 13.4.7, §5, eerste lid van het Energiedecreet de verslaggever bij schrijven d.d. 1 juli 2014 werd aangemaand om tegen uiterlijk 1 september 2014 een nieuwe EPB-aangifte in te dienen; dat op deze datum er geen EPB-aangifte was ingediend;

Overwegende dat artikel 13.4.7, § 5 van het Energiedecreet stelt dat het Vlaams Energieagentschap de verslaggever een administratieve geldboete van 500 euro oplegt als, na aanmaning, de EPB-aangifte niet of niet tijdig blijkt te zijn heringediend;

Overwegende dat u bij aangetekende brief van 7 juli 2015 een administratieve geldboete van 500 euro werd opgelegd;

Overwegende dat in uw tegenargumenten niet wordt aangetoond dat de EPB-aangifte wel tijdig werd heringediend; er worden in de verstrekte tegenargumentatie dan ook geen argumenten aangehaald die tot het niet opleggen van de opgelegde administratieve geldboete aanleiding kunnen geven;

Gelet op het voorgaande wordt de opgelegde administratieve geldboete van 500 euro niet herroepen.

Artikel 13.4.7, §5, tweede lid van het Energiedecreet bepaalt ook dat binnen een door het agentschap gestelde termijn een correcte EPB-aangifte ingediend zal moeten worden door de verslaggever. Het ontbreken hiervan kan

VII-39.561-6/15

bijkomend aanleiding geven tot een administratieve geldboete in de vorm van een dwangsom van 10 euro per kalenderdag. Gelieve dan ook zo snel mogelijk de hernieuwingsaangifte te laten indienen”.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

A. Eerste exceptie

4. De verwerende partij werpt op dat het ondernemingsnummer in het verzoekschrift niet wordt vermeld en dat de verzoekende partij alleszins niet langer in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven voor activiteiten die verband houden met EPB-verslaggeving (code 71.121: ingenieurs en aanverwante activiteiten).

5. De verzoekende partij wederantwoordt dat artikel III.26 van het wetboek van economisch recht niet van toepassing is op procedures voor de Raad van State en dat zelfs indien deze bepaling van toepassing zou zijn, moet worden vastgesteld dat het ondernemingsnummer blijkt uit de bijlagen 2 en 10 bij het verzoekschrift. Zij voegt bij haar memorie van wederantwoord een uittreksel uit de Kruispuntbank van Ondernemingen om aan te tonen dat zij op het ogenblik van het inleiden van de vordering wel degelijk ingeschreven was. Het feit dat zij thans niet langer actief is als EPB-verslaggever, brengt niet mee dat haar de toegang tot de rechter moet worden ontzegd om op te komen tegen een administratieve geldboete die werd opgelegd bij de uitvoering van een vroegere opdracht van EPB-verslaggeving.

Beoordeling

6. In het verzoekschrift wordt onder “historiek” gesteld dat “[d]e bvba Edvice werd opgericht op 06/12/2007 met als ondernemingsnummer BE 0894 510 937 […]”. De exceptie mist bijgevolg feitelijke grondslag in zoverre wordt aangevoerd dat het verzoekschrift tot nietigverklaring geen ondernemingsnummer vermeldt.

VII-39.561-7/15

De verzoekende partij bewijst aan de hand van een uittreksel uit de Kruispuntbank van Ondernemingen dat zij op datum van het inleiden van de vordering in de Kruispuntbank van Ondernemingen was ingeschreven. De omstandigheid dat zij naderhand de inschrijving heeft geschrapt voor alle activiteiten die verband houden met EPB-verslaggeving, leidt niet tot de onontvankelijkheid van voorliggend beroep. De bestreden administratieve geldboete werd immers opgelegd wegens een beweerd verzuim van de verzoekende partij op een ogenblik dat zij diensten van EPB-verslaggeving verleende.

De exceptie wordt verworpen.

B. Tweede exceptie

7. De verwerende partij stelt dat het verzoekschrift geen duidelijke middelen bevat en de verzoekende partij zich beperkt tot het opsommen van een aantal feitelijkheden en commentaren over de opdracht van het VEA, het procedureverloop en de (opportuniteit van de) opgelegde geldboete. Op geen enkele wijze, zo stelt zij, wordt de schending van artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet uitgelegd op een wijze die tot de onwettigheid van de bestreden beslissing moet doen besluiten. Ook de algemene verwijzing naar een gebrek inzake “de motiveringsplicht”, is te vaag om er een middel in te kunnen ontwaren.

8. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat “de ontwikkeling van de middelen in het verzoekschrift tot nietigverklaring aan helderheid niets te wensen over[laat]” en dat de verwerende partij in staat is gebleken om een verweer ten gronde te voeren.

VII-39.561-8/15

Beoordeling

9. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. Deze vereiste houdt in dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid dat volgens de verzoekende partij werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden.

Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen.

Het komt niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van het algemeen procedurereglement.

10. Te dezen is de uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring voldoende duidelijk om een beweerde schending van artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet en van de formelemotiveringsplicht te onderkennen.

Ook de verwerende partij heeft in haar memorie van antwoord de aangevoerde “middelen” zo opgevat. Het verzoekschrift wordt ontvangen en hierna beoordeeld in de mate de verwerende partij het mocht begrijpen.

De exceptie wordt verworpen.

VII-39.561-9/15

V. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Standpunt van de partijen

11. Volgens de verzoekende partij diende het VEA de voormalige zaakvoerder Jan Lauriks aan te spreken, aangezien deze persoon over de vereiste bekwaamheden als EPB-verslaggever beschikt. Artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet duidt immers als verslaggever aan of de natuurlijke persoon of de rechtspersoon en het VEA beschikt dan ook over een keuzemogelijkheid. De orgaantheorie inzake vennootschappen, zo licht de verzoekende partij voorts toe, houdt in dat de zaakvoerders/bestuurders, gelet op het intuitu personae karakter, hun bestuurstaken niet geheel op derden mogen afwentelen, noch andere personen in hun plaats mogen stellen. Haar huidige zaakvoerder beschikt niet over de vereiste vakbekwaamheid inzake EPB-verslaggeving. Zij verkeert dan ook in de onmogelijkheid om zelf de gevraagde hernieuwingsaangifte op te stellen en in te dienen.

12. De verwerende partij antwoordt dat het standpunt van de verzoekende partij niet opgaat omdat uit het administratief dossier blijkt dat zij is opgetreden als “verslaggever” in de zin van art. 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet, dat enkel op de rechtspersoon/verslaggever de decretale verplichting rust tot herindiening van de EPB-aangifte, dat de tekortkoming aan de rapportageverplichting niet wordt betwist, dat volgens artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet “de zaakvoerder, een bestuurder of werknemer van een vennootschap” houder dient te zijn van het vereiste diploma en dat het feit dat Jan Lauriks sinds 2013 niet langer zaakvoerder is, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij als verslaggever-rechtspersoon geen hernieuwingsaangifte meer zou moeten indienen. Overigens erkent de verzoekende partij dat zij het EPB-verslag door een andere persoon zou kunnen laten indienen, maar acht zij zulks in de gegeven omstandigheden blijkbaar een onoverkomelijke verplichting.

VII-39.561-10/15

Praktische moeilijkheden voor de indiening van een hernieuwingsaangifte, brengen volgens de verwerende partij evenwel niet mee dat men van de rapportageverplichting wordt ontslagen.

13. In haar memorie van wederantwoord bevestigt de verzoekende partij dat de schending van artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet wordt ingeroepen.

Beoordeling

14. Overeenkomstig artikel 13.4.7 van het Energiedecreet rust de verplichting om desgevallend een nieuwe EPB-aangifte in te dienen bij de “verslaggever”.

Artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet, in de op het geding toepasselijke versie, definieert het begrip “verslaggever” als: “de natuurlijke persoon, houder van het diploma van architect, burgerlijk ingenieur-architect, burgerlijk ingenieur, industrieel ingenieur, technisch ingenieur, bio-ingenieur, graduaat bouw, architect-assistent, bachelor bouw, de afstudeerrichting klimatisering van de bachelor elektromechanica, bachelor in de toegepaste architectuur of interieurarchitect, of een daarmee gelijkgesteld buitenlands diploma, die in opdracht van de aangifteplichtige de startverklaring bezorgt aan het Vlaams Energieagentschap en de EPB-aangifte opstelt of de rechtspersoon, binnen de organisatie waarvan in opdracht van de aangifteplichtige de startverklaring bezorgd wordt aan het Vlaams Energieagentschap en de EPB-aangifte opgesteld wordt door een zaakvoerder, bestuurder of werknemer, houder van het diploma van architect, burgerlijk ingenieur architect, burgerlijk ingenieur, industrieel ingenieur, technisch ingenieur, bio-ingenieur, graduaat bouw, architect-assistent, bachelor bouw, de afstudeerrichting klimatisering van de bachelor elektromechanica en bachelor in de toegepaste architectuur of interieurarchitect, of een daarmee gelijkgesteld buitenlands diploma”.

VII-39.561-11/15

15. De verzoekende partij betwist niet dat de oorspronkelijke EPB-aangifte tekortkomingen vertoont. Evenmin betwist zij dat het aan de “verslaggever” toekomt een hernieuwingsaangifte in te dienen, wat tot op heden niet is gebeurd.

16. Op de oorspronkelijke EPB-aangifte werd de verzoekende partij aangeduid als verslaggever. Het komt dan ook in principe aan haar toe om de vereiste hernieuwingsaangifte in te dienen. De omstandigheid dat er door interne wijzigingen in de vennootschap thans geen vakbekwaamheid inzake EPB-rapportering meer aanwezig is, ontslaat de verzoekende partij er niet van om haar verplichtingen in het kader van het Energiedecreet te blijven nakomen, met inbegrip van de verplichting tot het indienen van een hernieuwingsaangifte in het dossier waarin zij initieel als EPB-verslaggever is opgetreden. Anders dan wat de verzoekende partij doet gelden, volgt uit artikel 1.1.3, 127°, van het Energiedecreet niet dat het VEA een keuze heeft om een natuurlijk persoon of een rechtspersoon aan te duiden om de hernieuwingsaangifte in te dienen. Deze bepaling geeft enkel aan dat zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, via hun zaakvoerder, bestuurder of werknemer, die over een welbepaalde bekwaamheid beschikken, als EPB-verslaggever kunnen optreden.

Het eerste middel is ongegrond.

B. Tweede middel

Standpunt van de partijen

17. De verzoekende partij stelt dat zij in haar verweerschrift van 3 augustus 2015 heeft gemeld dat “er in de boekjaren 2013 en 2014 geen enkele prestatie werd verricht in de bvba Edvice”, dat het verslag inzake energieprestatie “nooit werd afgeleverd aan de klant omdat deze laatste de factuur voor dit verslag nooit heeft betaald”, dat het VEA op deze elementen niet heeft geantwoord en het “als openbaar bestuur [aldus heeft] gefaald in haar motiveringsplicht”.

VII-39.561-12/15

18. Ervan uitgaande dat in het middel de schending wordt aangevoerd van de formelemotiveringsplicht, zoals vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), antwoordt de verwerende partij dat de argumenten van de verzoekende partij wel degelijk in overweging zijn genomen, dat het feit dat zij in de boekjaren 2013 en 2014 geen prestaties zou hebben verricht haar niet ontslaat van de decretale rapportageverplichting en bijhorende aansprakelijkheden, dat de rechtspersoon als dusdanig niet uit het rechtsverkeer is verdwenen en dat de verzoekende partij nog steeds geregistreerd is als verslaggever in de Energieprestatiedatabank. Voorts is het niet bewezen dat het EPB-verslag nooit werd afgeleverd. Bovendien is dit niet relevant aangezien de verslaggever als enige verantwoordelijk is voor de correcte rapportering en hij in geval van een niet waarheidsgetrouwe EPB-aangifte zelf moet instaan voor het indienen van een hernieuwingsaangifte. Ten slotte vallen contractuele geschillen onder toepassing van het burgerlijk recht en worden deze niet geregeld in het kader van de energieprestatieregelgeving.

19. In haar memorie van wederantwoord bevestigt de verzoekende partij dat zij de schending van de formelemotiveringsplicht inroept.

Beoordeling

20. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet dient de administratieve overheid in de individuele bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een “afdoende” wijze.

Om te voldoen aan de vereisten van de formelemotiveringsplicht volstaat het dat de beslissing de draagkrachtige redenen opgeeft die haar ondersteunen. Wanneer evenwel een beslissing wordt genomen in het kader van een georganiseerde administratieve beroepsprocedure dient het bestuur de

VII-39.561-13/15

argumenten van het bezwaarschrift terdege in overweging te nemen, opdat het recht van beroep zinvol zou zijn. De formelemotiveringsplicht vereist echter niet dat het bestuur op elk van de in beroep aangevoerde bezwaren antwoordt, maar uit de beslissing over het beroep moet wel blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de in beroep opgeworpen argumenten niet werden aanvaard.

21. In de bestreden beslissing worden de redenen uiteengezet waarom de verzoekende partij als verslaggever moet worden beschouwd en zij bijgevolg de verplichting tot herindiening van de EPB-aangifte dient na te komen.

Uit deze motieven kan impliciet maar zeker worden afgeleid dat het niet verrichten van EPB-diensten sedert 2013 en het beweerd niet afgeven van het EPB-verslag aan de opdrachtgevers wegens wanbetaling, voor de verwerende partij geen vrijstelling meebrengen van de verplichting, neergelegd in artikel 13.4.7 van het Energiedecreet.

Het tweede middel is ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

VII-39.561-14/15

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.561-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.450