Court annuls minister's refusal of firearms dealer license due to lack of reasoned decision and dismisses request for injunction.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Minister of Justice's decision refusing the applicant's firearms dealer license due to the lack of a reasoned administrative act. The applicant argued that the refusal violated the principle of reasoned decisions, while the state contended the matter involved balancing public order against individual freedom. The court ruled that the decision was invalid because it failed to provide the required reasons under the Firearms Act.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 5, § 3, second paragraph of the Firearms Act; The administrative decision refusing a license must be reasoned and cannot be based solely on a balancing of interests without explicit justification.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.422 van 17 oktober 2017
in de zaak A. 215.358/XIV-36.314
In zake : Youri MEEUS
wonend te 3370 Boutersem Groenstraat 9
alwaar woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 20 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de minister van Justitie van 22 januari 2015
waarbij in graad van georganiseerd administratief beroep gericht tegen het uitblijven van de beslissing van de Gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon […] wordt geweigerd”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van
XIV-36.314-1/11
23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Verzoeker heeft een verzoek tot toepassing van de artikelen 35/1
en 36, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017 .
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker dient op 14 mei 2014 een aanvraag in voor een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon.
3.2. Op 16 september 2014 dient verzoeker een bezwaarschrift in bij de federale wapendienst wegens het uitblijven van een beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant.
XIV-36.314-2/11
3.3. Op 22 januari 2015 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie verzoekers beroep op grond van de volgende motivering:
“In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de vrijheid om een zaak als wapenhandelaar en/of tussenpersoon op te starten anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of de uitbating van een wapenhandel door u (en uw vader) op het adres […]de openbare orde zou kunnen verstoren.
Conform artikel 5, § 3, tweede lid van de wapenwet kan een erkenning immers alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Dergelijke beslissing moet met redenen omkleed zijn.
Hierbij is gebleken dat er zich een probleem voordoet in de locatie van de exploitatiezetel van uw zaak, zoals is gebleken uit het administratief onderzoek van uw erkenningsaanvraag, en meer bepaald het advies van bevoegde burgemeester alsook de lokale politie. Hierin wordt er immers op gewezen dat tot op heden niet geweten is waar u uw handelsactiviteiten wenst te lokaliseren zodat nog niet kan worden nagegaan of deze voldoet inzake de veiligheidsvereisten.
De omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving stelt inzake het administratief onderzoek dat de burgemeester onder meer nagaat of met betrekking tot de gebouwen waarin de activiteit zal worden uitgeoefend, de nodige administratieve vergunningen werden verleend, bijvoorbeeld de bouwvergunning, de milieuvergunning, ... In casu kon het onderzoek ter zake niet gevoerd worden aangezien de locatie van de wapenhandel waarvoor de erkenning wordt aangevraagd nog niet gekend is. Zowel het advies van de burgemeester als van de lokale politie werd gegeven onder het voorbehoud dat de toekomstige exploitatielocatie dient te voldoen aan de wettelijke veiligheidsvoorwaarden.
Verder blijkt uit uw erkenningsaanvraag dat de concretisering van de activiteiten waarvoor een erkenning wordt aangevraagd, zich pas zou realiseren na het verkrijgen van een erkenningsnummer.
Zo stelt u dat een BVBA nog niet kon worden opgericht door omstandigheden buiten uw wil. U wenst deze op te richten met het wettelijk voorziene minimumkapitaal waarbij de financiële middelen hun oorsprong vinden in de spaarcenten van u en uw vader. Gezien de beperkte periode - volgend op het slagen voor het beroepsbekwaamheidsexamen - waarbinnen de erkenning moet worden aangevraagd, dient u, in afwachting van de oprichting van een BVBA, een aanvraag als natuurlijk persoon in teneinde uw slagen voor het examen te valideren binnen de voorziene periode.
Verder stelt u dat de locatie van de activiteiten voorlopig bij uw thuis moet worden gevestigd omdat u nog geen idee heeft waar deze zich naar de toekomst toe zal bevinden. U stelt dat u ten gepaste tijde een erkenning zal vragen voor elke exploitatiezetel van de vennootschap. Tenslotte wenst u een erkenning niet enkel als wapenhandelaar, doch tevens als tussenpersoon en dit voor alle wapentypes, zowel detailhandel als groothandel, in- en uitvoer alsook fabricatie.
Uit het geheel van uw aanvraag blijkt dus dat u zich eigenlijk wil laten erkennen voor vrijwel hypothetische activiteiten waarbij de geloofwaardigheid van de aanvraag pas zou kunnen worden bewezen na afgifte van de erkenning. Dergelijke kringredenering is niet de bedoeling van een erkenning die er immers op gericht zou moeten zijn om (op een nieuwe plaats) een elders reeds uitgeoefende of aangeleerde activiteit te organiseren. De erkenning mag er derhalve niet op gericht zijn om iemand een ‘carte blanche’ te geven voor het zelf ontwikkelen van een
XIV-36.314-3/11
nieuwsoortige activiteit in de wapensector waar het risico voor de openbare orde en veiligheid endemisch bij uitstek is.
Hierbij speelt overigens niet enkel de huidige aanvraag op zich een rol doch tevens de hele voorgeschiedenis van eerdere aanvragen van vergunningen en erkenningen van u en uw vader alsook de intrekking en/of weigering ervan. Ze zijn immers het bewijs van de onuitputtelijke drang van zowel u als uw vader om te kunnen doen wat jullie willen zonder zich te houden aan de logica en de bescherming die de wapenwet wenst te bieden tegen misbruiken van en/of ongelukken met wapens.
Uw erkenningsaanvraag is dermate vaag en niet geconcretiseerd dat ze sterk doet twijfelen aan de geloofwaardigheid en de oprechtheid van uw intenties.
Een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon voor handel in wapens en munitie van alle types (incl. detailhandel), voor activiteiten die plaatsvinden op plaatsen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, in het bijzonder activiteiten van groothandel, invoer/uitvoer en fabricatie en voor activiteiten als tussenpersoon (zonder verwerving van wapens - doorvoer), is immers zeer ruim terwijl er geen enkel concrete intentie tegenover wordt geplaatst. Het is niet duidelijk wat u precies wenst te doen, waar u dit wil doen en met welke middelen u dit alles wenst te financieren (buiten de vermelding van een zeker spaartegoed).
Derhalve zijn er te weinig concrete gegevens voorhanden om uw erkenningsaanvraag op verantwoorde wijze te evalueren. Uw aanvraag ontbeert beroepsernst, duidelijke en integere intenties en doet - in het licht van de voorgeschiedenis inzake uw wapenbezit - vermoeden dat ze werd ingediend met de verkeerde bedoelingen.
U en uw vader beschikken immers reeds particulier over meer dan 100 vuurwapens (m.n. 121 vuurwapens) louter en alleen met de bedoeling om hiermee aan sportief en recreatief schieten te doen. Deze wapens worden allen bewaard op eenzelfde adres, zijnde tevens het adres dat wordt aangereikt als voorlopige vestigingsplaats van de erkenning van wapenhandel/tussenpersoon.
Tevens probeerden u en uw vader verschillende malen om jullie wapenarsenaal ongebreideld te vermenigvuldigen wat resulteerde in verschillende erkenningsaanvragen voor een verzameling met een dermate uitgebreid thema dat het toeliet om nagenoeg alle wapens te verzamelen zonder dat er een oprechte intentie en interesse uit bleek als verzamelaar dan louter deze voor het zoveel mogelijk kunnen verwerven van vuurwapens. Uw bedoeling om zowel wapens voor privégebruik, als voor een verzameling en tevens voor een wapenhandel allen te bewaren op éénzelfde adres en dit tevens ook voor wat betreft uw vader Hubert Meeus, doet op zijn minst vragen rijzen omtrent de wijze waarop al deze activiteiten überhaupt nog kunnen worden gescheiden. Het feit dat u op verschillende manieren tracht om uw wapenbezit te vergroten, hetzij door uitputting van de in de wapenwet voorziene mogelijkheid tot privé-wapenbezit op basis van een wettige reden, hetzij door het trachten te verkrijgen van een erkenning als wapenverzamelaar met een onverantwoord uitgebreid thema, hetzij tenslotte door een erkenning als handelaar en/of tussenpersoon voor zeer diverse en uiteenlopende activiteiten, doet op zich reeds vermoeden dat het u er alleen maar om te doen is om zoveel mogelijk vuurwapens te kunnen bezitten, waar, wanneer en hoe u maar wil. Het feit dat uw vader Hubert Meeus telkens identieke aanvragen indient voor gelijkaardige vergunningen en erkenningen versterkt dit vermoeden eens te meer.
Het proportionaliteitsbeginsel vereist dat een bestuur geen sanctie kan opleggen waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen.
Het uitgangspunt van de wapenwet van 8 juni 2006 is onder andere om de samenleving te beschermen en het aantal ongelukken met wapens te verminderen.
XIV-36.314-4/11
Het is dus de bedoeling om preventief op te treden ten aanzien van personen en situaties die een potentieel gevaar inhouden.
Gelet op voormelde elementen waaronder de vaagheid van de erkenningsaanvraag in combinatie met het reeds voorhanden zijn van een zeer uitgebreid privé-wapenbezit op hetzelfde adres als de (voorlopige) vestigingsplaats van de erkenning alsook de verschillende pogingen om uw wapenbezit moeiteloos te kunnen uitbreiden op basis van een verzamelerkenning waarvan het thema keer op keer dermate ruim wordt geformuleerd dat het elke geloofwaardigheid als oprechte verzamelaar onderuit haalt, wordt gevreesd dat het door u uitoefenen van een wapenhandel en/of optreden als tussenpersoon een gevaar kan betekenen voor uzelf, voor anderen en voor de openbare orde en veiligheid.
De minister van Justitie is van oordeel dat u, ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, geen wapens mag verhandelen, noch mag optreden als tussenpersoon.
De gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant besliste dan ook terecht om uw aanvraag van een erkenning als wapenhandelaar en/of tussenpersoon te weigeren.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van het eerste onderdeel van het enige middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van artikel 30 juncto artikel 5, § 3, van de wapenwet, van artikel 7, § 1, van de wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook machtsoverschrijding. Verzoeker betoogt dat de vergunningverlenende overheid slechts over een zeer beperkte appreciatiemarge, beperkt tot de beoordeling van de strijdigheid met openbare orde en veiligheid, beschikt wanneer zij dient te oordelen over een aanvraag voor een erkenning van wapenhandelaar zoals te dezen.
In een eerste middelonderdeel doet verzoeker onder meer gelden dat geheel ten onrechte en op voluntaristische wijze in de bestreden beslissing wordt overwogen dat het verzoeker er alleen maar om te doen zou zijn “om te kunnen doen wat jullie willen zonder zich te houden aan de logica en de
XIV-36.314-5/11
bescherming die de wapenwet wenst te bieden tegen misbruiken van en/of ongelukken met wapens” - de verwerende partij het zelfs heeft over een “onuitputtelijke drang” - en dat verzoekers erkenningsaanvraag “sterk doet twijfelen aan de geloofwaardigheid en de oprechtheid van (diens) intenties”, dat hij “beroepsernst, duidelijke en integere intenties” zou ontberen en dat in het licht van de voorgeschiedenis van verzoekers wapenbezit het vermoeden zou bestaan dat de erkenningsaanvraag zou zijn ingediend met verkeerde bedoelingen en dat “wordt gevreesd dat het door u uitoefenen van een wapenhandel en/of optreden als tussenpersoon een gevaar kan betekenen voor uzelf, voor anderen en voor de openbare orde en veiligheid”, één en ander met verwijzing naar de vaagheid van verzoekers erkenningsaanvraag in combinatie met het reeds voorhanden zijn van een zeer uitgebreid privé-wapenbezit en diens verschillende pogingen om diens wapenbezit moeiteloos te kunnen uitbreiden op basis van een verzamelingserkenning die ongeloofwaardig zou zijn. Verzoeker doet die beweringen in de bestreden beslissing betreffende zijn intenties aangaande de erkenninsaanvraag af als niet pertinent aangezien er hem geen enkele inbreuk op de wapenwetgeving of enige andere wetgeving kan worden verweten. Hij stelt dat de weigering van voorgaande aanvragen van wapenvergunningen, alsook de weigering van de verzamelingserkenning en alle motieven die aan die weigering ten grondslag liggen, manifest onwettig zijn. Verzoeker verwijst ter zake naar de beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State gekend onder de rolnummers G/A. 215.192/XIV-36.273 en G/A. 214.719/XIV-36.188. De bewering in de bestreden beslissing dat verzoekers aanvraag diens ware bedoeling zou moeten verbergen of dat hij zou willen ontsnappen aan de toepassing van de wapenwet, acht verzoeker geheel onjuist en kennelijk onredelijk aangezien hij (en zijn vader)
reeds diverse wapenvergunningen hebben aangevraagd en verkregen.
Hij besluit dat alle beweringen die door de verwerende partij in de bestreden beslissing worden gedaan, niet bewezen worden - vandaar de schending van de materiëlemotiveringsplicht - en bovendien kennelijk onredelijk zijn.
XIV-36.314-6/11
5. De verwerende partij repliceert wat de beoordeling betreft van de redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde, dat de bestreden beslissing melding maakt van het advies van de procureur des Konings waarin wordt gesuggereerd om het aantal wapens in het huis van verzoeker en zijn zoon te beperken gelet op de aandacht die het wapenbezit zou hebben vanuit criminele hoek. Het vaststellen van het potentieel probleem voor de openbare orde en veiligheid staat blijkens de ontvangen adviezen los van de normale veiligheidsvoorschriften voor de opslag van wapens in huis. Volgens de verwerende partij worden de verzoeker en zijn vader, die zowel hun aantal vergunde wapens wensen uit te breiden en een wapenverzameling met een breed thema willen aanleggen als zonder enige beperkingen het beroep van wapenhandelaar willen uitoefenen terwijl zij een voltijdse job hebben dan wel op rust zijn gesteld en hun mandaat kosteloos willen uitoefenen, eerder gedreven door een passie voor wapens dan door de vereiste commerciële bedoelingen. De verwerende partij besluit dat het legitiem en redelijk is om deze motieven in aanmerking te nemen met het oog op het handhaven van de openbare orde.
Beoordeling
6. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
XIV-36.314-7/11
7. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing (supra, punt 3.3.) blijkt dat het feit dat de eerdere aanvragen tot het bekomen van wapenvergunningen en tot erkenning als wapenverzamelaar en die door de verwerende partij werden verworpen, een determinerend motief van de bestreden beslissing is. De verwerende partij is daarbij van oordeel dat deze “het bewijs [zijn]
van de onuitputtelijke drang van zowel [verzoeker] als [zijn] vader om te kunnen doen wat [zij] willen zonder zich te houden aan de logica en de bescherming die de wapenwet wenst te bieden tegen misbruiken van en/of ongelukken met wapens”.
De verwerping van de aanvragen waarop in de bestreden beslissing wordt gedoeld, maakte het voorwerp uit van twee beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State. In de zaak gekend onder het rolnummer G/A. 214.719/XIV-36.188 en die betrekking had op de weigering van 14 november 2014 van verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van vergunningen voor het voorhanden hebben van vuurwapens, wordt met het arrest nr. é.625 van 26 januari 2016 vastgesteld dat de bestreden beslissing door de verwerende partij werd ingetrokken. In de zaak G/A. 215.192/XIV-36.273 die betrekking had op het beroep tot nietigverklaring van de weigering van 22 januari 2015 van verzoekers aanvraag tot erkenning van een verzameling voor vijf vuurwapens, wordt met het arrest nr. 235.147 van 21 juni 2016 de bestreden beslissing vernietigd.
8. Uit het bovenstaande volgt aldus dat het determinerende motief van de bestreden beslissing, betreffende de verwijzing in de bestreden beslissing naar “de hele voorgeschiedenis van eerdere aanvragen van vergunningen en erkenningen […] alsook de intrekking en/of weigering ervan” wat volgens de verwerende partij “doet […] vermoeden dat [de aanvraag] werd ingediend met de verkeerde bedoelingen”, in rechte geen steun vindt in de feiten nu inzake beide aanvragen geen definitieve beslissing voorligt.
De bestreden beslissing steunt aldus op onbestaande of onvoldoende bewezen feiten waardoor er sprake is van een schending van de materiëlemotiveringsplicht.
XIV-36.314-8/11
9. Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond.
V. Gemotiveerd verzoek tot toepassing van de artikelen 35/1 en 36, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
Standpunt van verzoeker
10. In een “verzoekschrift ex art. 35/1 en 36 § 1 W.RvSt” vraagt verzoeker “om in het arrest dat in de huidige procedure zal volgen, de maatregelen te verduidelijken die moeten worden genomen om de onwettigheid die tot de nietigverklaring heeft geleid, te verhelpen” en dit “[a]angezien de verwerende partij nalaat om tijdig en afdoende rechtsherstel te bieden na intrekking van de beslissingen die in de procedures G/A 214.719/XIV-36188 en G/A 215.192/XIV-36273 werden aangevochten”. Verzoeker verduidelijkt dat die maatregelen er in bestaan “om in een nieuwe beslissing over verzoekers aanvraag recht te doen, m.n. door hem de erkenning van wapenhandelaar EN als tussenpersoon overeenkomstig diens aanvraag te verschaffen” en dit “overeenkomstig artikel 36 § 1 al. 1 W.RvSt […] binnen de termijn van één maand vanaf de datum van het tussen te komen arrest”.
Beoordeling
11. Artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt:
“Art. 35/1. Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen”.
Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit
XIV-36.314-9/11
van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd”. Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid”
(Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26).
12. Artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt:
“Art. 36. § 1. Wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, kan de afdeling bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen.”
13. De aangehaalde bepalingen houden niet in dat er te dezen een rechtsplicht in hoofde van de verwerende partij zou bestaan het administratief beroep in te willigen. Verzoeker maakt bovendien niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het voorliggende arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak. De stelling van verzoeker dat de verwerende partij nalaat om tijdig en afdoende rechtsherstel te bieden na intrekking van de beslissingen die in de procedures G/A 214.719/XIV-36.188 en G/A 215.192/XIV-36.273 werden aangevochten, volstaat alvast te dezen niet voor het opleggen van een injunctie aan de verwerende partij. De Raad van State ziet evenmin reden om te dezen te veronderstellen dat de verwerende partij niet binnen een redelijke termijn na de kennisneming van het voorliggende arrest een nieuwe beslissing zal nemen.
14. Het verzoek tot toepassing van de artikelen 35/1 en 36, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen.
XIV-36.314-10/11
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 22 januari 2015 waarbij in graad van georganiseerd administratief beroep gericht tegen het uitblijven van de beslissing van de Gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon wordt geweigerd.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.314-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.422