Belgian Council of State dismisses appeal due to failure to submit counter-memorandum within statutory deadline.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Belgian Council of State rejected the applicant's appeal against a prison disciplinary sanction for failing to submit a counter-memorandum within the required sixty-day period. Although the applicant appeared in court and admitted the procedural lapse, the court strictly applied the rule that missing this deadline extinguishes the right to challenge the decision. Consequently, the appeal was dismissed, and the applicant was ordered to bear the associated court costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 21, second paragraph of the Council of State Rules; Article 14bis, § 1 of the Regent's Decision of 23 August 1948: Failure to submit a counter-memorandum within the statutory period results in the lack of standing required to obtain annulment of the contested decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.413 van 17 oktober 2017
in de zaak A. 220.796/XIV-37.254
In zake: Paul PIETERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 25 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Leuven Centraal van 27 september 2016 waarbij verzoeker een tuchtsanctie opgelegd kreeg van 2 dagen afzondering (van 28 tot en met 29 september 2016) wegens beledigingen van personeel en het geven van drie punten in het puntensysteem ‘tussenregime’ van de gevangenis van Leuven Centraal”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 3 maart 2017.
XIV-37.254-1/4
Op respectievelijk 8 juni 2017 en 6 juni 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Valerie Kruijen, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor verzoeker, en attaché Wim Van Brussel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.
XIV-37.254-2/4
Bij het versturen aan verzoeker van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent.
Verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
4. Ter terechtzitting werd verzoeker gehoord en werd hem gevraagd naar zijn eventueel belang. Verzoeker betwist niet dat hij nagelaten heeft om tijdig een memorie van wederantwoord in te dienen.
5. Krachtens het voormelde artikel 21, tweede lid, dient derhalve te worden vastgesteld dat het vereiste belang ontbreekt om de gevorderde vernietiging te verkrijgen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-
klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.254-3/4
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.254-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.413