Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.407 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.407 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for police disciplinary suspension due to lack of urgent necessity and prima facie invalidity.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.407
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a disciplinary suspension order against a police inspector. The applicant argued for urgent necessity based on financial hardship, but failed to provide concrete evidence regarding family income or debt composition. Consequently, the court found that neither the threshold of prima facie invalidity nor the strict requirement of urgent necessity was met under the relevant administrative law provisions.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Council of State laws; A suspension of enforcement by urgent necessity requires both prima facie invalidity and urgent necessity incompatible with ordinary proceedings, which were not cumulatively satisfied here.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative suspension urgent necessity prima facie invalidity disciplinary measure police inspector enforcement suspension Council of State suspension de l'instruction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, §§ 1 and 4 of the coordinated Council of State laws
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 239.407 van 13 oktober 2017

in de zaak A. 223.474/XIV-37.530

In zake: Christian SEVENANTS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de LOKALE POLITIEZONE 5391

BIERBEEK/BOUTERSEM/HOLSBEEK/LUBBEEK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaëtane Pelsmaekers kantoor houdend te 3020 Herent Arnoudt Rulenslaan 19

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 8 oktober 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van het politiecollege van 28 september 2017 […] tot verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel met inhouding van 10% van de brutowedde.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

XIV-37.530-1/9

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Sarah Brouwers, die loco advocaat Gaëtane Pelsmaekers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie Bierbeek /Boutersem/Holsbeek/Lubbeek.

Verzoeker wordt op 3 oktober 2016 door de korpschef van de politiezone, als gewone tuchtoverheid voor verzoeker, bij dringende noodzakelijkheid voorlopig geschorst bij ordemaatregel voor een duur van vier maanden met een inhouding van wedde van 25%. Deze beslissing wordt op 5 oktober 2016 bevestigd door het politiecollege als hogere tuchtoverheid.

Op 27 januari 2017 en 19 mei 2017 wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel telkens door het politiecollege verlengd voor een duur van vier maanden met een inhouding van wedde van 10%.

XIV-37.530-2/9

Op 28 september 2017 wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een derde maal door het politiecollege verlengd voor een duur van vier maanden met een inhouding van wedde van 10%. Dit is de bestreden beslissing.

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid

5. Onder het kopje “Over de spoedeisendheid” voert verzoeker aan dat het begrip spoedeisendheid minder streng is dan het vroegere “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” en ontleend wordt aan het civielrechtelijk procesrecht.

Volgens verzoeker volstaat het aan te tonen dat hij vreest voor schade of voor ernstige nadelen waardoor een onmiddellijke beslissing wenselijk is. Verzoeker betoogt dat een onmiddellijke beoordeling zich opdringt omdat uitstel er toe zal leiden dat de schorsingsperiode van vier maanden verstreken is. Volgens verzoeker wordt in de bestreden beslissing geopperd dat hij schuldig is aan zeer ernstige feiten, hetgeen volgens verzoeker een blamage is en een zware aantasting van zijn eer en goede naam. Volgens hem oordeelde de Raad van State in bepaalde arresten die volgens hem gelijkaardige dossiers betroffen dat een zeer gelijkaardige formulering als in de bestreden beslissing op het eerste zicht bij derden de indruk wekt dat verzoeker een zeer ernstige misstap heeft begaan en dat omwille van het

XIV-37.530-3/9

moreel nadeel en reputatieschade niet langer dan strikt noodzakelijk kon gewacht worden om uitspraak te doen. Die redenering gaat ook te dezen op, aldus verzoeker. Verzoeker wijst tevens op het financiële nadeel dat de wedde-inhouding met zich mee brengt voor hemzelf en zijn gezin waardoor hij zijn aflossingen niet meer kan volhouden en er zich een schuldenberg dreigt op te bouwen.

Onder het kopje “Over de uiterst dringende noodzakelijkheid”

voert verzoeker aan dat de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing ongetwijfeld laattijdig zal zijn gezien de bestreden beslissing slechts een uitvoeringsduur van vier maanden heeft, noch kan hij het resultaat van de procedure ten gronde afwachten. Verzoeker wijst op de onmiddellijke ingang en de onomkeerbaarheid van de bestreden beslissing: zijn eer en goede naam zijn onomkeerbaar aangetast en zijn carrièrekansen worden met de dag beperkter aangezien hij geen enkele bijscholing meer kan volgen en hij niet op de hoogte blijft van de vele procedurele wijzigingen binnen het politiewezen. Tot slot wijst verzoeker nog op zijn eigen diligent handelen.

Beoordeling

6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.

De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst

XIV-37.530-4/9

dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.

Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.

De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzake-

lijkheid eraan inherent is.

Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).

7. Uit bovenstaande volgt dat de enkele omstandigheid dat een gewone vordering tot schorsing niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen na het verstrijken van de termijn van de bestreden beslissing niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden.

XIV-37.530-5/9

8. De thans bestreden beslissing betreft een verlenging van een preventieve schorsing of een schorsing in het belang van de dienst met een duur van vier maanden met een inhouding van wedde van 10%. Ze is na de beslissingen van 27 januari 2017 en 19 mei 2017, de derde op zichzelf staande beslissing op rij waarmee de aanvankelijk met een beslissing van 5 oktober 2016 opgelegde voorlopige schorsing voor een duur van vier maanden met inhouding van wedde, aanvankelijk 25% later teruggebracht tot 10%, wordt verlengd voor eenzelfde duur. Het gaat dus om de vierde beslissing waarmee deze ordemaatregel wordt opgelegd.

Verzoeker heeft geen enkele van de drie eerdere beslissingen aangevochten, niet met een beroep tot nietigverklaring en evenmin met een vordering tot schorsing, al dan niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In het verzoekschrift geeft hij hiervoor geen reden op en toont hij evenmin aan waarom er te dezen, anders dan bij de drie vorige beslissingen, wel sprake zou zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid.

Het komt aan verzoeker toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat hij thans de derde verlenging van deze voorlopige schorsing bij ordemaatregel onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die hij door die derde verlenging dreigt te ondergaan, van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten. Hij moet aldus inzichtelijk maken waarom de zaak thans voor hem spoedeisend is, terwijl ze dat ter gelegenheid van de eraan voorafgaande schorsingen blijkbaar niet was.

9. Dat verzoeker, naar hij stelt, zijn eer en goede naam zwaar wordt aangetast doordat volgens hem in de bestreden beslissing wordt geopperd dat hij schuldig is aan zeer ernstige feiten, is een gegeven dat refereert aan een moreel nadeel dat verzoeker ingevolge de bestreden beslissing kan lijden. Hiermee is nog niet in concreto aangetoond waarom dat moreel nadeel van dien aard zou zijn dat

XIV-37.530-6/9

een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen, zodat hij aldus het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. De bestreden beslissing is immers een (derde) verlenging van een preventieve schorsing bij ordemaatregel, waarbij uit zijn aard een dergelijke beslissing de schuld van verzoeker buiten beschouwing laat. De eigen beoordeling van de draagwijdte van formele motivering van de bestreden beslissing, noch de enkele, in algemene termen gestelde verwijzing naar de perceptie door derden van de betekenis en de draagwijdte van de bestreden verlenging en de vermeende weerslag hiervan op verzoekers reputatie, toont op zich niet aan dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, minstens dat van een gewone schorsingsvordering.

Wat de verwijzing betreft naar de voortschrijdende beperking van “zijn carrièrekansen”, geeft verzoeker geen enkele concrete indicatie van het bestaan ervan, of een bijzondere omstandigheid hiervan aan, noch maakt hij in concreto aannemelijk waarom deze “met de dag beperkter” wordende carrièrekansen van dien aard zouden zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest hem niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen, zodat hij aldus het resultaat van de procedure ten gronde niet zou kunnen afwachten en dat los van de vaststelling dat verzoeker niet duidelijk maakt waarom hij alsnog zijn carrièrekansen niet zou kunnen realiseren ingeval het voorliggende beroep tot nietigverklaring finaal wordt ingewilligd. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat hij in de huidige stand van zaken - zijnde een voorlopige schorsing van vier maanden - zijn carrièrekansen niet meer zou kunnen realiseren, minstens dat door de bestreden beslissing hij dreigt zich ter zake in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen voor zijn carrièreverloop. Met voor het eerst ter terechtzitting aangevoerde argumenten mag voorts geen rekening worden gehouden.

Wat het voorgehouden financieel nadeel betreft, waarvoor verzoeker verwijst naar “maandelijkse aflossingen” en een dreigende “schuldenberg”, volstaat de vaststelling dat in het verzoekschrift tot schorsing bij

XIV-37.530-7/9

uiterst dringende noodzakelijkheid geen enkele toelichting wordt verschaft over de samenstelling van verzoekers gezin, over de inkomsten van het gezin en over het bedrag van de maandelijkse lasten. Evenmin wordt enig stuk bijgebracht dienaangaande. Verzoeker toont dus niet met concrete gegevens aan dat de omvang van het (persoonlijk) financieel nadeel dermate is dat hij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Dit klemt des te meer nu de aanvankelijke beslissing een inhouding van wedde van 25% voorzag terwijl de latere beslissingen en de bestreden beslissing een inhouding van 10%

voorzien.

Verzoeker toont aldus niet aan dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing thans wel onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken terwijl dat voor de eerdere beslissingen niet het geval zou zijn geweest, althans niet in die mate dat het verzoeker tot het aanvechten van die beslissingen zou hebben genoopt.

10. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker diligent zou hebben gehandeld met het indienen van het verzoekschrift.

Voorts staat het standpunt van verzoeker dat de invulling van het begrip spoedeisendheid is ontleend aan het civielrechtelijk procesrecht en dat de beoordeling ervan minder streng zou zijn dan het vroegere “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, er niet aan in de weg dat bij de invulling van het wettelijk begrip spoedeisendheid rekening moet worden gehouden met de eigen omstandigheden van het objectief contentieux van de Raad van State (Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2271/1, 13). Ter beoordeling van de Raad van State staat voorts een volkomen andere wettelijke voorwaarde - de spoedeisendheid - waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, noch noodzakelijkerwijze “minder streng” zou (moeten)

zijn dan de voorheen geldende vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”.

XIV-37.530-8/9

Conclusie

11. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

VI. Kosten

12. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.

De griffier De voorzitter

Nick Hollevoet Geert Debersaques

XIV-37.530-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.407