Court dismisses urgent suspension request for prison disciplinary isolation due to lack of urgency and direct harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the immediate execution of a twenty-day disciplinary isolation order in a Belgian prison. The applicant argued for urgent relief based on potential future disciplinary proceedings and moral distress, but the court found no direct, irreversible harm. Consequently, the court ruled that the statutory requirements for an urgent suspension were not met.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Rules; An urgent suspension request requires cumulative proof of urgency and direct, irreversible harm, which mere moral distress or hypothetical future proceedings do not satisfy.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.406 van 13 oktober 2017
in de zaak A. 223.488/XIV-37.531
In zake: Wim MINNAERT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gunter Fransis kantoor houdend te 3000 Leuven Naamsestraat 165
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 9 oktober 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de directeur van de strafinrichting Leuven Centraal […]
genomen op 3 oktober 2017 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd: 20 dagen afzondering van 01/10/2017 13u30 tot 21/10/2017 13u30.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017, om 10.00 uur.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
XIV-37.531- 1/8
Advocaat Kristien Vanderheiden, die loco advocaat Gunter Fransis verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Leuven.
3.2. Op 30 september 2017 wordt er lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld.
3.3. Op 3 oktober 2017 wordt aan verzoeker de tuchtstraf “20 dagen afzondering van 1/10/2017 13u30 tot en met 21/10/2017 13u30” opgelegd wegens “de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee” en “de opzettelijke aantasting van de orde” (inbreuken van de eerste categorie). Deze beslissing is gesteund op de volgende motivering:
“Op 30/9/2017 wordt [R. A.], een medegedetineerde van betrokkene, ernstig verwond in zijn cel. Gedetineerde [R. A.] wordt zwaar toegetakeld met een scherp voorwerp, vermoedelijk een gebroken koffietas. Uit het RAD dat omtrent dit inci-
dent wordt opgesteld, blijkt dat er werd vastgesteld dat betrokkene samen met een andere gedetineerde, [E. R.], richting de cel van gedetineerde [R. A.] stapt. Ver-
volgens blijft betrokkene op de uitkijk staan terwijl gedetineerde [E. R.] de cel van gedetineerde [R. A.] binnengaat en even ter plekke blijft. Gedetineerde [R. A.]
verlaat nadien gewond zijn cel. Op de hoorzitting ontkent betrokkene dat hij samen met gedetineerde [E. R.] richting de cel van gedetineerde [R. A.] stapt. Hij beweert dat hij zich ter hoogte van de speelzaal bevindt op het moment dat gedetineerde [E. R.] zijn cel verlaat om naar de cel van gedetineerde [R. A.] te gaan. Wanneer hij geconfronteerd wordt met het gegeven dat we de camerabeelden hebben bekeken en dat hierop wel degelijk wordt vastgesteld dat hij samen met gedetineerde [E. R.]
richting de cel van gedetineerde [R. A.] stapt, blijft hij dit ontkennen. Hij geeft aan
XIV-37.531- 2/8
dat hij enkel even gaan kijken is omdat hij een geluid hoorde. Hij wenste zich er verder niet mee te moeien uit schrik voor represailles nadien.
Gelet op de blijvende ontkenning van betrokkene tijdens de hoorzitting, werden de camerabeelden nogmaals nagekeken om elke twijfel weg te nemen. Opnieuw wordt duidelijk vastgesteld dat betrokkene samen met gedetineerde [E. R.] richting de cel van gedetineerde stapt. Waar gedetineerde [E. R.] dan effectief de cel van gedetineerde [R. A.] binnenstapt, zet betrokkene zich enkele meters verder, ter hoogte van de speelzaal, terwijl hij duidelijk rondkijkt om na te gaan of niemand toekijkt. Verder nazicht van de beelden leert ons bovendien het volgende: betrok-
kene gaat inderdaad iets later een kijkje nemen ter hoogte van de cel van gedeti-
neerde [R. A.] en blijft daar dan staan tot aan het einde van het incident. Van zodra gedetineerde [E. R.] de cel van gedetineerde verlaat en terug naar zijn cel gaat, verplaatst betrokkene zich opnieuw naar de speelzaal. Enkele minuten later stellen we vast dat gedetineerde [E. R.] omgekleed terug uit zijn eigen cel komt. Betrok-
kene begeeft zich vervolgens naar de cel van gedetineerde [E. R.]. Hij komt terug buiten met een blauwe t-shirt in zijn handen, de t-shirt die gedetineerde [E. R.]
droeg op het moment van het incident. Betrokkene neemt deze t-shirt mee naar zijn cel, vermoedelijk om dit bewijsmateriaal te laten verdwijnen. Hieruit blijkt eens te meer de betrokkenheid van betrokkene bij dit incident. Gelet op de manier waarop het incident heeft plaatsgevonden, lijkt het om een afrekening te gaan. We tillen hier enorm zwaar aan. De verwondingen waren zeer ernstig, gedetineerde [R. A.] werd toegetakeld in zijn aangezicht, ter hoogte van zijn oog. De gevolgen hiervan zijn momenteel nog niet volledig duidelijk. We kunnen dit zeer gewelddadige gedrag in geen enkel opzicht tolereren, dit getuigt van een absoluut gebrek aan normbesef en is zeer nefast voor de interne orde en veiligheid van deze gevangenis. Betrokkene heeft het geweld zelf misschien niet gepleegd, doch heeft het wel mee mogelijk gemaakt en heeft nadien bewijsmateriaal doen laten verdwijnen. Dit getuigt van even weinig normbesef als de pleger van het geweld. Een strenge sanctie dringt zich dan ook op.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. De schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
XIV-37.531- 3/8
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Verzoeker voert onder het kopje “Over de spoedeisendheid” aan dat het begrip spoedeisendheid minder streng is dan het vroegere “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” en ontleend wordt aan het civielrechtelijk procesrecht.
Volgens verzoeker volstaat het aan te tonen dat hij vreest voor schade of voor ernstige nadelen waardoor een onmiddellijke beslissing wenselijk is. Verzoeker betoogt dat hij thans nadeel lijdt en dat de opgelegde tuchtsanctie vermeld wordt in zijn detentiedossier zodat de directie hiermee rekening zal houden indien er een echte overtreding zou plaatsvinden. Verzoeker ervaart de schending van zijn rechten als een moreel leed en hij wijst er op dat hij bijna in de tijdsvoorwaarden is voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. De strafuitvoeringsrechtbank zal echter rekening houden met de tuchtsanctie en deze zal dan ook een negatieve invloed hebben op zijn reclassering, aldus verzoeker.
Onder het kopje “Over de uiterst dringende noodzakelijkheid”
voert verzoeker aan dat een beslissing volgens de normale behandelingstermijn van een vordering tot schorsing laattijdig zal zijn gezien de bestreden beslissing slechts een uitvoeringsduur heeft van twintig dagen. Tot slot wijst verzoeker nog op zijn eigen diligent handelen.
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
XIV-37.531- 4/8
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzake-
lijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een
XIV-37.531- 5/8
toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
7. Uit bovenstaande volgt dat de enkele omstandigheid dat een gewone vordering tot schorsing niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen na het verstrijken van de termijn van de bestreden beslissing, niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden.
8. In de mate dat verzoeker ter adstructie van de spoedeisendheid refereert aan de negatieve invloed van de bestreden beslissing op de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten en op de weerslag op zijn mogelijke reclassering, beroept verzoeker zich vooreerst op zuiver hypothetische gevolgen nu hij niet aannemelijk maakt dat een dergelijk verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling hangende is of kortelings aanhangig wordt gemaakt. Hoe dan ook belet overigens niets dat verzoeker in voorkomend geval, ook zonder een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, voor de strafuitvoeringsrechtbank de onwettigheid van de hem opgelegde tuchtsanctie aanvoert en dat hij daarbij verwijst naar een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen die tuchtsanctie. Voorts vormt het feit dat de strafuitvoeringsrechtbank zich mogelijkerwijze een mening zal vormen over de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtvervolging van verzoeker, evenmin een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
In de mate dat verzoeker wijst op de mogelijke gevolgen van de thans opgelegde tuchtsanctie voor eventuele nieuwe tuchtprocedures, betreft zulks evenmin een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Als dat geval zich zou voordoen, zullen immers nieuwe beslissingen op grond van andere feiten worden genomen. Voorts gaat het om louter hypothetische gevolgen waarvan derhalve geen onherroepelijk schadelijk karakter wordt aangetoond.
XIV-37.531- 6/8
Verzoeker haalt ook “een moreel belang” aan ter adstructie van het spoedeisend karakter van zijn vordering. Waar verzoekers belang om de voorliggende tuchtsanctie aan te vechten niet als zodanig wordt betwist, volstaat het bestaan van een moreel belang op zich niet om de spoedeisendheid te verantwoorden. In de mate dat verzoeker doelt op morele schade die hij ondergaat ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, toont hij niet in concreto aan waarom die morele schade van dien aard zou zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen, zodat hij aldus het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.
9. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker diligent zou hebben gehandeld met het indienen van het verzoekschrift.
Voorts staat het standpunt van verzoeker dat de invulling van het begrip spoedeisendheid is ontleend aan het civielrechtelijk procesrecht en dat de beoordeling ervan minder streng zou zijn dan het vroegere “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, er niet aan in de weg dat bij de invulling van het wettelijk begrip spoedeisendheid rekening moet worden gehouden met de eigen omstandigheden van het objectief contentieux van de Raad van State (Parl. St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2271/1, 13). Ter beoordeling van de Raad van State staat voorts een volkomen andere wettelijke voorwaarde - de spoedeisendheid - waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, noch noodzakelijkerwijze “minder streng” zou (moeten)
zijn dan de voorheen geldende vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”.
Conclusie
10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
XIV-37.531- 7/8
VI. Kosten
11. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Nick Hollevoet Geert Debersaques
XIV-37.531- 8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.406