Belgian Court dismisses prisoner's appeal as prison transfer decisions fall under executive power, not State Council jurisdiction.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against the Minister of Justice's refusal to transfer him to a prison in the Leuven or Antwerp region. The court found that the decision to place a detainee in a specific facility is a direct exercise of executive power in enforcing a court-sentenced sentence. Consequently, such administrative acts lie outside the Council of State's jurisdiction and are subject only to the prison authority's internal review.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17 of the Prison Act of 12 January 2005; The decision by the executive branch to assign a detainee to a specific prison facility constitutes direct cooperation in the enforcement of a sentence and falls outside the jurisdiction of the Council of State.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.397 van 13 oktober 2017
in de zaak A. 220.648/XIV-37.232
In zake: Tarik NAJMI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Verkeyn kantoor houdend te 8400 Oostende Kaïrostraat 85
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 4 november 2016, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 oktober 2016 van de minister van Justitie waarbij verzoekers verzoek tot overplaatsing naar een gevangenis in de regio Leuven of Antwerpen wordt geweigerd.
Verzoeker vraagt tevens de volgende voorlopige maatregel te willen bevelen:
“Dat de federale overheidsdienst justitie de beslissing dd. 6 oktober 2016 waarbij aan verzoeker een overplaatsing naar een inrichting in de regio Antwerpen werd geweigerd dient te herzien binnen de 14 dagen na de tussengekomen beslissing en […] verzoeker hierbij voorlopig dient te plaatsen in één van haar inrichtingen op aanvaardbare (traject heen-en terug van minder dan 2 uur) afstand met het openbaar vervoer van de woonplaats van de familie van verzoeker, zijnde Antwerpen, gekoppeld aan een dwangsom per dag vertraging.”
XIV-37.232-1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Charlotte Verkeyn verschijnt voor verzoeker, is gehoord.
Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is, nadat hij op 6 juni 2016 op vraag van de gevangenisdirectie werd overgeplaatst vanuit de gevangenis van Beveren, op het ogenblik van de bestreden beslissing opgesloten in de gevangenis te Brugge.
XIV-37.232-2/7
3.2. Met een brief van 10 juni 2016 aan het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen dient verzoeker een bezwaar in tegen zijn overplaatsing.
Dit bezwaar wordt door de verwerende partij beantwoord met een brief van 13 juni 2016.
3.3. Op 8 september 2016 wordt door de directie van de gevangenis van Brugge, op verzoekers aansturen, een verzoek tot overplaatsing van verzoeker naar een gevangenis in de regio Leuven of Antwerpen overgemaakt aan het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen.
3.4. Met een beslissing van 6 oktober 2016 van het directoraat-generaal penitentiaire inrichtingen wordt het verzoek geweigerd op grond van de volgende motivering:
“[…]
Over de ware toedracht van het gebeurde in Beveren kan onze dienst zich niet uitspreken - we hebben ons gebaseerd op de informatie van de directie, die een directe verwijdering vroeg.
Hoe dan ook, een nieuwe transfer is momenteel uitgesloten. Zoals reeds aan zijn advocaat, […], werd meegedeeld heeft de man niet het geschikte profiel voor een verblijf in Leuven-centraal.
Naar Merksplas en Wortel kan hij niet wegens zijn te hoge strafcategorie en Turnhout is en blijft in eerste instantie een arresthuis, waar slechts per uitzondering gedetineerden worden opgenomen.
Hoewel we begrijpen dat de bezoekers van [verzoeker] een grotere inspanning moeten leveren en wij van u vernemen dat hij zich de voorbije drie maanden correct heeft gedragen in Brugge, achten wij het te vroeg om een nieuwe transfer toe te kennen en zijn er eenvoudigweg ook bijna geen mogelijkheden.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Rechtsmacht van de Raad van State
Standpunt van de partijen
4. Verzoeker anticipeert in zijn verzoekschrift op een eventuele exceptie die door de verwerende partij zou kunnen worden aangevoerd. Hij betoogt onder het kopje “ontvankelijkheid en belang” dat de bestreden beslissing duidelijk
XIV-37.232-3/7
is genomen op basis van zijn vermeend gedrag en een invloed heeft op zijn rechtssituatie. Gelet op de inhoud en de omstandigheden van de bestreden beslissing betreft het geen louter interne beslissing tot regeling van de goede werking van de dienst, maar wel een bestuursrechtelijke beslissing die aan de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State is onderworpen gelet op de weerslag ervan op zijn rechtspositie.
5. In haar nota werpt de verwerende partij een eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Zij voert daarin aan dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vordering. De verwerende partij betwist het standpunt van verzoeker dat de beslissing om hem over te plaatsen een verdoken tuchtsanctie uitmaakt. Daarbij wijst de verwerende partij er in de eerste plaats op dat niet de beslissing om hem over te plaatsen maar wel de weigering tot wederoverplaatsing de bestreden beslissing vormt. De verwerende partij verwijst vervolgens naar de e-mail van de directie van de gevangenis van Beveren van 31 mei 2016 waarin om de overplaatsing wordt verzocht en waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat het doel van de overplaatsing niet lag in het sanctioneren van laakbaar gedrag, maar in het verhelpen van een vastgesteld veiligheidsprobleem.
De aanwezigheid in dezelfde inrichting van verzoeker en een personeelslid van de PSD dat verzoeker kende van vorige detenties bracht spanningen teweeg en verzoekers overplaatsing moest vermijden dat die spanning zou escaleren. De verwerende partij haalt aan dat de overplaatsing ten andere geen door de wet voorziene tuchtsanctie is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State, is de Raad niet bevoegd om zich uit te spreken over beslissingen die uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- of voorzichtigheidsoverwegingen.
Beoordeling
6. De wijze waarop de uitvoerende macht een gevangenisstraf ten uitvoer legt kadert in de rechtstreekse medewerking van het bestuur aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf waartoe een gedetineerde werd veroordeeld
XIV-37.232-4/7
bij een vonnis of arrest van de strafrechter en waarop de rechterlijke macht toezicht houdt. Zij vallen aldus buiten de rechtsmacht van de Raad van State.
De beslissing om de vrijheidsstraf in een bepaalde instelling te ondergaan is een modaliteit van de uitvoering van de gevangenisstraf waartoe de gedetineerde veroordeeld is. De weigering om de uitvoering van de vrijheidsstraf in een andere instelling voort te zetten, zoals de bestreden beslissing, is dat evenzeer.
7. Met de bestreden beslissing wordt het verzoek tot overplaatsing dat de directie van de gevangenis van Brugge op aangeven van verzoeker heeft ingediend, geweigerd. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing (supra, punt 3.4.) blijkt dat die weigering is ingegeven door het feit dat verzoeker niet het profiel heeft dat vereist is voor de gevangenissen in de door hem verkozen regio. Voorts blijkt uit de hiervoor aangehaalde bestreden beslissing niet dat zij zou zijn gemotiveerd door verzoekers schuldig bevonden gedrag. Zij kadert aldus binnen de bevoegdheid bepaald in artikel 17 van de basiswet van 12 januari 2005
„betreffende het gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden‟.
De bestreden beslissing past aldus in de voormelde rechtstreekse medewerking van het bestuur aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en valt uit wat voorafgaat, alzo buiten de rechtsmacht van de Raad van State.
8. De enkele omstandigheid dat de bestreden beslissing grief-
houdend zou zijn en verzoekers rechtspositie zou wijzigen, volstaat op zich niet opdat de Raad van State ter zake rechtsmacht zou hebben.
Conclusie
9. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond.
Het beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk.
XIV-37.232-5/7
V. Toepassing kortedebattenprocedure
10. De niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, eveneens moet worden verworpen.
Ook de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel moet, als accessorium van de vordering tot schorsing, worden verworpen.
11. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro.
XIV-37.232-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.232-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.397