Court allows urgent suspension of school board's orientation certificate due to lack of extreme necessity.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's request for an urgent suspension of the school board's decision to grant an orientation certificate C. The applicant, a student with poor grades in mathematics and electricity, argued that the decision lacked extreme necessity and proper motivation. The court ruled that the applicant's poor academic performance and lack of remedial efforts did not constitute extreme necessity, thus the suspension request failed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; The Council of State held that a request for urgent suspension of a school board's decision requires proof of extreme necessity, which was not met by the applicant's poor academic performance.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.389 van 12 oktober 2017
in de zaak A. 223.434/IX-9150
In zake: Wout VAN DE MIEROOP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW KATHOLIEK ONDERWIJS BISDOM ANTWERPEN
VOORKEMPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 28 september 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen Voorkempen van “13 september 2017” (versta: 11 september 2017)
waarbij het oriënteringsattest C dat door de delibererende klassenraad werd toe-
gekend aan Wout Van de Mieroop, wordt gehandhaafd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-9150-1/28
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2017, om 10.30 uur.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij, Fons Van de Mieroop en Ute Eilers, ouders van de verzoekende partij, en advocaat Christophe Vangeel, die loco advocaat Jean Hendrickx verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-
vies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör-
dineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2016-2017 leerling in het eerste jaar van de derde graad „elektromechanica‟ (TSO) in het Sint-Jozefinstituut te Schoten.
Zijn eindrapport vermeldt de volgende jaarresultaten:
- Godsdienst 67%
- Nederlands 70%
- Frans 52%
- Engels 61%
- Aardrijkskunde 69%
- Geschiedenis 58%
- Wiskunde 48%
IX-9150-2/28
- Lichamelijke Opvoeding 66%
- Elektromechanische Processen Automatie 70%
Elektriciteit 42%
Elektromechanische projecten 67%
Mechanica 54%
Mechanica projecten 71%
3.2. Op 30 juni 2017 beslist de over verzoeker delibererende klas-
senraad om hem een oriënteringsattest C toe te kennen.
Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
“Tekort voor: Wiskunde & Elektriciteit Zwak voor: De tekorten en lage cijfers tonen aan dat de leerling de leer-
plandoelstellingen voor deze vakken op onvoldoende wijze heeft bereikt.
De delibererende klassenraad oordeelt dat de leerling onvoldoende inzet heeft getoond waardoor hij over onvoldoende kennis en vaardigheden beschikt om te kunnen slagen in het volgende leerjaar van dezelfde of evenwaardige studierichting.
Heeft geen gebruik gemaakt van de aangeboden remediëringskansen en is niet naar de bijwerkklassen gekomen. Heeft geen herhalingstaken gemaakt.
Studievaardigheden en studie-inzet, planning en organisatie vormen een probleem.”
3.3. Een overleg op 4 juli 2017 tussen de schooldirecteur en de ou-
ders van verzoeker leidt tot de beslissing van de directeur dat “[d]e elementen die [zij hebben] aangebracht, […] opnieuw aan de delibererende klassenraad [zullen]
moeten worden voorgelegd”. De directeur kondigt daarbij aan dat de klassenraad zal worden samengeroepen op 28 augustus 2017.
3.4. Met een brief van 16 augustus 2017 vragen de ouders van ver-
zoeker aan de school kopies van “alle evaluaties (examens, toetsen, taken) van [verzoeker] voor het „deelvak‟ elektriciteit van het voorbije schooljaar” en ook van “het eindexamen wiskunde”.
IX-9150-3/28
In een e-mailbericht van 21 augustus 2017 herhaalt de vader van verzoeker deze vraag en, met het oog op de geplande vergadering van de delibe-
rerende klassenraad, voegt hij het volgende daaraan toe:
“Om alle misverstanden te vermijden zal ik de 5 redenen die ik op 30 juni en 4 juli heb kenbaar gemaakt, formuleren zoals ik ze toen aan u heb vermeld:
1. De evaluaties (toetsen en examens) voor het vak elektriciteit beoogden niet de leerplandoelstellingen maar waren veel zwaarder. [...]
2. Er werd geen remediëring of studiebegeleiding aangeboden voor het vak elektriciteit […].
3. De vakken automatisatie, elektriciteit, elektromechanische projecten, me-
chanica en mechanische projecten zijn onderdelen van elektromechanische processen en dienen juridisch globaal te worden bekeken […].
4. Het dagelijks werk 1 bestond uit slechts 2 evaluaties […].
5. De evaluaties sluiten niet aan bij het beroepsleven [...].
Buiten de 5 punten die reeds als reden zijn opgegeven vraag ik tevens volgende 6 bijkomende punten voor te leggen aan extra klassenraad:
6. Bij het verbeteren van evaluaties voor het vak elektriciteit zijn juiste ant-
woorden toch als foutief aangeduid […]. Als ik alle evaluaties van elektriciteit in mijn bezit heb, zal ik een volledig overzicht kunnen maken. Deels komt dit ook door de formulering van de vragen waarbij de leerlingen niet goed weten wat er van hen verwacht wordt.
7. Wout heeft attesten voor [dyslexie] en dysorthografie. Dit hebben wij gemeld en documenten aan de school bezorgd bij zijn eerste inschrijving 5 jaar geleden.
Leerkrachten kunnen dit normaal zien in leerlingvolgsysteem van smartschool, hoop ik? Voor meer info ivm verslagen van dokters, CLB, voorschrift medicatie enz kan je stukken 1 tot 6 in bijlage raadplegen.
8. Verder is Wout zijn grootvader overleden na ziekte tijdens volledige eerste examenperiode […].
9. Examen juni van wiskunde (deel 1) was te groot om binnen gekregen tijd af te werken. Ook andere leerlingen geven dit aan, leerlingen met leerstoornissen kregen geen extra tijd zoals bij deel 2 voor alle leerlingen wel voorzien is. Veel vragen bleven daardoor onbeantwoord bij de leerlingen. Wout is met het laatste examen wiskunde zelf met 50% één van de beste van de klas??
10. Tijdens de lessen elektriciteit staat het handboek elektriciteit & lab centraal.
Dit handboek is geschreven voor de leerplannen van katholiek onderwijs, maar voor een richting elektriciteit, die veel meer uren hebben om deze leerstof te verwerken. Men kan dit boek gebruiken maar dan moet de leerstof meer beperkt worden tot die van toepassing is voor de leerplandoelstellingen van EM en moeten evaluaties voornamelijk de leerplandoelstellingen evalueren.
11. De puntenverdeling en evaluatiecriteria zijn niet gecommuniceerd naar de leerlingen voor het vak elektriciteit in het begin van het schooljaar.
Daarenboven willen we nogmaals verwijzen naar het Algemene pedago-
gische reglementering 3 voor delibererende klassenraad op het einde van het schooljaar […]. Op pagina 15 staat duidelijk vermeld dat juridisch een „globale quotering‟ van meer dan 50%, een slaagcijfer is.”
IX-9150-4/28
3.5. Op 28 augustus 2017 beslist de over verzoeker delibererende klassenraad “om bij de beslissing van juni 2017 te blijven”. Deze beslissing wordt als volgt toegelicht:
“Deze beslissing werd genomen na lang beraad. De 5 punten en de 6 bij-
komende punten die u ons voorlegde ter betwisting van het attest werden nauwgezet besproken. De klassenraad is tot de conclusie gekomen dat de be-
slissing terecht en professioneel was.
[Verzoeker] heeft de leerplandoelstellingen voor de vakken Elektriciteit en Wiskunde onvoldoende bereikt waardoor hij onvoldoende voorbereid is voor het volgende schooljaar.
De studierichting Elektromechanica streeft er vooral naar de leerlingen in staat te stellen om succesvol studies hoger onderwijs van het niveau profes-
sionele bachelor binnen het domein elektromechanica aan te vatten. De oplei-
ding die onze school aanbiedt, is hier volledig op afgestemd waarbij de leer-
lingen op veel ondersteuning van de leerkrachten kunnen rekenen.
In het begin van het schooljaar maakte de leraar Elektriciteit duidelijke afspraken met de leerlingen. Ze weten dat ze steeds hun werk zoals oefeningen en voorbereidingen mogen afgeven om het te laten verbeteren, te commenta-
riëren en/of bij te sturen. Zoals o.a. vermeld staat in de onthaalbrochure biedt de leerling zichzelf aan wanneer hij extra uitleg nodig heeft. [Verzoeker] werd ook verscheidene malen onder het jaar aangemoedigd om vragen te stellen waar hij niet op inging. Nochtans staat er duidelijk in het leerplan bij algemene doel-
stellingen dat het belangrijk is dat de leerling via zelfevaluatie zijn eigen leer-
proces leert bij te sturen.
Ook de lerares Wiskunde bood bijlessen aan waar [verzoeker] niet op in-
ging.
Op de eerste pagina van de agenda van [verzoeker] kleeft een witte sticker met de richtlijnen van het begeleidingsplan voor zijn leerstoornissen dyslexie en dysorthografie. Een aantal maatregelen mocht [verzoeker] zelf kiezen maar ook hier heeft hij geen gebruik van willen maken.
Vanaf het vierde jaar wordt [verzoeker] aangemaand en aangemoedigd om harder en regelmatiger te gaan werken maar ook deze raad heeft hij in de wind geslagen. Dit is in het leerlingendossier en de rapportencommentaren terug te vinden.
De klassenraad adviseert [verzoeker] om zijn jaar te herdoen en te werken aan zijn studiehouding zodat hij de leerplandoelstellingen en de algemene doelstellingen van de leerplannen goed beheerst. Hierbij kan hij nog steeds op de steun van een geëngageerd leerkrachtenteam rekenen.”
3.6. Op 1 september 2017 stelt verzoeker tegen deze beslissing van de delibererende klassenraad een beroep in bij de beroepscommissie. In zijn be-
roepschrift voert hij, samengevat, het volgende aan:
IX-9150-5/28
- Er rezen problemen bij de inzage van het kerstexamen „elektriciteit‟: verzoeker verwijst in het examen naar “extra pagina‟s”, maar die “werden niet samen met het examen doorgestuurd per mail”. Verzoeker vindt dit “zeer vreemd”.
- De leerkracht „elektriciteit‟ heeft aan de vader van verzoeker toegegeven dat op het examen en de afgenomen proeven “verschillende antwoorden fout werden gerekend, die eigenlijk correct waren”. De leerstof „elektriciteit‟ was zeer zwaar.
Een bepaalde oefening van een toets werd voorgelegd aan een docent „elektro-
mechanica‟ van de Universiteit Antwerpen en deze stelde vast dat “de vraag-
stelling niet correct was en de vraag bijgevolg niet oplosbaar”. Er wordt een handboek gebruikt dat geschreven is voor de richting „elektriciteit‟, maar daarbij wordt geen rekening gehouden met de beperktere leerplandoelstellingen voor elektromechanica. Een analyse van de toetsen en evaluaties leert dat “de leer-
kracht in verhouding minder evalueert of de leerplandoelstellingen bereikt zijn dan of leerstof gekend is die niet tot de leerplandoelstellingen behoort”. In die omstandigheden kon de delibererende klassenraad niet oordelen dat verzoeker de leerplandoelstellingen onvoldoende heeft bereikt.
- „Elektriciteit‟ is geen afzonderlijk vak, maar behoort tot het clustervak „elek-
tromechanische processen‟. Het betrokken deelvak omvat vijf van de achttien lesuren van het clustervak. Verzoeker slaagde voor alle deelvakken, behalve voor elektriciteit. Rekening houdend met het respectieve gewicht van de deelvakken, behaalde hij voor het clustervak 59,89%. Ook volgens de Algemene Pedagogi-
sche Reglementering van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs mag een clustervak alleen in zijn geheel worden beoordeeld.
- Verzoeker behaalde slechts één onvoldoende, namelijk voor wiskunde. Die on-
voldoende is zeer beperkt (48%). De beslissing om op basis van die ene onvol-
doende een C-attest toe te kennen, moet zeer goed worden gemotiveerd. Een dergelijke motivering is er niet. Een loutere verwijzing naar slechts één tekort volstaat niet. De andere concrete gegevens van het dossier moeten worden af-
gewogen tegen dat ene tekort. De delibererende klassenraad moet in de derde graad met “een retrospectieve blik” naar het dossier van de leerling kijken.
Verzoeker heeft een foutloos parcours afgelegd en nooit enig probleem onder-
IX-9150-6/28
vonden. De delibererende klassenraad moet daarmee rekening houden, zonder te kijken naar zijn mogelijkheden in het hoger onderwijs.
- In een klas van tien leerlingen zijn alleen verzoeker en een andere leerling, die het jaar overdoet, geslaagd voor het eindexamen „wiskunde‟. Er is ook een duidelijk positieve evolutie van de punten van verzoeker voor wiskunde (van 38% voor het kerstexamen naar 50% voor het eindexamen), zodat de toekenning van een C-attest onredelijk is.
- Verzoeker ontkent dat hij niet zou zijn ingegaan op een aanbod van bijlessen „elektriciteit‟. Een dergelijk aanbod is er nooit geweest, zodat er wel degelijk sprake is van een gebrek aan remediëring.
- De afgesproken maatregelen in verband met de leerstoornissen van verzoeker werden niet gerespecteerd: “het examen juni van wiskunde (deel 1) was te groot om binnen de voorziene tijd af te werken” en aan leerlingen met een leerstoornis werd geen extra tijd gegeven. Er kan bezwaarlijk aan verzoeker worden verweten dat hij niet de vereiste inspanningen heeft geleverd, nu hij een SODA-attest heeft behaald. Daaruit blijkt immers dat hij stipt, ordelijk en disciplinair is en een correcte attitude heeft.
- De delibererende klassenraad heeft medeleerlingen met gelijkaardige resultaten wel een A-attest gegeven, wat aantoont dat hij heeft geoordeeld met twee maten en twee gewichten.
3.7. Op 11 september 2017 hoort de beroepscommissie verzoeker en zijn ouders. Zij oordeelt dat verzoekers beroep niet gegrond is en zij bevestigt de beslissing van de delibererende klassenraad tot het toekennen van een C-attest aan verzoeker.
Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. Ze is als volgt gemotiveerd:
“De beroepscommissie volgt in onderstaande motivering van haar uiteinde-
lijke beslissing de volgorde van de argumenten zoals Mr H. Minnen die in de brief van 1 september 2017 vermeldt.
1. Het ontbreken van onderdelen uit het examen is aan de beroepscom-
missie niet bekend. In het dossier dat voorligt, zijn alle documenten waarnaar
IX-9150-7/28
verwezen werd door dhr. F. Van de Mieroop aanwezig. De beroepscommissie wil evenwel beklemtonen dat dit gegeven niets wijzigt aan het behaalde resul-
taat. Daarnaast stelt de beroepscommissie vast dat de ouders de kopijen van dit examen – ingehaald in januari, naar aanleiding van het overlijden van de grootvader – niet eerder hebben opgevraagd.
2. Het zogeheten „onvolledig/foutief quoteren‟ wijzigt volgens de com-
missieleden fundamenteel niets aan de behaalde resultaten. Bovendien blijkt uit het inspectieverslag van de school van mei 2015, p. 25 (sectie 3.1.1.11), dat:
„Alle onderwijsdoelstellingen evenwichtig aan bod komen in de evaluatie. De vragen op de toetsen en proefwerken van de theoretische vakken sluiten aan op de leerplandoelstellingen en peilen naar het juiste beheersingsniveau.‟ Uit na-
zicht van de leerplandoelstellingen specifiek voor het vak elektriciteit blijkt dat de uitbreiding van het leerstofpakket eerder een positief effect had op de be-
haalde resultaten. De leerling scoorde goed op deze onderdelen waardoor ne-
gatieve scores op basisonderdelen zelfs werden gecompenseerd. Er werd kennis genomen van het e-mailbericht van een – naar de ouders beweren – docent van de UA. De beroepscommissie kan hiermee echter geen rekening houden ver-
mits de ouders de naam van de betrokken docent uit het e-mailbericht hebben verwijderd. Ook de vraag waarop een reactie wordt gegeven ontbreekt in het bewijsstuk.
3. De beroepscommissie is het niet eens met het standpunt van de ouders en hun raadsvrouw dat de clustering van vakken een verplicht gegeven is. De be-
roepscommissie verwijst hiervoor naar de Algemene Pedagogische Regle-
menteringen 3, Artikel 24 „Pedagogische vrijheid van de school‟ (p. 15): „De rapportering naar ouders en leerlingen zal bij voorkeur gebaseerd zijn op de inhoudelijke indeling of clustering waarvoor de school opteert, met telkens een afzonderlijke quotering. De afweging van die verschillende delen moet in elk geval gebeuren binnen het globale concept. Voordeel is dat tekorten op vak-
onderdelen duidelijk naar boven komen. Ook bij de motivering van de beslis-
sing zal de delibererende klassenraad makkelijk de niet-bereikte leerplandoel-
stellingen aan kunnen tonen.‟ Bovendien is het naar het oordeel van de commissieleden in het voordeel van de leerling dat vakken die behoren tot een cluster, onderwezen én geëvalueerd worden door verschillende lesgevers-beoordelaars. Dit voegt namelijk nog ex-
tra objectiviteit toe aan de evaluatie van de verschillende vakken binnen die cluster.
Wat betreft de vraag die de ouders gesteld hebben aan de onderwijsinspectie en het antwoord dat de onderwijsinspectie daarop gegeven heeft: de beroeps-
commissie kan hier geen rekening mee houden. Enerzijds omdat, ook hier, de vraag die door de ouders aan de onderwijsinspectie werd gesteld, niet bij het dossier werd gevoegd, anderzijds omdat evaluatie tot de pedagogische vrijheid van een school behoort.
4. Wat betreft de onvoldoende voor het vak wiskunde, oordeelt de be-
roepscommissie dat de klassenraad de eindevaluatie wel degelijk met een re-
trospectieve blik geëvalueerd heeft. De klassenraad is zo tot de vaststelling gekomen dat de leerling op onvoldoende wijze de leerplandoelstellingen heeft behaald voor volgende leerstofonderdelen: functieleer; tekenen van eenvoudige functies; tekenen van homografische functies; exponentiële en logaritmische
IX-9150-8/28
functies en goniometrie. Aangezien wiskunde een basiscomponent vormt van deze studierichting, hecht de beroepscommissie veel belang aan de resultaten van dit vak als voorspellende factor voor de kans op slagen in het volgende jaar.
Dhr. F. Van de Mieroop, mevr. U. Eilers en [verzoeker] bevestigen tijdens de hoorzitting dat de leerling op het einde van het vierde jaar, na een aantal zwakke resultaten, weliswaar een A-attest kreeg, maar met een advies van de klassen-
raad om te heroriënteren. Dit is ook opgenomen in het leerlingvolgsysteem van de school.
5. De beroepscommissie is niet bevoegd om de resultaten van de andere leerlingen te bekijken, laat staan om deze te vergelijken met de resultaten van [verzoeker].
6. Wat betreft de remediëring verwijst de beroepscommissie naar de ont-
haalbrochure van de school. Daarin staat vermeld dat leerlingen kunnen deel-
nemen aan de bijwerkklassen maar dat ze zélf naar de vakleerkracht moeten stappen om een afspraak te maken. Remediëring is immers pas nuttig, als de leerling zelf de nodige stappen zet om de leerstof te verwerken.
De leerling blijkt herhaaldelijk te zijn aangesproken over zijn niet voorbereide oefeningen en taken. Voorts werd de leerling meermaals uitgenodigd voor de bijlessen wiskunde. Hij is hier echter niet op ingegaan. Bovendien blijkt uit de rapportcommentaren dat de leerling vaak slecht voorbereid was en daarom meermaals werd aangemaand om harder te werken en aangemoedigd om vragen te stellen.
7. De beroepscommissie stelt vast dat er op het betwiste examen geen vragen blanco zijn gebleven en dat de leerling het examen binnen de normaal voorziene tijd volledig heeft opgelost. De leerling heeft dus geen punten ver-
loren door het niet invullen van vragen. De beroepscommissie wijst erop dat een SODA-attest weergeeft in welke mate een leerling stiptheid, orde, discipline en een professionele attitude aan de dag legt; het attest geeft dus niet weer of de leerplandoelstellingen werden bereikt.”
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
IX-9150-9/28
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting
5. Met betrekking tot de schorsingsvoorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden moet zijn die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing, voert verzoeker onder de rubrieken „moeilijk te herstellen ernstig nadeel‟ en „spoedeisendheid‟ in zijn inleidend verzoekschrift aan dat hij momenteel als vrije leerling is inge-
schreven in het zesde jaar elektromechanica in het KTA te Brasschaat en dat hij spoedig uitsluitsel moet krijgen over zijn situatie om hetzij het zesde jaar als re-
gelmatige leerling te kunnen voortzetten en in alle rust te kunnen deelnemen aan de kerstexamens, hetzij terug te keren naar het vijfde jaar om daar de leerstof opnieuw op te volgen en voorbereid te kunnen deelnemen aan de kerstexamens.
Aangezien het schooljaar inmiddels een aanvang heeft genomen en hij, enerzijds, belangrijke leerstof mist van het vijfde jaar en, anderzijds, in een onzekere situatie verkeert met betrekking tot zijn inschrijving in het zesde jaar en de mogelijkheid tot rechtsgeldige deelname aan de examens, acht hij zijn voor-
liggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid het enige rechtsmiddel dat hem een tijdige en afdoende bescherming kan bieden.
Beoordeling
6. Met zijn voormelde uiteenzetting steunt verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering genoegzaam op de precaire situatie waarin zijn schoolloopbaan zich ten gevolge van de bestreden beslissing thans bevindt en het dreigende verlies van een schooljaar dat daaruit voortkomt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State kan een dergelijk verlies slechts worden afgewend middels een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake-
lijkheid.
IX-9150-10/28
De verwerende partij betwist dit niet.
7. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld.
VI. Ernst van de middelen
8. Het eerste en het tweede door verzoeker aangevoerde middel sluiten nauw bij elkaar aan. Aangezien het tweede middel op het eerste gezicht verder reikt dan het eerste middel – het voert immers onder meer grieven aan met betrekking tot het resultaat dat verzoeker heeft behaald voor het onderdeel „elek-
triciteit‟, terwijl het eerste middel veeleer betrekking lijkt te hebben op de afwe-
ging van een bij veronderstelling correct resultaat voor het voornoemde onderdeel ten aanzien van de andere elementen van verzoekers dossier – is het aangewezen eerst de ernst van dit tweede middel te onderzoeken.
A. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
9. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke moti-
vering van de bestuurshandelingen‟ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
Hij betoogt dat de leerstof voor het onderdeel „elektriciteit‟ “zeer zwaar” was. Hij wijst erop dat zowel zijn vader als zijn oudere broer gespeciali-
seerd zijn in elektromechanica en dat beiden de vragen “zeer moeilijk” en “soms zelfs niet oplosbaar” vonden. Hij voegt eraan toe dat hij “een bepaalde oefening van een toets ook voor[legde] aan een hoofdlector Elektromechanica aan de Uni-
IX-9150-11/28
versiteit Antwerpen, die vaststelde dat de vraagstelling niet correct was en de vraag bijgevolg niet oplosbaar”.
Volgens verzoeker zijn de vragen van toetsen en examens bo-
vendien “te weinig gericht op de leerplandoelstellingen, meer op de uitbreiding van de leerstof”. Hij zet uiteen dat “de leerkracht in verhouding minder evalueert of de leerplandoelstellingen bereikt zijn dan of leerstof gekend is die niet tot de leerplandoelstellingen behoort”. Zo behoren “RL- en RC-kringen” tot de leer-
plandoelstellingen, maar werden tijdens de lessen ook “RLC- en LC-kringen”
bestudeerd en werden daarover zes van de tien vragen gesteld. De leerplandoel-
stelling met betrekking tot transformatoren was voorwerp van leerstof, maar die omvatte ook veel meer dan dat, namelijk ook leerstof over types van transforma-
toren.
Verzoeker stelt dat hij die grief ook heeft laten gelden voor de beroepscommissie en dat deze commissie heeft gemeend daarop te kunnen ant-
woorden met een verwijzing naar een verslag over een doorlichting door de on-
derwijsinspectie in mei 2015 en met de vermelding dat hij goed scoorde op de vragen over de uitbreiding van het leerstofpakket. Volgens verzoeker volstaat dit echter niet, nu hij gedetailleerde kritiek heeft geleverd op het verband tussen, enerzijds, de toetsen en examens en, anderzijds, de leerplandoelstellingen. Ook aan de reactie van de hoofdlector van de Universiteit Antwerpen is zonder deugdelijke motivering voorbijgegaan, namelijk om de enkele reden dat de vraagstelling ont-
breekt, terwijl dit nochtans geen afbreuk doet aan het verstrekte antwoord.
Verzoeker acht de bestreden beslissing ten slotte ook “onrede-
lijk”. Dat hij beter zou hebben gescoord op vragen over de leerstofuitbreiding dan op vragen over de basisleerstof, vormt geen verantwoording om zo ver buiten de leerplandoelstellingen te gaan. Dat zoveel extra leerstof is gezien, maakt het voor de leerlingen onredelijk moeilijk om te slagen.
IX-9150-12/28
Beoordeling
10. Verzoeker heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs bieden aan een leerling om een beroep in te stellen tegen een ongunstige evaluatiebeslissing van de over hem delibererende klassenraad.
Wanneer de leerling aldus een samenkomst van de beroeps-
commissie uitlokt, moet deze commissie kennis nemen van zijn grieven, ze be-
oordelen en ze beantwoorden.
11. Noch het algemeen rechtsbeginsel dat een overheidsbeslissing gegrond moet zijn op deugdelijke motieven, dit wil zeggen op motieven die in feite juist zijn en in rechte aanvaardbaar zijn, noch de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ of desgevallend de formelemotiveringsplicht vermeld in 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs, leggen aan het bestuur – in dit geval de beroepscommissie – de ver-
plichting op om alle grieven of middelen die door de betrokkene worden aange-
voerd één voor één van antwoord te dienen. Het volstaat dat in de beslissing van de beroepscommissie de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen.
Waar de regelgeving, zoals in casu, in een administratieve be-
roepsprocedure heeft voorzien, moet diegene die het beroep heeft ingesteld, er wel op kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat deze instantie, indien zij tot hetzelfde oordeel komt als de beslissing waartegen het beroep werd ingesteld, goede redenen heeft voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten. Wanneer het gaat om een welomschreven, gewichtige grief van diegene die het beroep heeft ingesteld, dan zullen die redenen uitdrukkelijk in de beslissing van de beroepsinstantie moeten worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag im-
mers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de
IX-9150-13/28
wezenlijke grieven van diegene die het beroep heeft ingesteld en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten begrijpen waarom zijn beroep wordt verworpen.
Een leerling kan evenwel mogelijk terecht kritiek geven op sommige cijfers of terecht het ontbreken van een antwoord op sommige van zijn bezwaren aan de kaak stellen, maar hij heeft daarbij geen belang indien die kritiek overtollige motieven betreft, of nog, wanneer, zelfs indien gegrond, ze toch niet kan bijdragen tot een gunstiger beoordeling of resulteren in het nagestreefde gun-
stiger eindresultaat.
Ten slotte mag en moet van een leerling die kritiek heeft op de cijfers, worden verwacht dat hij accuraat en duidelijk aangeeft waar de problemen zich concreet voordoen, welke cijfers niet kloppen en waarom niet. Een leerling die nalaat met de nodige precisie de aangevoerde gebreken aan te tonen, kan be-
zwaarlijk de beroepscommissie verwijten niet te hebben geantwoord op zijn grief.
12. In dit geval deed verzoeker voor de beroepscommissie gelden en doet hij dat ook voor de Raad van State, dat “de vragen zeer moeilijk – soms zelfs niet oplosbaar – zijn”.
Deze kritiek is op het eerste gezicht onvoldoende concreet.
Verzoeker geeft niet in het minst aan om welke vragen het gaat. Het kan de be-
roepscommissie dan ook niet ten kwade worden geduid dat zij aan dit argument is voorbijgegaan.
Ook voor de Raad van State werkt verzoeker deze grief niet nader uit.
In zoverre is het middel niet ernstig.
IX-9150-14/28
13. Verzoeker voert aan dat “een bepaalde oefening van een toets”
aan een universitair docent werd voorgelegd, die zou hebben vastgesteld dat “de vraagstelling niet correct was en de vraag bijgevolg niet oplosbaar”.
Hij lijkt daarmee te doelen op de eerste vraag van de toets „Transfo‟s‟ van 11 mei 2017 (stuk nr. 14 bij het verzoekschrift).
Daargelaten dat in het antwoord van de betrokken docent weliswaar wordt aangegeven dat “de opgave nogal zwak (niet goed) geformuleerd is”, maar niet dat de vraag “niet oplosbaar” is, moet hoe dan ook worden vastge-
steld dat verzoeker niet aannemelijk maakt en zelfs niet beweert dat het gegrond bevinden van deze grief zijn resultaat zodanig zou beïnvloeden dat hij zou moeten worden beschouwd als een geslaagde leerling voor het onderdeel „elektriciteit‟.
Bijgevolg kan deze grief niet worden aangenomen en is het middel in zoverre evenmin ernstig.
14. Op verzoekers grief dat de vragen van toetsen en examens “te weinig gericht [zijn] op de leerplandoelstellingen, meer op de uitbreiding van de leerstof”, heeft de beroepscommissie geantwoord dat “de uitbreiding van het leerstofpakket eerder een positief effect had op de behaalde resultaten”, omdat verzoeker “goed [scoorde] op deze onderdelen waardoor negatieve scores op ba-
sisonderdelen zelfs werden gecompenseerd”.
Daarmee lijkt de grief van verzoeker – minstens formeel – een antwoord te hebben gekregen.
Verzoeker heeft, volgens de beroepscommissie, de vragen over de basisleerstof verhoudingsgewijs slechter beantwoord dan de vragen over de uitbreidingsleerstof. Als verzoeker het niet eens is met die zienswijze van de be-
roepscommissie, moet hij dat concreet weerleggen. Hij mag zich niet verschuilen
IX-9150-15/28
achter de enkele tegenwerping dat een en ander “niet wordt aangetoond” door de verwerende partij.
In zoverre is het middel evenmin ernstig.
15. De kritiek op de verwijzing door de beroepscommissie naar het doorlichtingsverslag lijkt, in het licht van het voorgaande, kritiek te zijn op een overtollig motief en is derhalve niet dienstig.
16. Wat de leerplandoelstellingen met betrekking tot “RL- en RC-kringen” en “transformatoren” betreft, betoogt verzoeker dat “veel meer leer-
stof” werd behandeld. Hij laat evenwel na zijn kritiek in verband te brengen met zijn concrete resultaten op toetsen en proefwerken.
In zoverre kan het middel derhalve niet worden aangenomen en is het evenmin ernstig.
17. Dat een en ander tot gevolg heeft dat “het voor leerlingen onre-
delijk moeilijk is om te slagen”, zoals verzoeker nog voorhoudt, lijkt dan weer te worden tegengesproken door de voorliggende jaarcijfers voor elektriciteit. Van de zeven leerlingen waarvan verzoeker de rapporten heeft gevoegd bij zijn inleidend verzoekschrift, blijken er immers vier geslaagd te zijn, twee met meer dan 60% en twee anderen met 54% en 56%.
In zoverre is het middel evenmin ernstig.
18. Het tweede middel is in zijn geheel niet ernstig.
IX-9150-16/28
B. Eerste middel
Standpunt van de partijen
19. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van de Algemene Pedagogische Reglementering (APR nr. 3) van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs, artikel 57 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uit-
drukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel patere legem quam ipse fe-
cisti, het materiëlemotiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvul-
digheidsbeginsel.
Verzoeker laat gelden dat het vak „elektromechanische proces-
sen‟ als één vak werd georganiseerd, dat hij daarvoor slaagde met 60% van de punten en dat geen rekening mocht worden gehouden met een onvoldoende die hij behaalde op het onderdeel „elektriciteit‟ van dit vak. Hij stelt dat hij dit ook heeft opgeworpen voor de beroepscommissie, maar dat deze commissie in de bestreden beslissing ten onrechte ervan uitgaat dat zij wél rekening mag houden met deel-
cijfers. Bovendien, zo vervolgt verzoeker, werd geen afweging gemaakt van het onderdeel „elektriciteit‟ met “het globale concept” van het vak „elektromechani-
sche processen‟. De beroepscommissie motiveert volgens verzoeker ook niet waarom dit onderdeel zo zwaar doorweegt in het geheel en waarom zij “het juri-
dische slaagcijfer voor „elektromechanische processen‟ negeert”.
20. De verwerende partij antwoordt in haar nota dat de feitelijke onjuistheid van de premissen waarop het middel steunt, al eerder aan verzoeker werd uitgelegd. Volgens de verwerende partij steunt verzoeker op een verkeerde lezing van de Algemene Pedagogische Reglementering.
IX-9150-17/28
Zij betoogt:
“Waar in bepaalde richtingen voor de onderdelen van het (richting)specifiek gedeelte meer en meer gewerkt wordt met één, globaal leerplan, in plaats van met afzonderlijke leerplannen, kunnen de scholen vrijer omspringen met het opdelen van de vakken van het specifiek gedeelte.
Dat houdt echter niet in dat, wat slagen en niet-slagen betreft, enkel naar het totaal mag gekeken worden dat behaald wordt op gans het specifiek gedeelte.
De APR 3 waarschuwt precies voor het gevaar dat, indien een school ervoor zou opteren om inderdaad te kiezen voor één globale beoordeling van alle clusters en dito rapportering (d.i.: één totaalcijfer voor het specifieke gedeelte), zij daaraan ook gehouden zal zijn.
Hierover loopt binnen het technisch onderwijs al jaren een discussie met voor- en tegenstanders, waarbij verzoeker duidelijk voorstander is van één, globaal cijfer, maar dat geeft verzoeker niet het recht zijn visie op te dringen aan de beroepscommissie in de hoop bij haar zijn visie bevestigd te zien.”
De verwerende partij verwijst naar het doorlichtingsverslag van 2015 waaruit zij afleidt dat “[d]e onderwijsinspectie […] akte [heeft] genomen van de manier van evalueren (m.n. de keuze om het specifiek gedeelte te verdelen in deelvakken) en er geen opmerkingen bij [heeft] gemaakt”.
Volgens de verwerende partij kan verzoeker geen onwetendheid voorhouden, nu uit het rapport duidelijk blijkt dat geen totaalcijfer wordt gegeven, maar wel cijfers voor de verschillende onderdelen.
Beoordeling
21. De Algemene Pedagogische Reglementering (APR nr. 3) van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs is op het eerste ge-
zicht een “referentiekader” dat niet uitgaat van de verwerende partij, maar van de koepelorganisatie van het katholiek onderwijs. Het lijkt niet te gaan om een re-
glementaire tekst en evenmin om een lex waaraan een beroepscommissie zich te houden heeft op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, is het niet ern-
stig.
IX-9150-18/28
22. De beroepscommissie, zoals die in de Codex Secundair Onder-
wijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c.
het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te be-
slissen, impliceert de zogenaamde devolutieve werking van het beroep dat de beroepen beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats ervan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan.
Dat beroepsorgaan heeft beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het moet de zaak onderzoeken op grond van al de feitelijke gegevens die hem zijn voorgelegd.
Uit artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ leidt de Raad van State af dat de delibererende klassenraad bij het nemen van beslis-
singen over het slagen of niet-slagen van leerlingen, steeds rekening moet houden met álle elementen van het leerlingendossier. In die bepaling wordt enkel gewag gemaakt van de delibererende klassenraad en ontbreekt formeel een overeen-
stemmende bepaling voor de beroepscommissie. Evenwel kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de beroepscommissie, die over dezelfde beslissingsmacht be-
schikt als de delibererende klassenraad, háár beslissing niet zou moeten steunen op alle gegevens van het leerlingendossier.
Zo niet op grond van artikel 5, § 5, van het voornoemde orga-
nisatiebesluit, dan toch op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materië-
lemotiveringsplicht lijkt van de beroepscommissie te mogen worden verwacht dat zij – net zoals de delibererende klassenraad dat vóór haar heeft moeten doen – haar beslissing steunt op alle nuttige gegevens van het leerlingendossier. Dit betekent, op het eerste gezicht, dat de beroepscommissie niet alleen rekening moet houden
IX-9150-19/28
met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen, desgevallend ook met de evolutie van deze resultaten, de remediëringsmaatregelen die tijdens het jaar werden genomen, de inzet van de leerling, zijn medisch dossier of andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling.
Het oordeel over het al dan niet slagen van een leerling is geen louter mathematische optelling van cijfers per vak, maar vereist een alomvattende appreciatie omtrent de vraag of de leerling de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen en in voldoende mate heeft bereikt. Daarom is het geen vereiste, om geslaagd te worden verklaard, dat de leerling voor elk opleidingsonderdeel af-
zonderlijk geslaagd is.
23. De verwerende partij neemt in haar nota standpunt in met be-
trekking tot de vraag of zij gerechtigd is rekening te houden met de (deel)cijfers van de verschillende onderdelen van het vak „elektromechanische processen‟.
Die vraag lijkt voor de beoordeling van het middel evenwel niet relevant.
Zelfs aangenomen dat de school de cijfers per vakonderdeel mag vermelden en geen totaalcijfer voor het vak „elektromechanische processen‟ moet geven, ontslaat dit de beroepscommissie op het eerste gezicht niet van de ver-
plichting om bij de beraadslaging het vastgestelde tekort voor „elekriciteit‟ af te wegen met de andere relevante gegevens van het dossier van verzoeker. Het gaat dan in het bijzonder over zijn resultaten voor de andere proeven, toetsen of exa-
mens of zijn jaarresultaten. Alvast de andere (deel)resultaten voor het vak „elek-
tromechanische processen‟ lijken niet buiten beschouwing te mogen blijven, te-
meer nu buiten betwisting staat dat het leerplan „elektromechanica derde graad TSO‟ de leerplandoelstellingen formuleert ten aanzien van het opleidingsonder-
deel „elektromechanische processen‟ in zijn geheel en niet ten aanzien van de verschillende mogelijke subonderdelen daarvan.
IX-9150-20/28
Uit de bestreden beslissing blijkt op het eerste gezicht niet dat de beroepscommissie het onvoldoende resultaat voor elektriciteit heeft afgewogen tegen de andere (ruim) voldoende resultaten van verzoeker voor „automatie‟ (70%), „elektromechanische projecten‟ (67%), „mechanica‟ (54%) en „mechanica projecten‟ (71%), allemaal onderdelen van het vak „elektromechanische proces-
sen‟. De bestreden beslissing biedt geen enkel inzicht waarom het cijfer voor elektriciteit, in het licht van alle andere concrete gegevens van het dossier van verzoeker, zo zwaar doorweegt dat moet worden geoordeeld dat verzoeker niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen voor elektromechanische processen heeft bereikt.
In zoverre is het middel ernstig.
24. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig.
C. Derde middel
Standpunt van de partijen
25. Verzoeker ontleent het derde middel aan de schending van de Algemene Pedagogische Reglementering (APR nr. 3) van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs, artikel 57 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uit-
drukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, het gelijkheids-
beginsel en het redelijkheidsbeginsel.
Volgens verzoeker steunt de beroepscommissie haar beslissing op “1 globale onvoldoende” die hij heeft behaald, namelijk voor het vak „wis-
kunde‟, maar houdt zij ten onrechte geen rekening met andere elementen van zijn dossier, zoals het overlijden van zijn grootvader vóór het kerstexamen, de positieve
IX-9150-21/28
evolutie die hij heeft doorgemaakt, zijn goede resultaten in het tweede – meest representatieve – semester, het door de andere leerlingen van de klas behaalde resultaat voor het eindexamen „wiskunde‟, dat voor 90% van hen slechter was dan het zijne, en de goede resultaten die hij heeft behaald op andere richtinggeoriën-
teerde vakken.
26. De verwerende partij antwoordt in haar nota vooreerst dat ver-
zoeker het argument betreffende het overlijden van zijn grootvader niet heeft aangebracht voor de beroepscommissie en dat hij in zijn beroepschrift slechts daarvan melding heeft gemaakt in een voetnoot die betrekking heeft op zijn re-
sultaat voor het kerstexamen „wiskunde‟. Het overlijden dateert evenwel van na het examen „wiskunde‟ en heeft aanleiding gegeven tot een uitstel van het examen „elektriciteit‟. Het argument dat nu wordt gebruikt en dat betrekking heeft op de toestand vóór het overlijden werd “nooit gegeven”.
Voorts laat de verwerende partij gelden dat de beroepscommissie ter beantwoording van verzoekers verwijt dat de resultaten van de andere leerlin-
gen niet bij de beoordeling werden betrokken, haar redenen daarvoor heeft ver-
meld. Voor het inschatten van de kennis en kunde van verzoeker zijn de rapporten van de andere leerlingen niet relevant. De onderzoeksbevoegdheid van de be-
roepscommissie gaat niet zo ver dat zij buiten het dossier waarin beroep werd aangetekend, de deliberatiegegevens van andere leerlingen kan opvragen. De reactie van de beroepscommissie dat zij geen vergelijkingen maakt tussen leer-
lingen, beoogde dan weer een antwoord te geven op de door verzoeker opgewor-
pen “ongelijkheid in de beoordeling”.
De verwerende partij vervolgt dat de beroepscommissie heeft gekeken naar de niet behaalde leerplandoelstellingen en op basis daarvan heeft besloten dat de onvoldoende voor wiskunde niet door de vingers kon worden ge-
zien. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat het om een tweede onvoldoende ging, naast deze voor elektriciteit.
IX-9150-22/28
De verwerende partij stelt verzoeker niet te kunnen volgen waar hij argumenteert dat de beroepscommissie bij het nemen van haar beslissing enkel een retrospectieve beoordeling mag maken, terwijl ten aanzien van een leerling die reeds op het einde van de tweede graad het voordeel van de twijfel kreeg, het allesbehalve onredelijk is prospectief zeer voorzichtig te zijn.
De verwerende partij spreekt ten slotte tegen dat de beroeps-
commissie enkel rekening heeft gehouden met verzoekers resultaat voor het vak „wiskunde‟, terwijl er ook nog zijn tekort is voor elektriciteit en de twee tekorten samen betrekking hebben op negen weekuren.
Beoordeling
27. Om dezelfde reden als hiervóór vermeld sub 21 is het middel niet ernstig voor zover het de schending aanvoert van de Algemene Pedagogische Reglementering (APR nr. 3) van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs.
28. Hiervóór werd sub 11 reeds erop gewezen dat de motivering van de beslissing van de beroepscommissie blijk ervan dient te geven dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe be-
oordeling zijn betrokken, dat de leerling daaruit moet kunnen begrijpen waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste uitdrukkelijk een antwoord wordt gegeven op de vragen die voor de leerling blij-
kens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht gesteld zijn, mogelijk leiden tot een voor de leerling gunstiger resultaat.
29. Wat zijn resultaat voor wiskunde betreft, heeft verzoeker in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie wezenlijk laten gelden – naast het gege-
ven dat het om een enig tekort gaat – dat het resultaat van het kerstexamen (38%)
moet worden beoordeeld in het licht van het overlijden van zijn grootvader, dat
IX-9150-23/28
slechts twee leerlingen, waaronder hijzelf, slaagden voor het eindexamen „wis-
kunde‟ en dat een duidelijk positieve evolutie in zijn resultaten is vast te stellen.
Deze argumentatie is, op het eerste gezicht, niet van iedere re-
delijkheid ontdaan.
De beroepscommissie lijkt de voornoemde elementen dan ook niet zonder meer onbesproken te hebben kunnen laten zonder de op haar rustende motiveringsplicht te schenden.
30. Alleen verzoekers grief omtrent het lage slaagcijfer voor het eindexamen wordt beantwoord, namelijk waar de beroepscommissie stelt dat zij “niet bevoegd [is] om de resultaten van de andere leerlingen te bekijken, laat staan om deze te vergelijken met de resultaten van [verzoeker]”.
Daargelaten dat deze visie van de beroepscommissie niet lijkt te stroken met de werkelijke omvang van haar bevoegdheid – hiervóór is bij de be-
oordeling van het eerste middel reeds erop gewezen dat de beroepscommissie de volledige beslissingsmacht heeft over de zaak, in dezelfde mate als de delibere-
rende klassenraad aanvankelijk had – moet worden vastgesteld dat verzoeker op het eerste gezicht niét om een vergelijking van de leerlingen van zijn klas heeft gevraagd. Hij heeft slechts aangegeven, zo lijkt, dat bij het beantwoorden van de vraag of hij voor wiskunde wel of niet in voldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt, rekening moet worden gehouden met het geringe slaagcijfer voor het eindexamen.
Het lijkt erop dat dit gegeven en de twee andere waarvan ver-
zoeker had gevraagd om er rekening mee te houden, niet werden betrokken bij de beoordeling door de beroepscommissie. Alleszins maakt de bestreden beslissing niet duidelijk waarom ze de beroepscommissie niet tot een ander oordeel hebben kunnen brengen.
IX-9150-24/28
31. Het feit dat verzoekers grief omtrent het niet in overweging nemen van het overlijden van zijn grootvader werd aangevoerd in een voetnoot van het beroepschrift, lijkt niet relevant. Die voetnoot maakt deel uit van het beroep-
schrift en er wordt duidelijk in gesteld dat verzoeker “het in aanloop naar dit overlijden erg moeilijk had om te studeren zodat zijn slecht examen wiskunde in het licht hiervan dient te worden beoordeeld”.
32. Het derde middel is in de aangegeven mate ernstig.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
33. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke moti-
vering van de bestuurshandelingen‟ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
Hij wijst erop dat de bestreden beslissing stelt dat hij vaak slecht voorbereid was en dat hij daarom meermaals werd aangemaand om harder te werken. De verwerende partij leidt daaruit af dat hij onvoldoende zelf om reme-
diëring heeft gevraagd. Hij werd evenwel nooit aangesproken om naar bijwerk-
klassen voor wiskunde te gaan en hij heeft een SODA-attest behaald, wat aantoont dat hij voldoende scoorde voor stiptheid, orde, discipline en attitude. Volgens verzoeker heeft hij deze “interne tegenstrijdigheid”, die zich ook reeds manifes-
teerde in de beslissing van de delibererende klassenraad van 28 augustus 2017, aangekaart voor de beroepscommissie, maar heeft deze daarop niet geantwoord.
Verzoeker licht voorts toe dat de aanvankelijk afgesproken maatregelen door de verwerende partij niet werden gerespecteerd. Zo was bij-
voorbeeld het eerste deel van het examen „wiskunde‟ in juni “te groot om binnen de voorziene tijd af te werken, hetgeen alle leerlingen aangaven”.
IX-9150-25/28
Volgens verzoeker stelt de bestreden beslissing ten onrechte dat hij herhaaldelijk werd aangesproken om meer voorbereidende taken te maken en harder te werken en verwijst ze evenzeer ten onrechte daarvoor naar de rapport-
commentaren. Die commentaren, zo interpreteert verzoeker, zijn “enkel aanmoe-
digende bewoordingen en vaststellingen van een vooruitgang”.
Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing slechts overweegt dat een SODA-attest geen uitsluitsel geeft over het al dan niet in voldoende mate bereikt hebben van de leerplandoelstellingen. Hij stelt dat hij dit als zodanig niet betwist, maar hij benadrukt dat het verkregen SODA-attest niet te rijmen valt met de motivering van de bestreden beslissing, onder punt 6, dat hij slecht voorbereid zou zijn geweest en niet hard genoeg zou hebben gewerkt.
Beoordeling
34. Voor zover verzoeker in het middel aanvoert dat “[d]e aanvan-
kelijk afgesproken maatregelen [...] door de verwerende patij niet [werden] ge-
respecteerd”, moet worden opgeworpen dat verzoeker nalaat met de vereiste pre-
cisie aan te tonen dat de school is tekortgeschoten in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken die bovendien in een rechtstreeks oorzakelijk verband kunnen worden gebracht met de hem toegekende punten of de wettigheid van de door hem be-
streden beslissing.
35. Voor zover verzoeker laat gelden dat de rapportcommentaren waarnaar de bestreden beslissing verwijst, veeleer aanmoedigingen dan aanma-
ningen zijn, kan hij niet worden bijgevallen.
Enkele voorbeelden van rapportcommentaren laten genoegzaam blijken dat de beroepscommissie niet ten onrechte eruit heeft kunnen afleiden dat verzoeker vaak slecht voorbereid was en meermaals werd aangemaand om harder te werken:
IX-9150-26/28
- “Alles begint met grondig studeren en voldoende oefenen. Herpak je de volgende periode!” (Dagelijks Werk 3 – commentaar van de vakleerkracht mechanica);
- “Opnieuw een resultaat dat zwaar ondermaats is Wout. Je studeert nog steeds veel te weinig voor een vrij zwaar vak dat je toch 5 uren per week voorgeschoteld krijgt.” (Dagelijks Werk 4 – commentaar van de vakleerkracht elektriciteit);
- “Voorlopig heb je in totaal tekorten voor [F]rans (47%), wiskunde (44%)
en elektriciteit (45%). Zet nu alles op alles om problemen op het einde van het schooljaar te vermijden. Je weet wat je te doen staat.” (Dagelijks Werk 4 –
commentaar van de klassenleraar);
- “Momenteel staat je totaalcijfer in het rood, je proefwerkresultaat zal be-
palend zijn. Bereid je dus heel goed voor, succes!” (Dagelijks Werk 5 – com-
mentaar van de vakleerkracht wiskunde);
- “Tja Wout, enkel loon naar werken… Zorg dat je tijdig begint te studeren voor de proefwerken!! Succes.” (Dagelijks Werk 5 – commentaar van de vak-
leerkracht elektriciteit);
- “Je heb deze periode de schade kunnen beperken, maar de punten van elektriciteit blijven spijtig genoeg in dezelfde lijn evolueren. Probeer zeker dit probleem en dat van wiskunde tijdens de komende examens op te lossen zonder de andere vakken uit het oog te verliezen.” (Dagelijks Werk 5 – commentaar van de klassenleraar).
36. Het verkrijgen van het zogenaamde SODA-attest lijkt op het eerste gezicht inderdaad moeilijk te rijmen met de aan verzoeker verweten stu-
diehouding. Het eventueel gegrond bevinden van de grief die deze ongerijmdheid aan de kaak stelt of van de grief die aan de bestreden beslissing op dit punt een gebrek aan motivering verwijt, kan evenwel hoe dan ook niet ertoe leiden dat verzoekers studieresultaat beter wordt dan het is en aldus de wettigheid van de bestreden beslissing zou worden ondergraven.
37. Het vierde middel is niet ernstig.
VII. Slotsom
38. Hiervóór is gebleken dat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld is en dat het eerste en het derde door verzoeker aange-
voerde middel in de aangegeven mate ernstig zijn.
IX-9150-27/28
Bijgevolg is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.
BESLISSING
De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen Voorkempen van 11 sep-
tember 2017 waarbij het oriënteringsattest C dat door de delibererende klassenraad werd toegekend aan Wout Van de Mieroop, wordt gehandhaafd.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, wnd. voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Bert Thys
IX-9150-28/28
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.389