Court annuls environmental permit denial due to lack of reasoning regarding existing unpermitted waste deposits.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Flemish Minister's decision refusing an environmental permit for a waste disposal site. The applicant argued the permit was necessary to regularize existing unpermitted waste deposits, while the Minister cited the absence of a specific legal basis in the advice for this specific regularization. The court ruled that the administrative advice only addressed future waste and failed to justify why a permit was needed for already deposited materials, finding the decision legally flawed due to this lack of reasoning.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; An administrative decision refusing a permit must provide specific reasoning linking the facts to the legal requirements, and a general assessment of future waste cannot justify the denial of regularization for existing unpermitted deposits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.379 van 12 oktober 2017
in de zaak A. 217.732/VII-39.547.
In zake : de VZW COMITÉ VOOR EEN LEEFBAAR LOUISE-MARIE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers kantoor houdend te 8700 Tielt Tramstraat 68
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Meindert Gees kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV OB&D
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 3 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 1 oktober 2015 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 26 maart 2015, houdende het weigeren aan de NV OB&D van de milieuvergunning voor het exploiteren van een stortplaats categorie 2, gelegen aan de Schorissesteenweg te
VII-39.547-1/31
Ronse, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de NV OB&D de gevraagde vergunning wordt verleend voor een termijn van twee jaar.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 234.507 van 26 april 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd.
De verwerende en de tussenkomende partij hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.
De verwerende en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Anthony Roegiers, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Michiel Descheemaeker, die loco advocaten Steve Ronse en
VII-39.547-2/31
Meindert Gees verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De betwisting betreft de uitbating van een voormalige zandgroeve in Ronse, nabij de dorpskern Louise-Marie en het zogeheten Muziekbos. De voormalige zandgroeve fungeert thans als stortplaats. Het terrein heeft de bestemming ontginningsgebied, met als nabestemming bosgebied. In een straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen staan vier woningen; er ligt woongebied met landelijk karakter op 120 meter afstand; rond de inrichting bevindt zich natuurgebied, bosgebied, uitbreidingsgebied voor bos en landschappelijk waardevol agrarisch gebied; deze omringende gebieden zijn voor het grootste deel aangeduid als habitatrichtlijngebied en VEN-gebied.
3.2. De NV OB&D is de eigenaar van een deel van het terrein. Voor dat deel is tot 31 augustus 2011 een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een zandgroeve/stortplaats categorie 3.
3.3. Op 30 juli 2010 dient zij een aanvraag in voor het hernieuwen en veranderen van de lopende milieuvergunning. De aanvraag omvat twee grote onderdelen: er wordt enerzijds een hernieuwing gevraagd van de vergunning voor een definitieve opslagplaats (hierna: DOP) voor niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie, en anderzijds het veranderen van een ander deel van de stortplaats categorie 3 in een stortplaats
VII-39.547-3/31
categorie 2 voor niet-reinigbare gronden en sedimenten die als niet-gevaarlijke afvalstoffen worden ingedeeld.
3.4. Op 28 april 2011 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunning voor de zogenaamde DOP, voor de gevraagde termijn van zeven jaar. De deputatie weigert echter de vergunning voor de stortplaats categorie 2, en motiveert die weigering als volgt:
“Uit het advies van de OVAM blijkt tevens dat vanuit afvaloogpunt gezien, er planmatig bovendien geen extra categorie 2-capaciteit wenselijk is, aangezien er op heden voldoende capaciteit is op de bestaande categorie 2-stortplaatsen, waarbij momenteel de leefbaarheid van bepaalde stortplaatsen in het gedrang komt door een dalende afvalstoffenaanvoer (ingevolge het afvalbeleid en de opgelegde stortverboden). Het vergunnen van een dergelijke categorie 2-stortcapaciteit zou in dat opzicht een negatieve impact hebben in functie van een efficiënte benutting en afwerking van de bestaande vergunde categorie 2-stortplaatsen in Vlaanderen”.
3.5. De aanvrager stelt bestuurlijk beroep in tegen de gedeeltelijke weigering van de vergunning.
3.6. Met een besluit van 29 maart 2012 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep gegrond, verleent zij een vergunning voor zowel het onderdeel DOP als voor de stortplaats categorie 2, legt zij hierbij een reeks bijzondere vergunningsvoorwaarden op, doch vermindert zij de termijn van de vergunning van zeven jaar tot vijf jaar.
Bij arrest nr. 225.043 van 10 oktober 2013 vernietigt de Raad van State het voornoemde besluit van 29 maart 2012.
3.7. Op 22 oktober 2013 vraagt de VZW Milieufront Omer Wattez om een bestuurlijke maatregel op te leggen teneinde de in uitvoering van de vernietigde vergunning reeds gestorte afvalstoffen te laten verwijderen en het terrein in zijn natuurlijke toestand te herstellen. De afdeling Milieu-inspectie beslist op 20 november 2013 om niet in te gaan op dat verzoek, omdat de
VII-39.547-4/31
gevraagde maatregel “disproportioneel en voorbarig zou zijn” aangezien na het vernietigingsarrest opnieuw moet worden beslist over de vergunningsaanvraag. Op 31 januari 2014 verwerpt de verwerende partij een bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie, omdat er volgens haar geen sprake is van een milieumisdrijf. De VZW Milieufront Omer Wattez heeft tegen deze beroepsbeslissing een beroep tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State (zaak A. 212.172/VII-39.093).
3.8. Ingevolge het vernietigingsarrest van 10 oktober 2013, doet de Vlaamse minister met een besluit van 21 mei 2014 opnieuw uitspraak over het beroep van de NV OB&D tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 28 april 2011. Het beroep wordt verworpen en de weigering van de gevraagde milieuvergunning wordt bevestigd.
3.9. Naar aanleiding van deze weigeringsbeslissing rijst volgens de exploitant de “noodzaak tot tussentijdse afwerking”, en komen er bij hem “milieujuridische en milieutechnische randvoorwaarden en inzichten” tot stand, op basis waarvan hij een afwerkingsplan opmaakt, met het oog op een “snelle afwerking”, die volledig past “in het kader van zijn verantwoordelijkheden, zoals aangeduid in het Voorzorgbeginsel”. Op 3 oktober 2014 vraagt hij daarom aan de toezichthoudende overheid om “enerzijds akte te willen nemen van de principes”
van zijn afwerkingsplan en “anderzijds de door de exploitant voorgestelde voorzorgsmaatregelen (lees: het uitvoeren van de afdek van stortcel 1) op de daartoe best passende wijze te willen notuleren, eventueel goedkeuren”. Meer concreet stelt hij:
“Omwille van het Voorzorgbeginsel (DABM), dient de zone met de reeds gestorte sedimenten zo snel mogelijk definitief afgewerkt te worden (i.e. met een afdichtlaag en eindafdek). Om dit praktisch mogelijk te maken, zullen alle sedimenten die reeds aanwezig zijn in het stortvak samengebracht worden in het diepste punt van de deponie. Op deze manier kan een geïsoleerde stortcel gevormd worden. Deze wordt hierna „stortcel 1‟ genoemd; het saldo van de deponie wordt voortaan stortcel 2 genoemd.
[…]
Het afwerkingsplan voor stortcel 1 zal formeel ingediend worden bij de
VII-39.547-5/31
toezichthoudende overheid na het verkrijgen van de (thans in aanvraag zijnde)
nieuwe milieuvergunning voor het afwerken van deze stortcel. De stortplaatsdeskundige beroept zich ondertussen op het voorzorgsprincipe om de actueel aanwezige milieuimpacten van de openliggende stortzone te beheersen, en om bijgevolg deze stortcel nu reeds af te werken. Hij brengt middels voorliggende bijkomend afwerkingsplan de toezichthoudende overheid op de hoogte van de plannen van de exploitant”.
3.10. Vervolgens dient de NV OB&D op 28 oktober 2014 een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Het voorwerp ervan wordt als volgt toegelicht:
“Voor de hele inrichting:
Doel van het project is het zo spoedig mogelijk realiseren van het reliëf en de inrichting van de volledige voormalige site Bohez te Ronse, gelegen aan de Schorissesteenweg. [...] Onderhavige milieuvergunning handelt over het resterende deel, met name het deel dat reeds vergund is geweest (milieuvergunning […] dd. 29.03.2012), en dus volledig is ingericht als stortplaats conform Vlarem II. De opvulling hiervan zal een minimale tijd in beslag nemen, zodat de gehele site snel kan worden ingericht zoals voorzien in het natuurinrichtingsplan waaraan de lopende stedenbouwkundige vergunning refereert.
[...]
[...] Stortvak 2A beschikt momenteel niet meer over een vergunning (zie bijlage G6a+b en de historiek van milieuvergunningen zoals toegevoegd in bijlage 1 van de MER-ontheffingsnota).
Het stortvak 2A werd ingericht conform Vlarem II (folie e.d.) voor een totale oppervlakte van ca. 1,9 ha en een volume van 76.000 m³. Slechts 12.921 m³ van de destijds vergunde 76.000 m³ werd gestort onder de vorm van steekvaste sedimenten (≥ 10 kN/m²). In het kader van het algemeen voorzorgsprincipe wordt de reeds gestorte materie (SV 2A deel 1) [...]
samengebracht in het meest noordelijke gedeelte van SV 2A en wordt afgewerkt als een geïsoleerde stortcel, conform alle geldende Vlarem II bepalingen. Dit gebeurt in samenspraak met Dept. Leefmilieu, Afd. Milieu-inspectie en OVAM, en onder de leiding van een stortplaatsdeskundige. Dit stortvak (SV 2A
deel 1) zal volledig afgewerkt zijn op het moment dat de vergunning verkregen wordt voor verdere exploitatie van SV 2A deel 2.
Voor de onderdelen bij verandering:
Onderhavige aanvraag heeft betrekking op de verdere opvulling van stortvak 2A deel 2 met een monostroom bedrijfsgebonden niet-reinigbare (niet-gevaarlijke) gronden.
Er wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de reeds (legaal) gestorte afvalstoffen van SV 2A deel 1 mee aan te vragen. Deze afvalstoffen werden gestort krachtens een geldige milieuvergunning ([…] dd. 29.03.2012). Ze werden geborgen in een aparte cel (o.a. aparte waterhuishouding), conform de bepalingen van Vlarem II, met als doel de mogelijke hinder of impact op het leefmilieu te voorkomen. Er kunnen geen afvalstoffen meer worden toegevoegd
VII-39.547-6/31
aan deze cel, gezien deze reeds volledig gesloten is.
Met OVAM werd afgesproken dat de volgende rubrieken dienen te worden aangevraagd:
- Stortvak 2A deel 2: monostortplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen:
rubriek 2.3.6.b.4
- Voor de vergunning van de legaal reeds gestorte afvalstoffen in stortvak 2A deel 1, de tijdens de vergunning toepasselijke rubriek:
rubriek 2.3.6.b.3
- Algemene rubriek voor stortplaatsen:
rubriek 2.4.4
Er wordt gesteld dat de aanwezigheid van de rubriek 2.3.6.b.3 geen beletsel is voor de rubriek 2.3.6.b.4 (monostortplaats), gezien beide afvalstromen netjes gescheiden zullen gedeponeerd zijn, in aparte cellen (ondermeer aparte waterhuishouding).
Verder zal de vergunde mazouttank buiten gebruik gesteld worden. De mazouttank en bijhorende verdeelslang zullen verwijderd worden.
Opmerking: de exploitant verklaart hierbij dat deze milieuvergunningsaanvraag geen afstand betekent van de hangende vorderingen voor de Raad van State, geen enkele nadelige erkenning inhoudt en wordt ingediend onder voorbehoud van alle rechten”.
3.11. Op 26 november 2014 vraagt de VZW Milieufront Omer Wattez om een bestuurlijke maatregel op te leggen om de reeds gestorte afvalstoffen te laten verwijderen. Op 9 januari 2015 beslist de afdeling Milieu-inspectie om niet in te gaan op dat verzoek, overwegende dat “OB&D nv vanaf 15 oktober 2014 tot 12 december 2014 de gestorte materialen op eigen initiatief heeft ingekapseld, door deze te herprofileren en te isoleren door middel van kleilagen en PE-folies en te voorzien van een eindafdeklaag, waarbij de aanvaarde stortplaatsdeskundige erop toegezien heeft dat deze werkzaamheden werden uitgevoerd conform de sectorale voorwaarden van artikel 5.2.4.5 VLAREM II dit om mogelijke milieueffecten van de niet afgewerkte stortplaats naar de omgeving toe maximaal te beheersen”, dat “de toezichthouders van de afdeling Milieu-inspectie tijdens de periode van de aanvoer van de afvalstoffen, maar ook na het arrest nr. 225.043 van de Raad van State van 10 oktober 2013, en dus na het stopzetten van de stortactiviteiten, verschillende plaatsbezoeken hebben uitgevoerd in en rond de voormalige cat. 2-stortplaats en geen verontreinigingen of hinder hebben vastgesteld”, dat “zowel bij de aanleg van de stortplaats als bij het inkapselen van de materialen OB&D nv de momenteel best beschikbare technieken heeft
VII-39.547-7/31
aangewend, zodat mag verwacht worden dat deze beschermingsmaatregelen de beste garanties bieden voor een langdurige bescherming op zeer lange termijn, dus ook na de voorziene nazorgperiode van 30 jaar”, dat “er nog een beroepsprocedure bij de Raad van State lopende is, zodat er momenteel nog geen definitieve beslissing over de vergunningstoestand van de voornoemde cat. 2-stortplaats genomen werd” en dat “in de huidige situatie het opleggen van de verzochte bestuurlijke maatregel, namelijk het bevel geven om „de gestorte afvalgrond te verwijderen en het terrein in zijn natuurlijke toestand te herstellen‟, op dit ogenblik dan ook disproportioneel en voorbarig zou zijn”.
3.12. Bij besluit van 19 maart 2015 verwerpt de Vlaamse minister het bestuurlijk beroep tegen de afwijzende beslissing van de afdeling Milieu-inspectie.
De VZW Milieufront Omer Wattez vordert de nietigverklaring van voornoemde beslissing (zaak A. 215.988/VII-39.400).
3.13. Tijdens het openbaar onderzoek over de nieuwe vergunningsaanvraag worden 72 bezwaarschriften ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse geeft een ongunstig advies over de aanvraag.
3.14. Op 26 maart 2015 weigert de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. Ze motiveert:
“De voorgestelde (incl. alternatieve) afwerking en aanplantingen wijken af van hetgeen werd vooropgesteld in het natuurontwikkelingsplan, dat werd opgemaakt op 15 januari 2007 en werd verankerd in de bovenvermelde stedenbouwkundige vergunning van 6 juli 2007 en hypothekeert de realisatie van de vooropgestelde nabestemming.
Bijgevolg dient eerst dit natuurontwikkelingsplan aangepast te worden vooraleer de gevraagde milieuvergunning kan afgeleverd worden.
Het feit dat de afwerking van een stortplaats categorie 2 de afdekking vereist met een kleilaag, een HDPE-folie en een drainagesysteem en een beperkte leeflaag van 1,5 m hypothekeert de ontwikkeling van de vooropgestelde bosvegetatie met de garantie dat de uitgevoerde afwerking van de stortplaats niet wordt aangetast. De kans is reëel dat het wortelgestel van de bosvegetatie op termijn het drainagesysteem aantast of de HDPE-folie en de kleilaag doorboort. In de ontheffingsnota wordt trouwens zelf aangegeven dat
VII-39.547-8/31
het niet wenselijk is om diepwortelende soorten aan te planten op de aangevraagde monostortplaats.
De exploitant dient de aard van de opvulling van stortvak 2 te kiezen in functie van de door de overheid sinds 2007 juridisch concreet vastgelegde nabestemming.
Aangezien de door de overheid vooropgestelde natuurontwikkeling niet wordt gegarandeerd en rekening houdend met de aanwezige habitatrichtlijngebieden in de onmiddellijke omgeving wordt geoordeeld dat de geplande stortplaats en de gevraagde regularisatie van de reeds aanwezige stortplaats niet verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving”.
3.15. Tegen deze weigeringsbeslissing tekent de NV OB&D
bestuurlijk beroep aan, waarin ze onder meer stelt:
“De vorige vergunningsaanvraag werd in laatste aanleg geweigerd op basis van het advies van de OVAM en de beweerde overcapaciteit die niet verenigbaar zou zijn met het Uitvoeringsplan „Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen‟.
Eén en ander werd daarom opnieuw afgestemd met de OVAM op basis waarvan een nieuwe milieuvergunningsaanvraag werd ingediend. Deze nieuwe aanvraag laat de lopende Raad van State-procedure uiteraard onverkort nu het voorwerp van de aanvraag op advies van - en in nauw overleg met - de OVAM
werd aangepast.
Doel van de voorliggende milieuvergunningsaanvraag is om de reeds in stortvak 2A gestorte materialen terug te laten vergunnen en een stortplaats categorie 2 voor bedrijfsgebonden niet-reinigbare en niet-gevaarlijke gronden aan te vragen voor de resterende opvulling van stortvak 2A (opvulcapaciteit van 62.079 m³).
Aan het concept van de exploitatie werd aldus niets gewijzigd. Enkel werd in de aanvraag een loutere herkwalificatie doorgevoerd van de te aanvaarden afvalstoffen, niets meer en niets min”.
3.16. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend:
a) het departement Ruimte Vlaanderen adviseert voorwaardelijk gunstig, verwijzend naar eerdere adviezen; of de nabestemming bosgebied kan worden gerealiseerd moet blijken uit de milieutechnische evaluatie, en hoe dan ook is het natuurontwikkelingsplan dat deel uitmaakt van de stedenbouwkundige vergunning van 6 juli 2007 bindend;
b) de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel Waterbeheer, adviseert eveneens voorwaardelijk gunstig;
VII-39.547-9/31
c) de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) “bevestigt [...] haar gunstig advies van 15 januari 2015 voor de aanvraag van de nv OB&D
voor het veranderen door uitbreiding en wijziging van de bestaande DOP met een bedrijfsgebonden stortplaats”;
d) de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen, het Agentschap voor Natuur en Bos, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie brengen een voorwaardelijk gunstig advies uit.
3.17. Op 1 oktober 2015 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de thans bestreden beslissing waarbij voor een termijn van twee jaar vergunning wordt verleend voor:
“[…] het uitbreiden van een DOP met een stortplaats categorie 2, […], omvattende:
- een stortplaats categorie 2 voor anorganische niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte met een opvulcapaciteit van 12.921m3;
- een mono-stortplaats categorie 2 voor bedrijfsgebonden, niet-reinigbare, niet-gevaarlijke gronden;
- een stortplaats die maximaal 1.050 ton per dag ontvangt;
- het verwijderen van de vergunde stookoliehouder van 5.000 liter;
- het verwijderen van de vergunde verdeelslang”.
In artikel 5.2 van dit besluit worden de volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd:
“- de doorwortelbare zone boven de deponie bedraagt 2 meter (1 meter teelaarde, 0,5 meter draineringslaag, 0,5 meter klei) waaronder zich de HDPE-folie bevindt; onder de HDPE-folie (waarbij de gebruikte foliematerialen minstens gelijkwaardig zijn aan een HDPE-folie van 2,5 mm dikte) bevindt zich een slecht doorlatende kleilaag gelijkwaardig aan een laag van 0,5 meter dikte met een K-waarde die kleiner of gelijk is aan 1.10-9 m/s;
- de laag met teelaarde bevat voldoende organisch materiaal en klei zodat de bodem over een voldoende vochthoudend vermogen beschikt voor het laten ontwikkelen van het bos;
- de effectief aangeplante loofboomsoorten zijn standplaatsgeschikt (dus passend voor de aan te brengen niet vervuilde grondlaag);
- het nieuw opgestelde natuurontwikkelingsplan wordt gevolgd;
VII-39.547-10/31
- in zone 8 (spontane bosontwikkeling) wordt geen teelaarde aangebracht zodat de inname door nitrofiele soorten wordt tegengegaan;
- de bodem van de gracht bestaat uit Diestiaan-steen: er wordt hiervoor geen afvalbeton gebruikt;
- de uitvoering van het aan te planten bos gebeurt op een minder kunstmatige manier; de bomen worden niet in rechte lijnen aangeplant zoals reeds uitgevoerd;
- de kwaliteit van het percolaat wordt in een logboek bijgehouden en er wordt pas met pompen van het percolaatwater gestopt wanneer dit water een aanvaardbare kwaliteit heeft bereikt en/of het blijkt dat de verontreinigde fractie niet kan infiltreren;
- de interne werfweg tot aan de stortplaats is verhard;
- een wielwasinstallatie;
- regelmatige reiniging van de wegenis door een borstelmachine;
- er wordt alleen gewerkt op weekdagen tussen 7u30 en 17u00;
- de aanvraag tot wijziging van de milieuvoorwaarden met toepassing van artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM wordt gedeeltelijk toegestaan; er wordt een groenscherm langsheen de oostzijde van de inrichting geplaatst; langsheen de westzijde wordt geen groenscherm aangebracht; langs de zuidzijde wordt een groenscherm geplaatst tot aan de zone die volgens het natuurontwikkelingsplan voorzien is van een gracht en amfibieënpoel; langs de noordzijde wordt er aanvankelijk een groenscherm geplaatst tot aan de weegbrug en acceptatiezone; op het moment dat de weegbrug en acceptatiezone niet meer noodzakelijk zijn, wordt de gehele noordzijde van de inrichting voorzien van een groenscherm”.
Voor de beoordeling van de zaak zijn de volgende overwegingen van het bestreden besluit van belang:
“[...]
Overwegende dat het beroep ingediend door de exploitant betrekking heeft op het weigeren van de milieuvergunning voor het uitbreiden van een DOP met:
- een stortplaats categorie 2 voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte met een opvulcapaciteit van 12.921 m³ (regularisatie) in stortvak 2A, deel 1;
- een mono-stortplaats categorie 2 voor bedrijfsgebonden niet-reinigbare, niet-gevaarlijke gronden met een opvulcapaciteit van 62.079 m³ in stortvak 2A, deel 2;
- een stortplaats die maximaal 1.050 ton per dag ontvangt;
[…]
Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 72 bezwaren werden ingediend die betrekking hebben op planologische onverenigbaarheid, strijdigheid met de beleidsvisie van de stad Ronse, onmogelijkheid tot uitvoering van het natuurontwikkelingsplan, strijdigheid met het gelijkheids-, onpartijdigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, een illegaal stort, geen kennis
VII-39.547-11/31
van de aard van de gestorte materialen, vermenging van gronden, stof-, geur- en verkeershinder, schadelijke invloed van het stort, onvoldoende garantie in de toekomst, risico op wortelpenetratie en windval, ernstige gevolgen voor de omringende natuur en voor de omwonenden die grondwater oppompen indien lekkage en reeds voldoende stortplaatsen categorie 2 voorhanden;
[…]
Overwegende dat de weigering in eerste aanleg gebaseerd is op onverenigbaarheid van een stortplaats met de nabestemming als bosgebied; dat, gezien de afwerking van een stortplaats categorie 2 de afdekking vereist met een kleilaag, HDPE-folie en een drainagesysteem en een beperkte leeflaag van 1,5 meter, deze stortplaats de ontwikkeling hypothekeert van de vooropgestelde bosvegetatie met de garantie dat de uitgevoerde afwerking van de stortplaats niet wordt aangetast; dat de kans reëel is dat het wortelgestel van de bosvegetatie op termijn het drainagesysteem aantast of de HDPE-folie en de kleilaag doorboort zodat er hemelwater door de afdichtlaag naar het stort zal sijpelen; dat in de ontheffingsnota zelf wordt aangegeven dat het niet wenselijk is om diepwortelende soorten aan te planten op de aangevraagde monostortplaats; dat de in de ontheffingsnota (p. 70-71) voorgestelde (alternatieve) afwerking en aanplantingen afwijken van hetgeen werd vooropgesteld in het natuurontwikkelingsplan dat werd opgemaakt op 15 januari 2007 en werd verankerd in de stedenbouwkundige vergunning van 6 juli 2007; dat bijgevolg eerst het natuurontwikkelingsplan moet aangepast worden vooraleer een milieuvergunning hiervoor kan verleend worden; dat bovendien de exploitant de aard van de opvulling van stortvak 2 moet kiezen in functie van de door de overheid sinds 2007 juridisch concreet vastgestelde nabestemming;
[…]
Overwegende dat met het besluit […] van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 28 april 2011 vergunning werd verleend voor een termijn verstrijkend op 28 april 2018 voor de verdere gedeeltelijke opvulling van een zandgroeve met niet-verontreinigde uitgegraven bodem en/of niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie met een capaciteit van 83.200 m³ (namelijk stortvak 1); dat evenwel met dit besluit van de deputatie van 28 april 2011 vergunning werd geweigerd voor een categorie-2-stortplaats voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte met een capaciteit van 76.000 m³ (stortvak 2A) (en een ontvangcapaciteit van 750 ton/dag); dat met het ministerieel besluit […] van 29 maart 2012 het besluit van de deputatie van 28 april 2011 werd gewijzigd in die zin dat nu ook de categorie-2-stortplaats voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte met een capaciteit van 76.000 m³ (en een ontvangcapaciteit van 750 ton/dag)
werd vergund en de vergunningstermijn werd beperkt tot 28 april 2016; dat de exploitant vanaf 26 augustus 2013 is gestart met het bergen van steekvaste sedimenten in stortvak 2A, deel 1 (circa 22.900 ton of 12.921 m³); dat evenwel met het arrest van de Raad van State nr. 225.043 van 10 oktober 2013 het ministerieel besluit van 29 maart 2012 werd vernietigd;
Overwegende dat met het ministerieel besluit […] van 21 mei 2014 het besluit […] van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 28 april
VII-39.547-12/31
2011 (weigering voor een categorie-2-stortplaats voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte met een capaciteit van 76.000 m³) werd bevestigd; dat de exploitant tegen deze beslissing in beroep is gegaan bij de Raad van State; dat de procedure momenteel nog lopende is; dat dit evenwel inhoudt dat er momenteel geen vergunning meer is voor een categorie-2-stortplaats in stortvak 2A, deel 1, voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte;
Overwegende dat onderhavige vergunningsaanvraag alleen stortvak 2A
betreft; dat voor stortvak 2A, deel 1, er momenteel geen milieuvergunning is, terwijl hier in het verleden al wel anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte werden gestort (met een opvulcapaciteit van 12.921 m³);
Overwegende dat met onderhavige vergunningsaanvraag getracht wordt om de reeds gestorte materialen in stortvak 2A, deel 1 (de hierboven vermelde stortplaats categorie 2-voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met laag organisch/bio-afbreekbaar gehalte met een opvulcapaciteit van circa 22.900 ton of 12.921 m³), te regulariseren waarbij deze reeds gestorte materialen worden afgedekt en geïsoleerd (een definitieve afsluitlaag met eindafdek bovenaan de stortcel); dat de verdere opvulling van het resterende volume zal gebeuren met een monostroom van bedrijfseigen niet-reinigbare, niet-gevaarlijke gronden (in stortvak 2A, deel 2) (opvulcapaciteit van 62.079 m³); dat deze monostroom niet-reinigbare gronden alleen afkomstig zal zijn van de eigen bedrijfsactiviteiten en niet van derden; dat de grondstromen afkomstig zullen zijn van de zusterbedrijven van OB & D, zijnde BSV en GRWestkust; dat gemiddeld 40.000 tot 60.000 ton gronden per jaar zal aangevoerd worden; dat het gronden betreft die volgens de actuele technische en economische kennis niet op een verantwoorde wijze kunnen gereinigd worden, doch die anderzijds wel moeten voldoen aan de sectorale acceptatiecriteria voor categorie-2-stortplaatsen;
Overwegende dat in de aanvraag vermeld wordt dat onderhavige milieuvergunningsaanvraag niet betekent dat afstand wordt genomen van de vergunningsaanvraag die momenteel bij de Raad van State ligt;
[…]
Overwegende dat volgens het ontheffingsdossier alleen streekeigen struik-
en boomsoorten zullen worden aangeplant in overeenstemming met het natuurontwikkelingsplan; dat het natuurontwikkelingsplan inhoudt dat het oorspronkelijke sterk glooiende reliëf zal worden hersteld op de OB & D- en Bohez-sites; dat vervolgens hier een bosgebied zal ontwikkeld worden deels door aanplanten van bomen en struiken op verschillende bodemtypes (afwerkingslagen variëren van rijke gronden tot arme, zandige gronden), deels door spontane ontwikkeling; dat daarnaast open ruimtes met moeras en ruigtevegetaties worden voorzien, namelijk moerassige depressies en poelen waar het hemelwater niet kan infiltreren wegens een onderliggende waterdichte kleilaag, en kruidachtige vegetaties (ruigten), onder andere op de zuidelijke hellingen; dat deze moerassige depressies en poelen reeds grotendeels zijn aangelegd (met name langs de site Bohez);
Overwegende dat de keuze van de aanplantplaats van de boomsoorten in
VII-39.547-13/31
zone 5 van het natuurontwikkelingsplan zal uitgevoerd worden in functie van de bodemgesteldheid (de diepst wortelende soorten ter hoogte van de DOP en de categorie-3-stortplaats van Bohez, de ondiep wortelende soorten eerder bovenop de monostortplaats); dat het ondiep wortelen van de aangeplante soorten eveneens via hakhoutbeheer zal gestimuleerd worden; dat de soortenlijst uit het natuurontwikkelingsplan zal gerespecteerd worden;
Overwegende dat de stedenbouwkundige vergunning van 6 juli 2007
voorwaardelijk gunstig is; dat in de voorwaarden ervan wordt opgelegd dat de voorwaarden van het subadvies (voorwaardelijk gunstig) van het Agentschap voor Natuur en Bos van 16 maart 2007 moeten worden uitgevoerd; dat dit de volgende voorwaarden zijn:
- het nieuw opgestelde natuurontwikkelingsplan wordt gevolgd;
- in zone 8 (spontane bosontwikkeling) wordt geen teelaarde aangebracht zodat de inname door nitrofiele soorten wordt tegengegaan;
- de bodem van de aan te leggen gracht bestaat uit Diestiaan-steen (dit is voldoende aanwezig op de site); er wordt hiervoor geen afvalbeton gebruikt;
- de uitvoering van het aan te planten bos gebeurt op een minder kunstmatige manier; de bomen worden niet in rechte lijnen aangeplant zoals reeds uitgevoerd;
dat het aangewezen is dat deze voorwaarden expliciet worden opgenomen in de bijzondere voorwaarden van onderhavig besluit; dat in het subadvies van 16 maart 2007 van het Agentschap voor Natuur·en Bos eveneens vermeld wordt dat in het ontwikkelingsplan aan de zuidzijde steile hellingen werden voorzien;
dat dit mogelijke erosie tot gevolg kan hebben; dat daarom dit ontwikkelingsplan werd herzien door de versie van 1 december 2006 waarbij de steile hellingen worden beperkt en een zuidelijke gracht met verspreide poelen in trapvorm wordt voorzien; dat dit nieuwe plan grotendeels overeenkomt met het eerste natuurontwikkelingsplan, uitgezonderd de toevoeging van de erosiewerende ingrepen;
Overwegende dat het subadvies van 26 juni 2015 van het Agentschap voor Natuur en Bos voorwaardelijk gunstig is; dat volgens het Agentschap voor Natuur en Bos het realiseren van de nabestemming bos met passende afwerking geen aantasting zal inhouden van het naburige habitatrichtlijngebied of van de instandhoudings-doelstellingen daarvoor; dat in dit verband verwezen wordt naar het subadvies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 24 februari 2009;
Overwegende dat in bijlage bij het subadvies van 26 juni 2015 van het Agentschap voor Natuur en Bos een kopij van het voorwaardelijk gunstige subadvies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 7 december 2009 (in het kader van de milieuvergunningsaanvraag voor het opvullen van stortvak 1 met niet-verontreinigde grond dat voor 80% voldoet aan de bodemsaneringsnorm voor bestemmingstype I), voor het opvullen van stortvak 2 met niet-reinigbare sedimenten (besluit [...] van 11 maart 2010 van de deputatie [...] ) gevoegd is;
dat in deze milieuvergunningsaanvraag van 2009 eveneens een afsluitlaag (geologische barrière en HDPE-folie) en een afdichtlaag (slecht doorlatende laag bodemmateriaal met daarop een HDPE-folie) met eindafdek (drainerende
VII-39.547-14/31
laag en bewortelingslaag) wordt voorzien; dat volgens dit subadvies van 7 december 2009 het bij de afwerking van het stort belangrijk is dat de HDPE-folie onder de kleilaag wordt voorzien zodat de bewortelbare ruimte 2 meter dik zal zijn; dat de wortels zich hoofdzakelijk zullen ontwikkelen in de 1-meter-dikke laag teelaarde; dat immers, indien de grond van voldoende kwaliteit is, de wortels niet onmiddellijk de neiging zullen hebben om dieper uit te groeien, wat ze wel zouden doen in moeilijker omstandigheden; dat volgens dit subadvies van 7 december 2009 het vochtophoudend vermogen van de teelaarde voldoende groot moet zijn (voldoende hoog gehalte aan klei en compost) zodat de bomen niet zullen leiden onder droogtestress; dat dus de kans dat er zich veel wortels in de kleilaag zullen ontwikkelen gering is; dat, indien de wortels toch de diepte van de folie bereiken, deze wortels zullen afbuigen en de folie niet doorboren; dat volgens dit subadvies van 7 december 2009 een folie onder de afsluitende kleilaag een goede garantie is in het voorkomen dat het niet-reinigbaar materiaal vrijkomt onder andere bij een windworp (waarbij een wortelkluit een deel van de bodemlaag opheft); dat volgens dit subadvies een eindafdek van 2 meter diepte niet zal verhinderen dat de bomen stevige wortelstelsels kunnen ontwikkelen zodat de eindbestemming bos effectief kan gehaald worden;
Overwegende dat volgens het subadvies van 26 juni 2015 voor het gehele ontginningsgebied een natuurontwikkelingsplan is opgemaakt; dat dit natuurontwikkelingsplan is verankerd in de stedenbouwkundige vergunning van 6 juli 2007; dat het aanplanten van het bos, zoals voorzien in het natuurontwikkelingsplan, dus al beslist is; dat hierbij wel een goede afwerkingslaag nodig is zodat het bos zich ook op lange termijn goed kan ontwikkelen; dat de milieuvergunning kan verleend worden mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de doorwortelbare zone bedraagt 2 meter (1 meter teelaarde, 0,5 meter draineringslaag, 0,5 meter klei) waaronder zich de HDPE-folie bevindt;
- de laag met teelaarde bevat voldoende organisch materiaal en klei zodat de bodem over een voldoende vochthoudend vermogen beschikt voor het laten ontwikkelen van het bos;
- de effectief aangeplante loofboomsoorten zijn standplaatsgeschikt (dus passend voor de aan te brengen niet vervuilde grondlaag);
dat het aangewezen is om deze voorwaarden op te nemen in de bijzondere voorwaarden; dat bijgevolg kan aangenomen worden dat, mits de hierboven vermelde maatregelen worden nageleefd, de deponie niet de nabestemming van bosgebied hypothekeert; [...]”.
VII-39.547-15/31
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
4. De tussenkomende partij doet in haar laatste memorie afstand van de exceptie die reeds werd verworpen in tussenarrest nr. 234.507 van 26 april 2016.
V. Onderzoek van de middelen
Tweede middel
Standpunt van de partijen
5. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), van artikel 11, § 3, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: materialendecreet), van artikel 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), van het integratiebeginsel en van het vertrouwens-, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het motiveringsbeginsel, doordat:
“- de Vlaamse minister van Leefmilieu in het kader van deze beroepsprocedure op 21 mei 2014 de vergunning weigerde voor categorie 2-stortplaats voor anorganische niet gevaarlijke afvalstoffen met laag organisch/bioafbreekbaar gehalte omwille van de strijdigheid met het uitvoeringsplan „Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen‟ en verweerster met voorliggend besluit geen deugdelijke motieven aanreikt om hier van af te wijken, - de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw in haar besluit van 1 oktober 2015 in het kader van een nieuwe vergunning de regularisatie voorziet van de categorie 2-stortplaats voor anorganische niet gevaarlijke afvalstoffen met laag organisch/bioafbreekbaar gehalte en doordat de Minister er aan voorbij gaat dat deze regularisatie betrekking heeft op de Vlarem rubriek 2.3.6.b.3), - illegaal liggende afvalgronden niet door een nieuwe milieuvergunning
VII-39.547-16/31
kunnen geregulariseerd worden en er in de voorliggende vergunning geen afdoende argumenten terug te vinden zijn die een regularisatie verantwoorden, - OB&D NV een vergunningsaanvraag gedaan heeft voor de Vlarem rubriek 2.3.6.b.4) monostortplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen, andere dan inerte afvalstoffen hoewel de reeds gestorte afvalgronden onder de Vlarem rubriek 2.3.6.b.3) ressorteren, - niet aangetoond werd dat OB&D NV, noch zijn zusterbedrijven BSV en GRWest over bedrijfseigen afvalgronden beschikken in de hoeveelheden die werden vergund om te storten, zijnde 40.000 tot 60.000 ton per jaar”.
In de toelichting bij het middel zet de verzoekende partij uiteen dat artikel 11, § 3, van het materialendecreet bepaalt dat milieuvergunningen bedoeld in § 1 van dat artikel enkel kunnen worden verleend als ze niet strijdig zijn met de bepalingen van het decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan en de uitvoeringsplannen. OVAM heeft op 4 november 2013 wat de stortplaats categorie 2 betreft, een ongunstig advies verleend, waarna de verwerende partij de vergunning heeft geweigerd, overwegende:
“[...] dat de te storten materialen zullen worden aangeleverd vanuit daartoe vergunde en/of erkende grond- en slibrecyclagecentra of vanuit conform verklaarde bodemsaneringsprojecten, waarbij door de OVAM werd verklaard dat de materialen als niet-reinigbaar beschouwd moeten worden;
Overwegende dat er in het advies van de OVAM van 4 november 2013
wordt verwezen naar het Uitvoeringsplan „Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen‟; dat dit uitvoeringsplan betrekking heeft op alle bedrijfsafvalstoffen die terechtkomen in de beschikbare eindverwerkingscapaciteit voor niet-gevaarlijk afval in Vlaanderen (onder andere de categorie 2-stortplaatsen); dat de afstemming van de stortcapaciteit op het aanbod een strategie is van dit uitvoeringsplan; dat deze strategie uitmondt in de taakstelling dat de beschikbare stortcapaciteit voor niet-gevaarlijk afval in Vlaanderen afgestemd is op het aanbod niet-brandbaar huishoudelijk en bedrijfsafval voor verwijdering op lange termijn;
Overwegende dat uit het advies van de OVAM blijkt dat er planmatig geen extra categorie 2-stortplaats wenselijk is aangezien er voldoende capaciteit is op de bestaande categorie 2-stortplaatsen; dat het vergunnen van de categorie 2-stortplaats een negatieve impact zou hebben op de efficiënte benutting en afwerking van de categorie 2-stortplaatsen in Vlaanderen; dat dit onder meer van belang is om de hinder van de verschillende stortplaatsen in de tijd te beperken en om de realisatie van de nabestemming op de betrokken locaties te bespoedigen;
Overwegende dat de te storten afvalstoffen voor de categorie 2-stortplaats uit onderhavige aanvraag zonder problemen op de bestaande categorie
VII-39.547-17/31
2-stortplaatsen gestort kunnen worden; dat door het vergunnen van de stortplaats categorie 2 van onderhavige aanvraag er in het Vlaamse Gewest een overcapaciteit beschikbaar zal zijn ten opzichte van het afvalaanbod; dat dit in strijd is met het Uitvoeringsplan „Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen‟;
Overwegende dat artikel 11, § 3, van het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (materialendecreet) stelt dat milieuvergunningen alleen kunnen worden verleend als ze niet strijdig zijn met de bepalingen van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan en de uitvoeringsplannen; dat het verlenen van de milieuvergunning voor de categorie 2-stortplaats in strijd zou zijn met het Uitvoeringsplan „Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen‟ en bijgevolg niet verleend kan worden [...]”.
In haar advies van 2 juni 2015 over de nieuwe vergunningsaanvraag, schrijft OVAM evenwel:
“De OVAM heeft op 15 januari 2015 [...] een GUNSTIG advies verleend voor de aanvraag van de nv OB&D voor het veranderen door uitbreiding en wijziging van de bestaande DOP met een bedrijfsgebonden stortplaats voor niet-reinigbare, verontreinigde gronden afkomstig van de eigen bedrijvigheid van de exploitant gelegen in een zandgroeve (meer bepaald het ingerichte stortvak 2A, deel 2) te Ronse voor een termijn van 2 jaar.
Vanuit het oogpunt afval- en materialenbeleid kan de aangevraagde stortplaats op heden vergund worden met de aanvaarding van de bedrijfseigen afvalstroom, die zou instaan voor een voldoende grote aanvoer op de stortplaats (gemiddeld 40.000 ton/jaar). Op die manier kan de site op een zeer korte termijn van maximum 2 jaar worden opgevuld, zodat het landschapsherstel en de nabestemming bosgebied snel kan gerealiseerd worden”.
Volgens de verzoekende partij “rept [de bestreden beslissing]
met geen woord over de twee adviezen van OVAM en evenmin over de toepassing van de bepaling van het Materialendecreet en de uitvoeringsplannen”. Ze citeert omstandig uit het uitvoeringsplan “Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen”, en stelt vervolgens:
“OVAM verwijst in diens advies d.d. 2/6/2015 naar „Vanuit het oogpunt afval- en materialenbeleid kan de aangevraagde stortplaats op heden vergund worden met de aanvaarding van de bedrijfseigen afvalstroom‟. OVAM komt hierbij niet verder dan in zeer algemene termen te verwijzen naar het „afval- en materialenbeleid‟ zonder concreet en precies aan te halen in welk uitvoeringsplan dan wel staat dat er voor „bedrijfseigen afval‟ een uitzondering
VII-39.547-18/31
kan gemaakt worden op het hierboven aangehaalde moratorium op afvalstromen.
Niet alleen heeft dit advies een motiveringsgebrek, tevens stellen we vast dat de adviesverlener hiermee het vertrouwensbeginsel geschonden heeft, door eerst in 2013 in diens advies op een concrete beleidsdoelstelling uit een goedgekeurd uitvoeringsplan te wijzen en later die beleidsdoelstelling links te laten liggen en een andersluidend advies te formuleren, dit terwijl er nergens een concrete bepaling is die stelt dat bedrijfseigen afval anders dient beoordeeld te worden dan afval afkomstig van andere bedrijven.
In de provinciale milieuvergunningscommissie verklaarde OVAM […]:
„(..) OVAM stelt dat het dossier zoals het nu voorligt voor een stuk is doorgesproken met OVAM, omdat er na de weigering van de minister uiteindelijk een definitieve oplossing moet worden gevonden om de eindafwerking te kunnen realiseren. Het dossier sleept reeds veel te lang aan.
(..)‟. Dit betreft echter allerminst een deugdelijk element om af te wijken van het goedgekeurde uitvoeringsplan.
Doordat de Minister eveneens niet motiveert waarom ze afwijkt van het hierboven geciteerde uitvoeringsplan is diens besluit eveneens behept met een motiveringsgebrek. Door niet na te gaan waarom OVAM plots een andersluidend advies formuleert heeft ze tevens onzorgvuldig gehandeld.
Tevens heeft ze hiermee artikel 11 §3 van het Materialendecreet geschonden door niet aan te geven waarom diens besluit verzoenbaar is met het geciteerde uitvoeringsplan”.
Voorts argumenteert zij, specifiek wat het gedeelte regularisatie betreft:
“De door OB&D NV […] reeds aangevoerde afvalgronden liggen er door de uitspraak van de Raad van State van 10 oktober 2013 illegaal. OB&D NV
heeft geen excuus voor het feit dat er geen afvalgronden mogen gestort zijn.
Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur heeft op 21 mei 2014
[…] de vergunning geweigerd voor de categorie 2-stortplaats voor anorganische niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bioafbreekbaar gehalte.
Het ging hier over de weigering voor een categorie 2-stortplaats voor de rubriek 2.3.6.b.3).
[…]
De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw heeft op 1 oktober 2015 beslist om aan OB&D NV opnieuw een milieuvergunning toe te kennen voor een categorie 2-stortplaats voor de rubriek 2.3.6.b.3).
In de overweging die aan deze beslissing vooraf gaat, staat het volgende:
„(..) Overwegende dat voor stortvak 2A, deel 1, er momenteel geen milieuvergunning is, terwijl hier in het verleden al wel anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bioafbreekbaar gehalte werden gestort (met een opvulcapaciteit van 12.921 m³); Overwegende dat met onderhavige vergunningsaanvraag getracht wordt om de reeds gestorte materialen in stortvak 2A, deel 1, te regulariseren waarbij deze reeds gestorte materialen worden afgedekt en geïsoleerd (een definitieve afsluitlaag met
VII-39.547-19/31
eindafdek bovenaan de stortcel; (..)‟ In de betwiste vergunning van 1 oktober 2015 werden door de Minister voor de rubriek 2.3.6.b.3) geen nieuwe argumenten naar voor gebracht die het verlenen van de vergunning voor deze rubriek zouden verantwoorden.
Het feit dat de stortplaats waarvoor geen vergunning bestaat, werd afgedekt overeenkomstig de Vlarem voorwaarden, vormt geen geldige verantwoording om de vergunning vooralsnog toe te kennen.
Voor eenzelfde rubriek werd op 21 mei 2014 en op oktober 2015 bijgevolg een volledig tegenovergestelde beslissing genomen zonder bijkomende motivatie. Dit getuigt niet van behoorlijk bestuur.
[…]
In ieder geval zijn er geen afdoende motieven die het regulariseren van de gestorte grond verantwoorden. Daarnaast vertrekt verweerster van een fout gegeven dat het hier om een bestaande stortplaats zou gaan”.
Wat betreft de vergunning voor de “mono-stortplaats categorie 2
voor bedrijfsgebonden, niet-reinigbare, niet-gevaarlijke gronden” meent de verzoekende partij dat deze omschrijving, die niet overeenstemt met een indelingsrubriek, op misleidende wijze de termen “mono-stortplaats” en “bedrijfsgebonden” hanteert. Zij heeft bij OVAM gegevens opgevraagd over de activiteiten van de zusterbedrijven van wie de bedrijfsgebonden afvalstoffen afkomstig zouden zijn, en stelt dat de betreffende niet-reinigbare gronden afkomstig zijn van derden.
6. De verwerende partij antwoordt dat het advies van OVAM van 2 juni 2015 gunstig is en dat het op 15 januari 2015 in eerste aanleg verleende gunstig advies er uitdrukkelijk in wordt bevestigd. Zij haalt laatstvermeld advies uitvoerig aan, inzonderheid waar gesteld wordt dat de goedgekeurde toekomstvisie “De rol van stortplaatsen binnen het materialenbeleid” niet van toepassing is op “onder meer monostortplaatsen voor bagger- en ruimingsspecie en op andere bedrijfsgebonden monostortplaatsen, aangezien op deze stortplaatsen enkel specifieke afvalstromen worden gestort afkomstig van de eigen bedrijvigheid van de exploitant (de afvalstromen zijn dus niet afkomstig van derden)”, zodat “[v]anuit het oogpunt afval- en materialenbeleid […] de aangevraagde stortplaats op heden vergund [kan] worden met de aanvaarding van de bedrijfseigen afvalstroom, die zou instaan voor een voldoende grote aanvoer op de stortplaats”.
VII-39.547-20/31
Voorts benadrukt zij dat de verzoekende partij verwijst naar een advies van OVAM over een “andersluidende” milieuvergunningsaanvraag en dat niet valt in te zien waarom zij daaromtrent iets zou moeten hebben motiveren, “te meer wanneer blijkt dat het standpunt in dit advies door de gespecialiseerde adviesverlenende instantie (OVAM) thans zelf wordt tegengesproken”. In voorliggende procedure werd volgens haar door OVAM duidelijk uiteengezet “waarom de beoogde exploitatie wél verenigbaar is met het uitgestippelde afval-
en materialenbeleid”, en de verzoekende partij toont niet aan waarom wel rekening diende te worden gehouden met het door haar genoemde uitvoeringsplan. In dit verband verwijst zij naar de motivering van de bestreden beslissing. Uit de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, zo vervolgt zij, zou geen verplichting voortvloeien om te motiveren waarom wordt afgeweken van de weigeringsbeslissing van 21 mei 2014, te meer omdat het bestreden besluit “volledig in de lijn ligt van de verscheidene adviezen die zijn gegeven”.
Daarenboven geldt dat zij als beroepsinstantie niet moet antwoorden op adviezen die in voorgaande procedures werden verleend.
De verwerende partij haalt de wijze aan waarop stortvak 2A, deel 1, wordt beschreven in het advies van OVAM van 15 januari 2015 en leidt daaruit af dat de tussen 26 augustus 2013 en 10 oktober 2013 gestorte afvalstoffen wel degelijk bij de zaak werden betrokken. Dit advies zou daarom verantwoorden waarom een regularisatievergunning verleend kan worden. In ondergeschikte orde merkt de verwerende partij op dat “[d]e motivering die gebruikt wordt om de afdekking te vergunnen, […] vanzelfsprekend niet de finaliteit van een vergunde afdekking op zich voor ogen [heeft], maar in de eerste plaats de vergunning voor de baggerresidu en de directe bestaansreden van de verschillende lagen zelf”.
7. De tussenkomende partij merkt vooreerst op dat voorliggende vergunning een ander voorwerp en andere finaliteit heeft dan de aanvraag waarover OVAM op 4 november 2013 advies heeft uitgebracht en dat OVAM in het kader van deze aanvraag een gunstig advies heeft uitgebracht. Voorts zet zij uiteen dat de verzoekende partij uitgaat van een foutieve opvatting over de
VII-39.547-21/31
formelemotiveringsplicht omdat “[e]r […] geen enkele rechtsregel [is] die vereist dat de minister aangeeft waarom ze al dan niet „afwijkt‟ van (in een andere vergunningsprocedure uitgebrachte) adviezen”, dat de bestreden beslissing “volledig in de lijn ligt van de uitgebrachte adviezen en de kritiek van verzoekende partij zich richt op eerdere beslissingen of adviezen (in eerste aanleg of zelfs naar aanleiding van een andere aanvraag)”, dat het uitvoeringsplan “Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen” te dezen niet van toepassing is omdat het een uitwerking bevat van het beleid inzake huishoudelijk restafval voor de gemeenten, dat, zoals aangegeven in het advies van OVAM van 15 januari 2015, “rubriek 2.3.6.b.3 [van bijlage 1 bij Vlarem I m.b.t. een categorie 2-stortplaats voor anorganische, niet-gevaarlijke afvalstoffen met een laag organisch/bioafbreekbaar gehalte] […] enkel [wordt] aangevraagd om de sectorale voorwaarden inzake afwerking en nazorg te kunnen opleggen en aldus de tussen 26 augustus en 10 oktober 2013 gestorte afvalstoffen (ca 22.900 ton) conform de VLAREM II-bepalingen te kunnen afdekken en isoleren”, dat OVAM “in haar toets aan het afval- en materialenbeleid expliciet aan[geeft] dat het afval- en materialenbeleid toestaat dat de aangevraagde stortplaats wordt vergund”, dat het ontbreken van een verwijzing naar het uitvoeringsplan “Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen” evident is aangezien een bedrijfsgebonden monostortplaats niet onder toepassing van dit uitvoeringsplan valt en dat een afvalstoffenuitvoeringsplan hoe dan ook geen weigeringsgrond kan zijn voor een milieuvergunningsaanvraag en dat een beweerd stortmoratorium uiteraard geen betrekking kan hebben op de eigen bedrijfsafvalstoffen.
In haar memorie vervolgt de tussenkomende partij:
“De formele motiveringsplicht vereist hoegenaamd niet dat eerdere andersluidende vergunningsbeslissingen worden weerlegd. Het is voldoende dat de bestreden beslissing prima facie voldoende de redenen laat blijken op grond waarvan de vergunningverlenende overheid tot het besluit is gekomen dat de milieuvergunning kon worden verleend mits het strikt naleven van opgelegde milieuvoorwaarden. Daarbij vinden de motieven steun in de uitgebrachte adviezen.
De verzoekende partij kan enkel op de voormelde adviezen van de OVAM
voortgaan, niet op een advies dat werd uitgebracht in kader van een andere
VII-39.547-22/31
milieuvergunningsaanvraag. Dit gewijzigd voorwerp is ook de reden waarom er geen sprake kan zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel in hoofde van de adviesverlenende overheid: deze laat de beleidsdoelstellingen niet „links liggen‟ zoals de verzoekende partij stelt […], de OVAM heeft enkel de toets gemaakt aan wat relevant is en wat niet.
Dit geldt evenzeer voor de Minister zelf. Uiteraard motiveert de Minister niet waarom zij afwijkt van het uitvoeringsplan […], nu dit uitvoeringsplan niets van doen heeft met de door de tussenkomende partij aangevraagde milieuvergunning en er dus geen sprake is van enige afwijking. Dat de OVAM
een andersluidend advies motiveert is daarenboven louter terug te brengen naar het gewijzigde voorwerp en impliceert niet dat de verwerende partij diende na te gaan „waarom OVAM plots een andersluidend advies formuleert‟. De verzoekende partij heeft allerminst onzorgvuldig gehandeld.
Los van het repetitieve standpunt van de verzoekende partij is er in de huidige procedure van de kant van de overheid (vergunningverlener of adviesverlener) daarenboven nooit sprake geweest van de toepassing van het uitvoeringsplan. Reden waarom het louter teruggrijpen door de verzoekende partij naar de adviezen uitgebracht in kader van een eerdere vergunningsprocedure met een ander voorwerp de énige link leggen naar dit uitvoeringsplan.
De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd.
[…] Aangaande het nieuw zijn van de categorie 2-stortplaats en het bedrijfseigen karakter van de afvalstoffen.
Vervolgens voert de verzoekende partij een zeer feitelijk en technisch discours dat in de administratieve procedure thuishoort en niet in huidige procedure.
Verzoekende partij lijkt verder te suggereren dat de afvalstoffen van BSV
en GRC Westkust geen eigen afvalstoffen zouden zijn en/of dat zij niet de producent zouden zijn van de stromen. Zij stelt zich vragen bij de eigenlijke reinigbaarheid van de gronden […].
Vooreerst kunnen vragen gesteld worden bij haar belang bij dit onderdeel:
de specifieke oorsprong van de afvalstoffen - al dan niet afkomstig van eigen werven - is irrelevant voor het ontwikkelen van de nabestemming bosgebied, het element waaraan de verzoekende partij haar belang vastknoopt. Waar zij stelt dat de categorie 2 stortplaats de nabestemming bosgebied hypothekeert, is het weinig ernstig om de oorsprong van de afvalstoffen te bekritiseren.
Daarnaast verliest zij het feitelijke proces uit het oog.
Er wordt niet ingezien op welke wijze de verzoekende partij is gebaat bij het in vraag stellen van de aard en de hoeveelheid aan te voeren afvalstoffen.
Het staat haar vrij zich vragen te stellen bij de hoeveelheid stortmateriaal, doch dit is een handhavingskwestie. De verzoekende partij neemt hier de plaats in van de toezichthoudende, handhavende overheid, zonder dat zij zelf belang kan hebben bij dit onderdeel. De verzoekende partij stelt […]:
„Controle door de toezichthoudende overheid naar de bron van de afvalgrond is in theorie nog mogelijk maar zeer moeilijk en wordt normaliter niet uitgevoerd. Gevolg is dat de milieuhandhavende overheden, de stad Ronse en haar bevolking geen weet zullen hebben van welke afvalgronden er op het grondgebied worden gestort.‟
VII-39.547-23/31
De verzoekende partij anticipeert reeds op een vermeend gebrek aan handhaving door de Afdeling Milieu-inspectie. Zo zou controle door de toezichthoudende overheid in theorie mogelijk zijn maar zeer moeilijk en zou dit „normaliter niet worden uitgevoerd‟. Dit vormt uiteraard niet het voorwerp van huidige procedure […], laat staan dat hiermee het spoedeisend karakter van de vordering mee kan worden onderbouwd. Het is trouwens perfect mogelijk na te gaan welke gronden worden gestort. De monostortplaats bevindt zich in een aparte stortcel, gescheiden met een gelaste folieplaat van de niet-monostortplaats. Dit is ten gronde uitgediscussieerd met de OVAM. De gestorte afvalstromen, zijn enkel afkomstig van het eigen grondrecyclagebedrijf BSV/GRWestkust. De OVAM heeft deze afvalstromen reeds gecontroleerd aan de bron. Alle voorzieningen, zoals opgelegd in de VLAREM, zijn getroffen, zodat schade aan de leefomgeving niet mogelijk is. Het vermeende gebrek aan kennis heeft trouwens - anders dan verzoekende partij stelt - op zich uiteraard niet tot gevolg dat ernstige schade aan de bodem en de natuur ontstaat.
De verzoekende partij kan dit niet ernstig opwerpen en hieruit kan uiteraard geen middel worden gepuurd.
Daarnaast moet de concrete werkwijze geduid worden, waaruit blijkt dat de tussenkomende partij wel degelijk over voldoende bedrijfseigen afvalstoffen beschikt.
Gronden komen in het kader van de regeling grondverzet bij BSV en GRC
Westkust terecht als grondrecyclagecentra (GRC). Ze worden daar gereinigd en opgeslagen (TOP) in afwachting van de afvoer van hun definitieve bestemming.
De niet reinigbare gronden krijgen na onreinigbaarverklaring het statuut van afvalstof (waar zij eerder als „uitgegraven bodem‟ dienden te worden gekwalificeerd). BSV/GRC Westkust zijn dus wel degelijk de producenten van deze afvalstoffen.
De gegevens uit de Integrale Milieujaarverslagen zijn echter een geheel verkeerd uitgangspunt. Omdat de tussenkomende partij op vandaag niet beschikt over een geschikte mogelijkheid om de niet-reinigbare en niet-gevaarlijke gronden te deponeren, werden deze steeds naar andere sites afgevoerd. De site in kwestie is van doorslaggevend belang omdat de tussenkomende partij de niet-reinigbare gronden niet langer wil afvoeren naar andere vennootschappen, maar deze zelf wil kunnen deponeren.
Daarnaast moet de vraag gesteld worden waarom de tussenkomende partij al sinds 2007 bezig is met het verkrijgen van een gepaste milieuvergunning wanneer zou blijken dat zij niet over de correcte afvalstoffen, laat staan over de benodigde hoeveelheden stoffen beschikt? Dat de tussenkomende partij blijft volharden in het verkrijgen van deze milieuvergunning en alles in het werk stelt om de site te mogen exploiteren en vervolgens afwerken, bewijst eens te meer dat zij wel degelijk beschikt over het benodigde opvulmateriaal.
Zo worden ook de reeds gestorte stoffen opnieuw onder vuur genomen.
Van illegaal gestorte afvalstoffen is geen sprake. Er werd steeds gestort conform een geldige milieuvergunning. De activiteit was correct vergund en werd uitgevoerd volledig in overeenstemming met de algemene, sectorale en bijzondere uitbatingsvoorwaarden. Na de vernietiging door Uw Raad werden de activiteiten onmiddellijk stopgezet. De reeds gestorte hoeveelheden werden geregulariseerd door middel van het nieuwe besluit. De stelling van
VII-39.547-24/31
verzoekende partij dat het zou gaan om een aanvraag voor een nieuwe stortplaats strijdt manifest met de feiten aangezien deze stortplaats eerder al werd vergund en zelfs gerealiseerd.
Het is de tussenkomende partij ook niet duidelijk wat de relevantie is van de analyse van de activiteiten en processen van SILVAMO. De informatie omtrent SILVAMO […] wordt trouwens niet gevoegd.
[…] Betreffende de Motiveringswet en de beginselen van behoorlijk bestuur Ter voldoening aan de formele motiveringsplicht volstaat het dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden vermeldt waarop de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd […]. Dit geldt des te meer daar het bestreden besluit volledig in de lijn ligt van de uitgebrachte adviezen en de kritiek van verzoekende partij zich richt op eerdere beslissingen of adviezen (in eerste aanleg of zelfs naar aanleiding van een andere aanvraag).
Maar er is nog meer nu de vermelde beslissing betrekking had op een ander voorwerp, zoals verzoekende partij trouwens zelf aangeeft. Deze is dan ook niet zomaar transponeerbaar naar huidig dossier. Het UMBHA is daarenboven niet van toepassing op voorliggend dossier, nu het een uitwerking bevat van het beleid inzake huishoudelijk restafval voor de gemeenten […].
En er is nog meer. Dit alles geldt nog los van de vraag in hoeverre een uitvoeringsplan een weigeringsgrond kan vormen in het kader van een milieuvergunningsaanvraag. Niet alleen kan de economische leefbaarheid van andere stortplaatsen geen basis vormen van een weigeringsbeslissing, uit rechtspraak van Uw Raad blijkt tevens dat het UMBHA niet kan worden aangewend als weigeringsmotief:
[…].
De argumentatie op dit punt heeft trouwens geen betrekking op de bedrijfseigen afvalstoffen van OB&D en haar zustervennootschappen. Een beweerd stortmoratorium kan uiteraard geen betrekking hebben op de eigen bedrijfsafvalstoffen. Verzoekende partij geeft trouwens zelf toe dat deze argumentatie niet geldt voor monostortplaatsen voor afvalstoffen van de eigen bedrijvigheid.
[…]
Oordelen dat de formele motiveringsplicht vereist dat uit de bestreden beslissing moet worden begrepen waarom de vergunning die op 21 mei 2014
niet kon worden verleend, op 1 oktober 2015 wel kon worden verleend, gaat te ver en strijdt met de vaste rechtspraak van uw Raad. Zo houdt de formele motiveringsplicht bijvoorbeeld niet in dat een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde bezwaren […] of op elk van de ingewonnen adviezen […]. Het volstaat dat betrokkene in de beslissing de motieven kan aantreffen die de beslissing verantwoorden en waaruit blijkt op welke gronden de beslissing zich baseert. De formele motiveringsplicht reikt niet zo ver, laat staan dat moet worden gemotiveerd waarom een eerdere beslissing - met een ander onderwerp - andersluidend was.
Nu dit argument ook louter betrekking heeft op rubriek 2.3.6., b), 3)
(houdende de afvalstoffen die reeds waren gestort voor het vernietigingsarrest van 10 oktober 2013) dient ook verwezen te worden naar arrest GUNS van 20 september 2005[…]. Uw Raad oordeelde toen dat de formele
VII-39.547-25/31
motiveringsplicht niet vereist dat de vergunningverlenende overheid ten aanzien van elke toepasselijke indelingsrubriek of elk onderdeel van de aanvraag afzonderlijk motiveert waarom de vergunning al dan niet kan worden verleend. De vergunningverlenende overheid kan er volgens vaste rechtspraak van uw Raad mee volstaan om te motiveren waarom het hoofdbestanddeel van de aanvraag wordt verleend of geweigerd. Zij hoeft geen specifieke motivering te wijten aan de met het hoofdbestanddeel samenhangende aanhorigheden. Dat de reeds gestorte stoffen slechts aanhorigheden zijn, blijkt uit hun capaciteit. Dit betreft slechts 22.900 ton gestorte stoffen, daar waar met de vergunning een stortplaats wordt beoogd die dagelijks maximaal tot 1.050 ton afvalstoffen kan ontvangen. De reeds gestorte stoffen impliceren ongeveer 22 werkdagen aanvoer, hetgeen uiteraard een uiterst beperkte hoeveelheid uitmaakt in het licht van wat over een periode van twee jaar kan worden aangevoerd. Dat de reeds gestorte stoffen slechts een zeer beperkte aanhorigheid uitmaken van de globaal beoogde situatie, mag duidelijk zijn.
Wanneer in het bestreden besluit de belangrijkste en meest richtinggevende elementen van al de adviezen die uitgebracht werden in het kader van de beroepsprocedure in extenso werden weergegeven, de bestreden beslissing daarnaast een weergave bevat van de diverse standpunten van de indieners van het beroep en van de verzoekende partij die als aanvrager van de milieuvergunning werd gehoord voor de vergunningverlenende overheid en deze laatste zich uitdrukkelijk heeft aangesloten bij de adviezen, is voldaan aan de voorwaarde van een voldoende formele motivering.[…]
In elk geval dient de vergunningverlenende overheid niet te motiveren waarom zij „afwijkt‟ van beslissingen en/of adviezen in andere dossiers, noch waarom zij „afwijkt‟ van niet van toepassing zijnde uitvoeringsplannen. De voorliggende vergunning getuigt van de nodige zorgvuldigheid en standvastigheid van het vergunningverlenend bestuur. De procedure, met alle adviezen, werd consequent gevoerd en leidt evident tot de voorliggende vergunning.
Laat daarnaast duidelijk zijn dat de eerste milieuvergunning reeds was verkregen op 29 mei 2012. Mocht de huidige vergunning vanuit haar procedure historiek bekeken en gemotiveerd moeten worden - quod certissime non -, dan kan evenzeer gesteld worden dat de huidige vergunning in overeenstemming is met de initiële vergunning van 29 maart 2012 waarbij de nu te vergunnen rubriek eveneens werd vergund. De huidige vergunning ligt dan ook in dezelfde lijn als deze initiële milieuvergunning, waardoor er - mocht de argumentatie van de verzoekende partij ten onrechte gevolgd worden - ook dan kan geoordeeld worden dat er niet de minste discrepantie met eerdere beslissingen of argumenten voorligt en er op dit vlak evenmin een motiveringsgebrek voorligt”.
8. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat de verwerende partij niet heeft nagegaan waarom “OVAM tijdens de laatste procedure de aanvraag wel vergunbaar achtte en waarom de eerdere weigeringsmotieven de vergunningverlening niet langer meer in de weg zouden
VII-39.547-26/31
staan”, dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld door “niet na te gaan waarom OVAM plots een anderluidend advies formuleert” over de toepasselijkheid van het uitvoeringsplan “Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen”, dat arrest nr. 149.082 van 20 september 2005 in deze zaak geen enkele relevantie vertoont, dat zij er wel degelijk belang bij heeft dat de in de vergunningsaanvraag vermelde gegevens feitelijk juist zijn, dat de tussenkomende partij de afvalstromen onjuist voorstelt en dat het verlenen van de vergunning voor het afdekken van het betrokken deelstortvak niet automatisch inhoudt dat de reeds gestorte afvalstoffen vergund zouden zijn.
9. De verwerende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat zij “na een zorgvuldig afwegen de mening [is] toegedaan dat grondstromen afkomstig van de eigen bedrijvigheid van de aanvrager niet op dezelfde wijze ingrijpen op het vraag- en aanbodbeleid als bedoeld in het Uitvoeringsplan Milieuverantwoord Beheer van Huishoudelijke Afvalstoffen […], dan in de situatie waarbij de grondstromen van derden afkomstig zijn” en dat “[e]en dergelijke specifieke situatie maakt dat zowel de OVAM als [zij] gunstig hebben geoordeeld over het aanvraagdossier”.
10. In haar laatste memorie houdt de tussenkomende partij staande dat de bestreden milieuvergunning afdoende gemotiveerd is. Zij beklemtoont dat de conclusies van de auditeur gebaseerd zijn op “een geheel andere procedure”, dat het “ongezien [is] dat een beoordeling van een vergunningsaanvraag volledig wordt vastgekoppeld aan een eerdere beoordeling”, dat OVAM “in haar toets aan het afval- en materialenbeleid expliciet aan[geeft] dat het afval- en materialenbeleid toestaat dat de aangevraagde stortplaats wordt vergund”, dat “louter sprake [is] van een herkwalificering van de afvalstoffen waarbij de vroegere scope van de vergunningsaanvraag […] werd ingeperkt”, dat de verwerende partij een gunstig advies heeft overgenomen en op grond daarvan de aanvraag heeft beoordeeld en dat het standpunt van de auditeur-verslaggever “een subjectieve, gevoelsmatige stelling [is], die enkel wordt onderbouwd door bij dit op zichzelf staand dossier voorgaande administratieve procedures en documenten
VII-39.547-27/31
te betrekken”.
11. De verzoekende partij brengt in haar laatste memorie nog onder de aandacht dat “beleidsgeschriften en visienota‟s” wel degelijk van belang zijn omdat ze zich aandienen als “publieke handeling[en]”, dat “[b]ezwaarlijk kan worden beweerd dat de in het verzoekschrift aangehaalde beleidsdocumenten voor stortplaatsen geen gestroomlijnde en bestendige administratiefrechtelijke praktijk of vaste gedragslijn beogen, waarvan de overheid grifweg kan afdwalen”, dat de bepalingen van een uitvoeringsplan inzake afvalstoffen in beginsel bindend zijn, dat te dezen “twijfel [rijst] over de werkelijke aard van de bedrijfsgebonden afvalstromen”, dat het “uitvoeringsplan […] hoe dan ook van toepassing [is] op het storten van bedrijfsafvalstoffen als deze terechtkomen in de beschikbare eindverwerkingscapaciteit voor niet-gevaarlijk afval, zoals een stortplaats categorie 2”, dat “in omgevingsrechtelijke context een strengere motiveringsplicht geldt”, dat de verwerende partij “de motiveringsplicht [heeft] geschonden door de afwijking op de weigeringsbeslissing van 21 mei 2014 niet te bespiegelen” en dat er te dezen sprake is van een “klassiek motiveringsgebrek”.
Beoordeling
12. Met een besluit van 29 maart 2012 heeft de verwerende partij aan de tussenkomende partij een milieuvergunning verleend voor de exploitatie van een stortplaats ingedeeld in rubriek 2.3.6, b), 3), van de indelingslijst bij Vlarem I.
Deze vergunning werd bij arrest nr. 225.043 van 10 oktober 2013 door de Raad van State vernietigd, omdat, terwijl OVAM op 29 juli 2011 wat die rubriek betreft ongunstig had geadviseerd, uit de motivering niet kon worden begrepen waarom de vergunning kon worden verleend. Vervolgens heeft de verwerende partij zich op 21 mei 2014 aangesloten bij het, om dezelfde redenen, ongunstig advies van OVAM van 4 november 2013, en heeft zij de vergunning geweigerd.
VII-39.547-28/31
Met het thans bestreden besluit van 1 oktober 2015 verleent de verwerende partij echter opnieuw een vergunning voor de exploitatie van een stortplaats ingedeeld in rubriek 2.3.6, b), 3), ter regularisatie van de afvalstoffen - ongeveer 22.900 ton of 12.921 m³ - die werden gestort vóór het voornoemde vernietigingsarrest.
13. Eenieder moet erop kunnen vertrouwen dat de in de tijd opeenvolgende bestuurshandelingen van een vergunningverlenende overheid een consistent, niet-willekeurig patroon vertonen. De uitdrukkelijke motivering van een beslissing over een vergunningsaanvraag dient daarvan blijk te geven. In dit geval moet uit de motivering van de bestreden beslissing zelf kunnen worden afgeleid waarom een vergunning die op 21 mei 2014 niet kon worden verleend, op 1 oktober 2015 wel kan worden verleend, of minstens, waarom de redenen die op eerstgenoemde datum hebben verhinderd om een vergunning te verlenen, thans de vergunningverlening niet langer in de weg staan.
Dienaangaande bevat de bestreden beslissing geen redengeving.
Evenmin is daarover iets terug te vinden in de adviezen van OVAM van 15 januari 2015 en 2 juni 2015. Dat er bij de omschrijving van het “Voorwerp van de aanvraag” wordt vermeld dat “rubriek 2.3.6.b.3 […] enkel [wordt] aangevraagd om de sectorale voorwaarden inzake afwerking en nazorg te kunnen opleggen en aldus de tussen 26 augustus en 10 oktober 2013 gestorte afvalstoffen (ca 22 900 ton) conform de VLAREM II-bepalingen te kunnen afdekken en isoleren”, geeft slechts het streven van de aanvrager weer. Uit die omschrijving, noch uit de ruimere beschrijving van de bestaande feitelijke toestand van de site, kan worden afgeleid waarom voor de gestorte afvalstoffen een regularisatievergunning kan worden verleend. Het verlenen van een vergunning voor het verder opvullen en afdekken van het deelstortvak, vormt op zich geen noodzakelijke verantwoording voor de reeds aanwezige niet-vergunde afvalstoffen.
VII-39.547-29/31
Bij de “Toetsing aan het afval- en materialenbeleid”, neemt het OVAM-advies enkel de nog te storten afvalstoffen in beschouwing. OVAM besluit zelfs uitdrukkelijk dat het advies gunstig is “voor het veranderen door wijziging en uitbreiding van de bestaande DOP met een bedrijfsgebonden stortplaats voor niet-reinigbare, verontreinigde gronden afkomstig van de eigen bedrijvigheid van de exploitant […] (meer bepaald het ingerichte stortvak 2A, deel 2) […]”. Dit kan uiteraard niet begrepen worden als een gunstig advies voor de regularisatie van stortvak 2A, deel 1, de onvergunde stortplaats ingedeeld in rubriek 2.3.6, b), 3), van de indelingslijst.
Het middel is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 1 oktober 2015 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 26 maart 2015, houdende het weigeren aan de NV OB&D van de milieuvergunning voor het exploiteren van een stortplaats categorie 2, gelegen aan de Schorissesteenweg te Ronse, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de NV OB&D de gevraagde vergunning wordt verleend voor een termijn van twee jaar.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
VII-39.547-30/31
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.547-31/31
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.379