Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.370 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.370 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against animal welfare seizure, ruling confiscation was proportionate despite procedural delays.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.370
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to annul the seizure of fifteen Border Collies and to suspend its enforcement. The court found that while the applicant was unaware of the seizure due to procedural delays, the confiscation was a necessary measure to enforce animal welfare obligations. Consequently, the decision was upheld as proportionate to the established violations of the animal welfare law.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 42 §1 and 42 §2 of the Animal Welfare Law of 14 August 1986; The seizure of animals by authorities constitutes a proportionate enforcement measure when the owner fails to meet welfare obligations, even if the owner was unaware of the specific seizure procedure.

Mots-clés

Généré par l'IA
Animal Welfare Law Seizure of Animals Proportionality Principle Enforcement Measures Council of State Procedural Delay Border Collies renvoi malgré risque de persécution

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 42 §2 of the Law of 14 August 1986 on the protection and welfare of animals
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 239.370 van 12 oktober 2017

in de zaak A. 222.977/VII-40.072.

In zake : Sandra WALSCHOT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim Smet kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 29, bus 10

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het verzoekschrift, ingediend op 29 augustus 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van “de beslissing, genomen door de inspectie Dierenwelzijn van het Vlaamse Gewest, Departement Omgeving, Afdeling Strategie - Internationaal beleid en Dierenwelzijn op 10 juli 2017, betreffende het definitief in volle eigendom geven aan het asiel van de 15 (vijftien) Border Collies van verzoekster op basis van artikel 42 §2 van de wet van 14.08.1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren”.

VII- 40.072 1/8

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Evelien Jacobs, die loco advocaat Tim Smet verschijnt voor verzoekster, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat het bedrag van de kosten betreft.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster bezit meerdere honden.

3.2. Zowel in 2012, 2013 als 2014 worden controles uitgevoerd door de inspectie Dierenwelzijn, waarbij verscheidene overtredingen inzake

VII- 40.072 2/8

dierenwelzijn worden vastgesteld.

3.3. Bij proces-verbaal nr. G-17-2301/DWZ/KAB stelt de inspectie Dierenwelzijn op 23 juni 2017 overtredingen vast op artikel 4, §§ 1 tot en met 3 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) en artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 april 2014 betreffende de identificatie en registratie van honden.

3.4. De inspectie Dierenwelzijn beslist op 23 juni 2017 om vijftien bordercollies op basis van artikel 42, § 1, van de dierenwelzijnswet in beslag te nemen en over te brengen naar een dierenasiel.

3.5. Vooraleer overeenkomstig artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet een bestemmingsbeslissing te nemen, wordt de verzoekende partij uitgenodigd voor verhoor. Zij wordt op 7 juli 2017 verhoord.

3.6. Op 10 juli 2017 beslist de inspectie Dierenwelzijn om de vijftien bordercollies definitief in volle eigendom te geven aan een dierenasiel dat daarmee instemt. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd:

“Gelet op de vaststellingen in PV G-17-2301/DWZ/KAB:

• de aanwezige honden zich in een onverzorgde toestand (vacht, tanden, nagels,..) bevinden;

• niet alle dierenverblijven voldoende gereinigd en verlicht zijn;

• de aanwezige honden zijn zeer bang en onvoldoende gesocialiseerd ;

• de honden kunnen niet uit hun hok naar buiten kijken [;]

• de bewegingsvrijheid van de aanwezige honden beperkt is;

• er geen algemene verbetering is ondanks de maatregelen opgelegd in 2012, 2013 en 2014;

• de vaststellingen duiden op een probleem van langere duur;

Gelet op het feit dat bovenstaande erop wijst dat betrokkene geen aandacht heeft, of kennis van de ethologische en fysiologische behoeften van de honden, Gelet op de bovenvermelde historiek waaruit blijkt er geen algemene verbetering is ondanks de maatregelen opgelegd in 2012, 2013 en 2014;

Gelet op de bovenvermelde historiek waaruit blijkt dat de honden in 2014

vanuit de woning in Londerzeel werden overgebracht naar aan andere verblijfplaats en mevr. Walschot de nieuwe verblijfplaats niet wilde meedelen;

ook bij eerdere aangekondigde controles werden honden onttrokken aan de

VII- 40.072 3/8

controle Gelet op het verhoor van betrokkene op 7/7/2017 waarin zij verklaart dat - zij drie keer per dag langskomt, soms tweemaal waarbij de duur per bezoek varieert van 1 tot 2 uur - de honden dagelijks eten en drinken krijgen - de hokken dagelijks gereinigd worden - de honden minstens drie keer per dag uitgelaten worden maar dit kan variëren afhankelijk van de weersomstandigheden; dit wordt ook aangetoond door het voorleggen van een schriftelijke verklaring van één buurman - de honden regelmatig worden aangelijnd tijdens wandelingen en deelname aan tentoonstellingen - de vacht van de honden regelmatig wordt verzorgd - de nagels worden nagekeken evenals de tanden - de honden gesocialiseerd zijn wat in tegenstrijd is met de gedane vaststellingen op 23/06/2017 en de bovenvermelde historiek.

Gelet op het feit dat het opleggen van maatregelen niet de gewenste resultaten geeft Gelet op het feit dat betrokkene reeds verschillende kansen heeft gekregen om de dieren een gepaste verzorging te geven Gelet op het feit dat het onverantwoord zou zijn om de dieren terug te bezorgen aan betrokkene gezien - de dieren in het verleden reeds aan controle werden onttrokken door ze te verplaatsen - er niettegenstaande de eerder opgelegde maatregelen nog steeds dezelfde vaststellingen worden gedaan - betrokkene kennelijk niet inziet dat er wel degelijk problemen zijn aangaande de huisvesting, verzorging en hygiëne van de dieren maar dit afdoet als pesterijen door de politie - dezelfde vaststellingen in meerdere politiezones Gelet op het feit dat de hond geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde heeft die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften”.

IV. Uiteenzetting van de middelen

Eerste middel

Standpunt van verzoekster

4. Een eerste middel is genomen uit de schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli

VII- 40.072 4/8

1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.

Verzoekster zet het volgende uiteen:

“Gelet op het voorgaande waaruit blijkt dat verzoekster geviseerd wordt door de wijkagente van Buggenhout, heeft verzoekster dan ook ernstige twijfels omtrent het waarheidsgehalte van de beweerde klachten en controles. Het is al jaren dat de wijkagente er bij verzoekster mee dreigt om haar honden af te nemen. De feitelijke toestand tijdens de controle op 23 juni 2017 zoals genoteerd in het proces-verbaal van die dag en zoals overgenomen in de bestreden beslissing worden door verzoekster betwist. Ze meent dat de bestreden beslissing niet gebaseerd is op een behoorlijke, concrete en vooral objectieve feitenvinding doch op lasterlijke en subjectieve onwaarheden. Daar waar iedere beslissing van een administratieve overheid dient gebaseerd te zijn op een in feite en in rechte aanvaardbare en correcte grondslag.

De motieven, dewelke gebaseerd moeten zijn op een correcte feitenvinding, moeten van die aard zijn dat ze de genomen beslissing kunnen staven. Bij de totstandkoming van de bestreden beslissing werd volgens verzoekster absoluut niet aan een correcte feitenvinding gedaan en werd er op geen enkele manier rekening[en] gehouden met de zaken die zij tijdens haar verhoor had aangehaald en de documenten die zij heeft bijgebracht.

Verwerende partij heeft de bestreden beslissing genomen zonder dat hiervoor een aannemelijke aanleiding is.

Verwerende partij is erg onzorgvuldig te werk gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing.

Aldus heeft verwerende partij haar motiveringsplicht geschonden, het eerste middel is derhalve gegrond”.

Beoordeling

5. De enkele omstandigheid dat verzoekster het niet eens is met de motivering van de bestreden beslissing, maakt deze niet onwettig. Zij toont alvast niet aan dat die beslissing deugdelijk noch draagkrachtig is door de loutere bewering dat zij “ernstige twijfels omtrent het waarheidsgehalte van de beweerde klachten en controles” heeft, omdat zij zou worden “geviseerd […] door de wijkagente”.

Ook het betoog dat in de bestreden beslissing “op geen enkele manier rekening[…] [werd] gehouden met de zaken die zij tijdens haar verhoor

VII- 40.072 5/8

had aangehaald en de documenten die zij heeft bijgebracht” kan niet worden bijgetreden, nu in de bestreden beslissing uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de inhoud van het verweer gedurende het verhoor op 7 juli 2017.

Het eerste middel is ongegrond.

Tweede middel

Standpunt van verzoekster

6. Een tweede middel is genomen uit de schending van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald redelijkheidsnorm, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel”.

Verzoekster stelt het volgende:

“Verwerende partij meent de toestand van de honden als verantwoording te kunnen vooropstellen voor een complete ontneming van de honden aan verzoekster en de definitieve toewijzing ervan aan het asiel.

Verwerende partij beschrijft de toestand en de situatie van de honden op het moment van haar inval op 23 juni 2017. Verzoekster werd op 7 juli 2017

gehoord en zette zeer precies en omstandig uiteen op welke manier zij de verzorging van de honden op zich neemt. Verwerende partij gaat in haar bestreden beslissing zeer licht over de door verzoekster afgelegde verklaring en stelt dat deze tegenstrijdig is met de gedane vaststellingen op 23 juni 2017.

Verwerende partij doet niet de minste moeite om hier dieper op in te gaan en om de foto’s en overige documentatie die verzoekster tijdens haar verhoor bij zich had te voegen en te becommentariëren.

Niet alleen vindt verwerende partij het niet nodig hier verder op in te gaan in de bestreden beslissing doch meent verwerende partij ook dat de toestand van deze honden zodanig ernstig is dat de honden definitief bij verzoekster dienen te worden weggenomen.

Zelfs indien verzoekster een bepaalde gedraging kan worden verweten - quod non - dient verwerende partij een passende en evenredige beslissing te nemen.

Verzoekster stelt dat zij reeds sinds enkele jaren geviseerd wordt door de wijkagente van Buggenhout en dat deze te pas en te onpas controles uitvoert.

Verwerende partij haalt aan dat aan verzoekster in het verleden reeds voorwaarden werden opgelegd, doch verzoekster stelt hiervan nooit in kennis te zijn gesteld en stelt dit aldus niet geweten te hebben.

VII- 40.072 6/8

Rechtstreeks de honden definitief wegnemen bij verzoekster is dan ook geheel onevenredig.

Minstens kan vastgesteld worden dat in casu een andere minder drastische maatregel eveneens had volstaan, zoals bijvoorbeeld een teruggave van de honden gekoppeld aan strikte voorwaarden”.

Beoordeling

8. Het evenredigheidsbeginsel kan slechts geschonden worden bevonden wanneer een beslissing die steunt op deugdelijke en dus afdoende bewezen motieven, een maatregel oplegt die niet in een redelijk verband van evenredigheid staat tot die motieven.

In het kader van de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel als zodanig kan verzoekster dan ook niet dienstig de wijze bekritiseren waarop de verwerende partij met haar verklaringen gedurende het verhoor is omgegaan. Eenzelfde redenering gaat op voor haar betoog dat zij “sinds enkele jaren geviseerd wordt door de wijkagente van Buggenhout en dat deze te pas en te onpas controles uitvoert”. De bewering dat verzoekster niet op de hoogte was van de eerder opgelegde maatregelen, doet geen afbreuk aan de verplichtingen die, onder meer, worden opgelegd door artikel 4 van de dierenwelzijnswet, te weten:

“Art. 4.§ 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen.

§ 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld.

Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften.

[…]

§ 3. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van

VII- 40.072 7/8

de soort”.

Met haar argumentatie toont verzoekster dan ook niet aan dat de bestreden beslissing de perken van de redelijkheid te buiten is gegaan.

Het tweede middel is ongegrond.

9. Het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen.

Dienvolgens moet de vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, eveneens worden verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII- 40.072 8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.370