Court dismisses appeal against public procurement award due to minor notification defects lacking legal impact.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to annul the public works contract award to Beeuwsaert Construct. The applicant argued that the contracting authority failed to notify the decision within the statutory three-month period and omitted required details like the suspension deadline and the award report. The court held that such notification defects do not inherently invalidate the award decision unless they cause specific prejudice, which was not demonstrated here.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 8, § 1, second paragraph; Article 11, § 1, first paragraph; Article 13 of the Public Procurement Act: Notification defects do not invalidate a procurement decision unless they cause specific prejudice to the interested party.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 239.369 van 12 oktober 2017
in de zaak A. 220.101/XII-8220
In zake: de NV VULSTEKE INDUSTRIAL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ignace Hameeuw en Stefanie Phlypo kantoor houdend te 8800 Roeselare Jan Mahieustraat 10
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
WATERING DE BURGGRAVESTROOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elke Casteleyn kantoor houdend te 9160 Lokeren Antwerpse Steenweg 47
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 16 augustus 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van de beslissing van 24 maart 2016 van de Watering De Burggrave-
stroom waarbij de opdracht “het uitvoeren van bouwwerken voor de nieuwbouw van een magazijn met vergaderzaal en ruimte voor burelen gelegen Volpenswege 70a te 9940 Sleidinge” wordt gegund aan de bvba Beeuwsaert Construct.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8220-1/15
Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.
Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Ignace Hameeuw, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Uschi Steurs, die loco advocaat Elke Casteleyn verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor werken met als voorwerp “het uitvoeren van bouwwerken voor de nieuwbouw van een magazijn met vergaderzaal en ruimte voor burelen gelegen Volpenswege 70a te 9940 Sleidinge”. De gunningswijze is de open aanbesteding.
3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 16 november 2015.
XII-8220-2/15
3.3. Het bestek „856-2013/bouw magazijn en infrastructuur‟ is van toepassing.
In het „inschrijvingsformulier‟ wordt onder meer vermeld:
“Bij deze offerte in te dienen documenten:
- […]
- Een attest van de verzekeraar waaruit blijkt dat alle personeel is gedekt b.m.v. een door de inschrijver onderschreven verzekering tegen arbeidsongevallen. Jaarlijks te hernieuwen.
- […]
- Een voorstel voor planning & uitvoeringstermijn.”
Inzake dit formulier wordt in het bestek vermeld:
“inschrijvers dienen verplicht gebruik te maken van het verplicht invulformulier, waarvan een exemplaar bij het bijzonder bestek gevoegd is. Men dient hierbij nauwgezet te werk te gaan, vermits een onvolledige inschrijving nietig verklaard kan worden.”
Voorts wordt in deel I van het bestek „Administratieve en algemene bepalingen‟ vermeld:
“O. Uitvoeringstermijnen van de overeenkomsten Perceel 1: 120 kalenderdagen”
Onder de rubriek „04.60. stabiliteitseisen‟ van de technische bepalingen van het bestek wordt vermeld:
“OPMAAK VAN DE STABILITEITSSTUDIE
Op basis van de aanbestedingsplannen, zal de Aannemer de stabiliteits-
studie naar uitvoering uitwerken, inclusief de detailplannen, de wapenings- en kabelplannen, de werkhuisplannen, de plannen van de verbindingen en opleggingen alsook de overeenstemmende berekenings-
nota's opmaken.
De stabiliteitsstudie, met inbegrip van uitvoeringsplannen, berekenings-
nota's en aannames wordt tijdig overgemaakt aan het basisteam. Alle uitvoeringsdocumenten voor te leggen aan het basisteam en controle mechanisme ter goedkeuring. De aannemer zal de betrokken partijen de
XII-8220-3/15
nodige informatie bezorgen indien zij hierachter vragen. De werken mogen pas van start gaan indien alle partijen hun goedkeuring hebben verleend.”
3.4. Er dienen drie ondernemingen een offerte in; de offerte van de verzoekende partij is de laagste.
De verzoekende partij voegt een door haar ondertekend document inzake de uitvoeringstermijn toe aan haar offerte waarin het volgende wordt vermeld:
“De uitvoeringstermijn van de desbetreffende werken zal maximaal vier maanden bedragen na goedkeuring van de studie en uitvoeringsplannen.”
3.5. Op 16 maart 2016 wordt door de technisch raadgever van de verwerende partij een gunningsverslag opgesteld.
Hierin wordt ondermeer het volgende overwogen:
“C.2 Formele regelmatigheid Inschrijver A.* B.* C.* D.* E.* F.*
1. Vulsteke Luc OK OK OK OK NOK OK
Industrial nv 2. Beeuwsaert Construct OK OK OK OK OK OK
bvba 3. Van de Walle IBC OK OK OK OK OK OK
bvba *A. Mededeling informatie / B. Indieningswijze offerte / C. Eén offerte /
D. Offerte formulier gebruikt / E. Inhoud offerte formulier en bijlagen / F.
Ondertekening lE : attest verzekeraar waaruit blijkt dat alle personeel is gedekt b.m.v. een door de inschrijver onderschreven verzekering tegen arbeidsongevallen:
ontbreekt. Het attest van de verzekeraar nog op te vragen aan de aannemer voor gunning (de verzekering dient echter afgesloten voor datum van indienen offertes).
lE : Uitvoeringstermijn van 120 kalenderdagen wordt niet gerespecteerd.
Conform lastenboek bedraagt de uitvoeringstermijn 120 kalenderdagen.
Bij de offerte van Vulsteke is een document toegevoegd met als titel „uitvoeringstermijn‟ en waarin het volgende is gesteld: „... De uitvoerings-
termijn van de desbetreffende werken zal maximaal 4 maanden bedragen
XII-8220-4/15
na goedkeuring van de studie en uitvoeringsplannen.‟ De uitvoerings-
termijn neemt echter aanvang vanaf de door de aanbestedende overheid bepaalde aanvangsdatum. De termijn voor opmaak studie en uitvoeringsplannen dient inbegrepen te zijn in de totale uitvoeringstermijn van 120 kalenderdagen. Gezien er bij de vermelding van de uitvoerings-
termijn bij Vulsteke geen garantie is wanneer de bouwwerkzaamheden effectief zullen starten, omdat er voor de termijn voor opmaak studie en uitvoeringsplannen, geen termijn wordt vermeld (en op zich al een termijnverlenging inhoudt), kan de offerte van Vulsteke als onregelmatig worden beschouwd.”
In het gunningsverslag wordt besloten tot het voorstel om de offerte van de verzoekende partij als onregelmatig te beschouwen en de opdracht te gunnen aan de bvba Beeuwsaert Construct.
3.6. Op 24 maart 2016 beslist de verwerende partij onder verwijzing naar het gunningsverslag om de opdracht te gunnen aan de bvba Beeuwsaert Construct voor een bedrag van 508.767,99 euro, btw niet inbegrepen.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. De verzoekende partij betwist de onregelmatigverklaring van haar offerte en verwijst hierbij naar artikel 95 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 „plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren‟.
4.2. In een eerste middelonderdeel richt zij zich tegen de “eerste grond om tot onregelmatigheid te beslissen”, namelijk het ontbreken van een attest van de arbeidsongevallenverzekeraar.
De verzoekende partij wijst erop dat het vereiste van het voorleggen van een attest van de arbeidsongevallenverzekeraar niet is
XII-8220-5/15
opgenomen in de aankondiging en de verwerende partij er zich dan ook niet mag op beroepen om de offerte van de verzoekende partij onregelmatig te verklaren.
Ook behoort het vereiste niet tot de opdracht.
Voorts merkt de verzoekende partij op dat “het neerleggen van een attest van de arbeidsongevallenverzekeraar […] geen gunningscriterium [uitmaakt], doch evenmin een toegangsrecht of kwalitatieve selectie [kan]
uitmaken”. Ook is het vereiste niet opportuun aangezien het een wettelijke verplichting uitmaakt voor iedere werkgever.
Ten slotte betoogt zij dat zij geen kans heeft gekregen om het attest aan het dossier toe te voegen wat een schending is van “art. 3.6. van de omzendbrief van 10/02/1998 inzake Overheidsopdrachten”.
4.3. In een tweede middelonderdeel richt de verzoekende partij haar pijlen op de “tweede grond die het bestuur […] aanvoert om tot onregelmatigheid te beslissen”, namelijk “het niet voldoen aan de vooropgestelde uitvoerings-
termijn van 120 dagen”.
De aankondiging voorziet, zo betoogt zij, in een uitvoerings-
termijn van 120 dagen en die termijn maakt inherent deel uit van de opdracht.
“De inschrijving brengt automatisch een akkoord mee om de opdracht, en bijge-
volg de uitvoeringstermijn, te respecteren.” De termijn is geen gunningscriterium, enkel de prijs is dergelijk criterium. De verzoekende partij heeft een document “uitvoeringstermijn” bij haar offerte gevoegd; dit was niet vereist in de aankondi-
ging en “het kan dan ook niet als kwalitatief criterium worden aangewend in het kader van het onderzoek naar de regelmatigheid van een offerte”. “Dergelijk verzoek tot het opmaken van een voorstel komt bijzonder bevreemdend voor nu de uitvoeringstermijn vastligt en nergens verduidelijking wordt gegeven over het hoe en waarom van dit voorstel, laat staan over de wijze waarop dit voorstel zal worden beoordeeld door de aanbesteder.”
XII-8220-6/15
Het voorstel houdt volgens de verzoekende partij geen eenzij-
dige dwingende “verklaring” in; een inschrijver is immers steeds gebonden door de algemene aannemingsvoorwaarden; het betreft ook maar een voorstel dat de aanbestedende overheid kan weigeren en dan is de inschrijver gebonden door de opdrachtbepalingen; “uiteraard kunnen „de werken‟ pas aanvangen na goed-
keuring van de plannen en mogelijks is daar bij verzoekster de verwarring ontstaan”. Het voorstel mocht dan ook niet door de verwerende partij wordt beschouwd als een “formele verlenging […] van de vastgestelde uitvoeringstermijn”.
Voorts blijkt volgens de verzoekende partij niet uit het gunningsverslag dat alle offertes op dit punt even streng zijn beoordeeld.
Ten slotte is de verzoekende partij “ook op dit punt niet in de mogelijkheid gesteld om haar voorstel te verduidelijken”.
5. In haar memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, op dat er onduidelijkheid was over het voorleggen van het verzekeringsattest aangezien er geen sprake over is in de aankondiging of het bestek. Voorts wijst zij erop dat het ontbreken van dit stuk hoogstens een relatieve nietigheid meebrengt en de verwerende partij dit attest dan ook had kunnen opvragen bij haar aangezien er geen ongelijkheid zou door zijn ontstaan. Ook strijdt het niet opvragen van dit attest met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
De verzoekende partij voegt eraan toe dat uit het administratief dossier blijkt dat de offertes van de twee andere inschrijvers op dit punt niet gelijk behandeld werden aan die van de verzoekende partij.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, wijst de verzoekende partij erop dat het logisch is dat de uitvoeringstermijn slaat op de werken; in “artikel 04.60. stabiliteitseisen” van het bestek wordt bepaald dat de werken pas
XII-8220-7/15
mogen aanvatten nadat alle partijen hun goedkeuring hebben verleend aan de stabiliteitsstudie; de verzoekende partij heeft trouwens zelf de termijn die de goedkeuring van die studie met de uitvoeringsplannen in beslag zal nemen niet in de hand.
Voorts benadrukt zij, na kennisname van het administratief dossier, dat de andere inschrijvers ten aanzien van de verzoekende partij ongelijk zijn behandeld; uit niets blijkt dat de twee andere inschrijvers voldoende tijd hebben voorzien in hun planning om de studie en goedkeuring van de uitvoeringsplannen te vervatten in de 120 dagen-termijn. Overigens heeft de gekozen inschrijver zelf in een aanvangsdatum voorzien en houdt dus geen rekening met de door de aanbestedende overheid te geven aanvangsdatum. De derde inschrijver heeft geen dagen voorzien voor de studie en goedkeuring van de plannen zodat deze inschrijver de termijn van 120 dagen pas laat aanvangen na de goedkeuring; “[i]n tegenstelling tot de offerte van verzoekster, werd de offerte van Van De Walle niet onregelmatig verklaard”.
Ten slotte merkt de verzoekende partij op dat er “[v]ragen kunnen ook gesteld worden bij de haalbaarheid van een uitvoeringstermijn van 120 dagen, inbegrepen de studie en goedkeuring van de uitvoeringsplannen”.
Immers, de verwerende partij heeft met een brief van 12 augustus 2016 aan de gekozen inschrijver de aanvangsdatum bepaald op 29 augustus 2016, wat beduidt dat met een uitvoeringstermijn van 120 dagen de werken eind december 2016
moesten zij afgerond. Echter, op 11 januari 2017 heeft de verzoekende partij een brief gekregen van de verwerende partij “met het verzoek of verzoekster al dan niet nog interesse had in een uitvoering van de opdracht”. “De effectieve werken zijn dus naar alle waarschijnlijkheid nog niet begonnen, mogelijks is men dus nog steeds bezig met de studie en goedkeuring van de uitvoeringsplannen…”
6.1. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij geen repliek op de conclusie in het auditoraatsverslag dat het eerste middelonderdeel moet worden verworpen.
XII-8220-8/15
6.2. Wat het tweede middelonderdeel betreft, laat zij nog het volgende gelden.
6.2.1. De verzoekende partij betoogt dat er wel is voldaan aan de vooropgestelde uitvoeringstermijn. De stelling in het auditoraatsverslag dat de werken pas aanvangen na de goedkeuring van de uitvoeringsplannen doch dat de termijn tot opmaak en goedkeuring van de plannen wel in de uitvoeringstermijn is omvat, is een “loutere subjectieve interpretatie” die “noch door de opdracht, het bestek of het lastenboek ondersteund wordt”. De interpretatie van de verzoekende partij, namelijk dat de uitvoeringstermijn pas begint te lopen vanaf de goedkeuring van de plannen, is evident “gezien de uitvoerende aannemer zelf niet de goedkeuring van de uitvoeringsplannen en de termijn waarbinnen goedkeuring wordt verleend, in handen heeft”. Deze interpretatie blijkt ook uit het feit dat twee van de drie inschrijvers het zo begrepen hebben.
Voorts herhaalt de verzoekende partij haar argumentatie uit haar verzoekschrift, namelijk dat zij slechts een voorstel heeft gedaan wat geen bindend element is dat kan afwijken van de opdrachtdocumenten. “Bij gebreke aan akkoord van de overheid met dit voorstel dient door de inschrijver de opdracht te worden gevolgd.”
Ten slotte herhaalt zij haar kritiek geformuleerd in de memorie van wederantwoord waarbij zij opmerkt dat zij vragen heeft bij het belang van de regel van de uitvoeringstermijn van 120 dagen, inbegrepen de studie en goedkeuring van de uitvoeringsplannen.
6.2.2. In een tweede beweging gaat de verzoekende partij nogmaals dieper in op haar kritiek dat de verwerende partij hier het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Zij wijst erop dat in de door de bvba Van de Walle IBC
opgegeven planning de uitvoeringstermijn ook pas ingaat na goedkeuring van de plannen en dat deze offerte niet werd geweerd; de opmerking in het auditoraats-
verslag dat dit irrelevant is omdat het om de derde gerangschikte offerte gaat, is
XII-8220-9/15
volgens haar onjuist omdat een schending van het gelijkheidsbeginsel een absolute nietigheid van de beslissing meebrengt. Ook herhaalt zij het gegeven dat in de offerte van de gekozen inschrijver de aanvangsdatum 7 maart 2016 is opgegeven en dat daar blijkbaar niet de door de aanbestedende overheid gestelde datum geldt.
Beoordeling
7. Wat het eerste middelonderdeel betreft, wordt in het auditoraatsverslag opgemerkt dat het ontbreken van het verzekeringsattest “niet [wordt] aangemerkt als een motief voor de onregelmatigverklaring aangezien daarin vermeld is: „Het attest van de verzekeraar nog op te vragen aan de aannemer voor gunning (de verzekering dient echter afgesloten voor datum van indienen offertes)‟. Uit dat verslag blijkt dat het [enige] motief voor het onregel-
matig verklaren het niet respecteren van de uitvoeringstermijn van 120 kalender-
dagen is”.
De verzoekende partij repliceert in haar laatste memorie niet op deze conclusie.
De Raad ziet geen elementen om tot een andere beoordeling te komen en valt het standpunt van het auditoraatsverslag bij.
8. Wat het tweede middelonderdeel betreft, betwist de verzoekende partij niet dat zij in haar voorstel inzake de uitvoeringstermijn –
voorstel waarvan zij ten onrechte meent dat het slechts een niet-bindend “voorstel” zou zijn daar waar het een door het bestek opgelegd te ondertekenen document betreft, dat dan ook deel uitmaakt van de offerte – deze termijn van 120 dagen slechts laat ingaan na de goedkeuring van de stabiliteitsstudie met de uitvoeringsplannen.
XII-8220-10/15
De opvatting dat deze termijn pas ingaat na goedkeuring van de studie overtuigt niet. Uit artikel 04.60 van de technische bepalingen van het bestek inzake de opmaak van de stabiliteitsstudie blijkt duidelijk dat deze studie tot de opdracht van de inschrijver behoort en inbegrepen is in de voorgeschreven termijn van 120 dagen waarbinnen de volledige opdracht moet worden uitgevoerd. Dat de eigenlijke werken pas starten vanaf de goedkeuring van de plannen, doet hier niets van af. De door de verzoekende partij voorgestelde werkwijze wijkt aldus af van de betrokken besteksbepaling die in het auditoraatsverslag als een substantiële bepaling wordt aangemerkt, opvatting waartegen de verzoekende partij geen opwerping maakt.
De kritiek van de verzoekende partij waarbij zij stelt vragen te hebben over het belang van de uitvoeringstermijn van 120 kalenderdagen,wordt pas opgeworpen in de memorie van wederantwoord en is in beginsel niet tijdig aangebracht. Deze kritiek is overigens niet concreet genoeg geformuleerd. De verzoekende partij koppelt hier voorts een veronderstelling aan, namelijk dat de gekozen inschrijver blijkbaar nog niet met de eigenlijke werken zou zijn begonnen en dat dit de onwerkbaarheid van de besteksclausule inzake de termijn lijkt aan te tonen. Deze veronderstelling wordt uitdrukkelijk weersproken door de verwerende partij in haar laatste memorie in de mate dat zij opmerkt dat de gekozen inschrijver wel degelijk de werken uitvoert, dat er geen sprake is van een fout van de gekozen inschrijver en dat wat naderhand in de uitvoering gebeurt, geen uitstaans heeft met de beoordeling tijdens de plaatsingsprocedure. Ter terechtzitting weerspreekt de verzoekende partij dit niet.
Evenmin kan de verzoekende partij worden gevolgd in haar opvatting dat mocht de studie in de termijn begrepen zijn, een inschrijver inzake het respecteren van deze termijn volledig afhangt van de snelheid waarmee de aanbestedende overheid deze studie wil goedkeuren; er lijkt immers te mogen worden aangenomen dat de reële uitvoeringstermijn geldt voor het werk van de uitvoerder en niet de tijd omvat die de aanbestedende overheid nodig heeft om de studie goed te keuren. Overigens mag er worden op gewezen dat in de opvatting
XII-8220-11/15
van de verzoekende partij de verwerende partij dan blijkbaar volledig afhankelijk is van de snelheid waarmee de gekozen inschrijver de stabiliteitsstudie afwerkt.
In de mate dat de verzoekende partij zich nog beroept op een schending van het gelijkheidsbeginsel kan zij evenmin worden bijgevallen.
Terecht stelt de verwerende partij dat, wat de vergelijking met de derde inschrijver, de bvba Van De Walle IBC, betreft, de verzoekende partij hier geen belang heeft bij het gegrond verklaren van haar middel, omdat deze inschrijver na haar gerangschikt is en het middel de verzoekende partij dus niet helpt om zich de opdracht gegund te weten.
Wat de vergelijking met de gekozen inschrijver betreft, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat deze inschrijver, zoals blijkt uit zijn offerte, het naleven van de voorgeschreven termijn van 120 kalenderdagen bij zijn inschrijving wel heeft in acht genomen en dus een op dit punt regelmatige offerte heeft ingediend. De door hem in zijn schema inzake uitvoering opgegeven startdatum mag niet worden beschouwd als een afwijking van de door de aanbestedende overheid naderhand op te geven aanvangsdatum.
9. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
10. De verzoekende partij voert aan dat de kennisgeving van de gunningsbeslissing onregelmatig is.
Volgens artikel 8, § 1, van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten‟ (hierna: de wet van
XII-8220-12/15
17 juni 2013) doet de aanbestedende overheid de kennisgeving van de gemoti-
veerde beslissing onmiddellijk na het nemen van de gemotiveerde gunnings-
beslissing. Dit is hier niet gebeurd; er is bijna drie maanden tussen de gunningsbeslissing en de kennisgeving.
Volgens hetzelfde artikel 8, § 1, tweede lid, dient deze kennisgeving “de nauwkeurige vermelding van de exacte duur van de termijn bedoeld in artikel 11, eerste lid”, te omvatten, alsook “de aanbeveling om de aanbestedende overheid binnen diezelfde termijn per fax, e-mail of een ander elektronisch middel te verwittigen indien de belanghebbende een vordering tot schorsing indient overeenkomstig artikel 13” van die wet en “het faxnummer of het elektronisch adres waarnaar de in artikel 11, derde lid, bedoelde verwittiging kan worden verzonden”. Niets van dit alles is hier gebeurd. “Ook werd de kennisgeving enkel aangetekend meegedeeld.”
Ten slotte benadrukt zij dat de kennisgeving ook het gunnings-
verslag niet bevatte. De verzoekende partij heeft achteraf het verslag moeten opvragen.
11. De verzoekende partij merkt in haar memorie van weder-
antwoord op dat de ingeroepen geschonden geachte bepalingen uiteraard belang hebben “in de mate dat het thans geen nut meer had voor verzoekster om een verzoek tot schorsing in te stellen”.
Beoordeling
12. De verzoekende partij voert geen repliek op de conclusie in het auditoraatsverslag dat het middel moet worden verworpen om reden dat het “betrekking [heeft] op een eventueel gebrek in de kennisgeving en zoals reeds meermaals gesteld in de rechtspraak van de Raad van State, tast een eventueel gebrek in de kennisgeving in principe de wettigheid van de gunningsbeslissing niet aan”.
XII-8220-13/15
De Raad ziet geen reden om anders te oordelen temeer de verzoekende partij er blijkbaar in haar laatste memorie zelf geen andere mening op na houdt, en valt de conclusie van het auditoraatsverslag dan ook bij.
Het middel wordt verworpen.
V. Besluit
13. Het beroep wordt verworpen.
De kosten van het beroep worden ten laste van de verzoekende partij gelegd.
Er is te dezen grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 67, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, de verwerende partij de door haar gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij door de verwerping van het beroep tot nietigverklaring als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsple-
gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
XII-8220-14/15
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 oktober 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8220-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.369