Court dismisses urgent suspension request against prison disciplinary decision due to lack of extreme necessity proof.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an immediate suspension of a prison disciplinary order imposing solitary confinement and regime placement. The applicant argued the decision caused severe moral harm but failed to provide concrete evidence that waiting for the standard procedure would result in irreparable damage. Consequently, the court ruled that the cumulative conditions for extreme necessity under Article 17 were not met.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Act; extreme necessity requires proof that standard suspension procedures would cause irreparable harm and that the urgency stems from specific case facts, not merely the severity of the consequences.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.364 van 11 oktober 2017
in de zaak A. 223.492/XIV-37.532
In zake: Fouad BIDARI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 10 oktober 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de tuchtrechtelijke beslissing van de gevangenisdirecteur van de gevangenis van Leuven Centraal van 5 oktober 2017 waarbij aan verzoeker 5 dagen afzondering werd opgelegd van 7 oktober 2017 tot en met 11 oktober 2017 én waarbij aan verzoeker tegelijkertijd ook de plaatsing op tussenregime werd bevolen voor een periode van drie maanden van 12 oktober 2017 tot en met 10 januari 2018”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017, om 14.00 uur.
XIV-37.532-1/6
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jürgen Millen, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis van Leuven.
3.2. Op 3 oktober 2017 wordt er lastens verzoeker een observatienota opgesteld.
3.3. Met een beslissing van 5 oktober 2017 wordt aan verzoeker de tuchtstraf “5 dagen afzondering van 07.01.2017 tem 11.10.2017” opgelegd wegens “het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen” (inbreuk van de eerste categorie). Deze beslissing is gesteund op de volgende motivering:
“Uit het RAD dd. 3/10/2017 blijkt dat betrokkene het voortouw neemt in een discussie tussen personeel en gedetineerden inzake het openen van de sportkoer. Hij zet medegedetineerden aan om samen te protesteren tegen de beslissing om de sportkoer niet te openen. Op de hoorzitting geeft de betrokkene toe dat hij gefrustreerd was over deze beslissing en dat hij het woord heeft genomen. Hij ontkent evenwel dat hij medegedetineerden heeft opgehitst en/of heeft [ge]tracht te overhalen om mee te protesteren. Hij ziet de ernst van de situatie niet in. We kunnen zulk gedrag echter niet tolereren. Zulke collectieve acties kunnen zeer snel escaleren en creëren een zeer onveilige situatie, niet in het minst binnen het opendeur-regime van deze gevangenis. Een duidelijk signaal is nodig.”
XIV-37.532-2/6
Dit is de eerste bestreden beslissing.
3.4. Op dezelfde dag wordt aan verzoeker gemeld dat “ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie d.d. 5/10/2017 5 punten werden bijgeteld aan [zijn] saldo met betrekking tot het tussenregime”. Verzoekers saldo bedraagt daardoor 10 punten, hetgeen een verblijf van drie maanden in het tussenregime als gevolg heeft, te dezen van 12 oktober 2017 tot en met 10 januari 2018.
Dit is de tweede bestreden beslissing.
IV. De schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
5. Het verzoekschrift bevat geen uiteenzetting betreffende de voorwaarde van de spoedeisendheid. Verzoeker vermeldt onder het kopje “belang”
dat hij twee ernstige middel aanvoert en dat de opgelegde tuchtsanctie tot gevolg heeft dat hij “twee maal gesanctioneerd” en “drie maanden uitgesloten wordt van het (normale) opendeurregime […] daar waar deze uitsluiting maximaal dertig dagen (art. 133 Basiswet) kan zijn”. Verzoeker wijst op “het (onwettige) systeem van „tussenregime‟”, op de invloed van de tuchtsanctie op “(eventuele)
toekomstige tuchtsancties van verzoeker “ en op “het (eventueel) toekennen van
XIV-37.532-3/6
uitgaansfaciliteiten of strafuitvoeringsmodaliteiten”, om te besluiten dat hij “een (groot) moreel belang [heeft] om te bekomen dat een opgelegde onterechte tuchtsanctie opgeheven wordt”.
Beoordeling
6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij.
De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen.
De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde
XIV-37.532-4/6
zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
7. De eventuele ernst van de middelen toont niet de uiterst dringende noodzakelijkheid aan, vermits het voormelde artikel 17, §§ 1 en 4, twee afzonderlijke voorwaarden inhoudt.
Verzoeker beperkt zich voorts tot de verwijzing naar enkele “eventuele” gevolgen van de bestreden beslissingen om zijn “groot (moreel)
belang” bij de onmiddellijke schorsing te verantwoorden, doch hij geeft niet aan waarom een schorsing volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zou komen om dat nadeel op te vangen of zijn belangen veilig te stellen. Met de argumenten die ter terechtzitting mondeling voor het eerst worden uiteengezet, mag tot slot geen rekening worden gehouden. Bij gebrek aan enige concrete uiteenzetting dienaangaande in het verzoekschrift, is de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aangetoond.
VI. Conclusie
8. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die
XIV-37.532-5/6
cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Nick Hollevoet Geert Debersaques
XIV-37.532-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.364