Court dismisses suspension request against Flemish government's recognition of church parish merger decree.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the execution of the Flemish Minister's decision recognizing the dissolution and merger of the Sint-Laurentius parish. The applicant argued procedural irregularities regarding notification and inventory requirements under the 2005 Government Decree, but the court found these arguments unpersuasive. The court determined that the contested decision was merely an administrative recognition of a canonical act, not a revocation of an existing permit, and that the required inventory was already present in the application dossier.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 7/4, 2nd para., 1° of the Flemish Government Decree of 30 September 2005; Art. 7/6 of the Flemish Government Decree of 30 September 2005; A decision recognizing the dissolution and merger of a religious entity pursuant to canonical law is not a revocation of an existing permit, and the absence of a specific updated inventory in the recognition decision does not constitute a ground for suspension if the inventory was included in the original application dossier.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE Xe KAMER
nr. 239.361 van 11 oktober 2017
in de zaak A. 222.236/X-16.922.
In zake : de KERKFABRIEK SINT-LAURENTIUS BETEKOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Nysten kantoor houdend te 3000 Leuven Brusselsesteenweg 62
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 22 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 23 maart 2017 tot erkenning van de opheffing van de parochie Sint-Laurentius (Betekom) en de samenvoeging ervan met de parochie Sint-Lucia te Begijnendijk.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een verslag opgesteld.
X-16.922-1/7
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2017.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Steven Nysten, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Met een decreet „houdende opheffing en samenvoeging Parochies‟ van 14 december 2016 beslist de aartsbisschop van Mechelen-Brussel “[o]vereenkomstig canon 515, § 2 van het Wetboek van Canoniek Recht” en na overleg met onder andere de kerkfabriek van de betrokken parochies, tot “de opheffing van de parochie Sint-Laurentius – Betekom – Begijnendijk en overdracht van haar grondgebied en patrimonium aan en samenvoeging met de parochie Sint-Lucia – Begijnendijk”. Het decreet stipuleert dat het “pas in werking treedt vanaf de datum van inwerkingtreding van het Vlaams Ministerieel Besluit dienaangaande”.
Aan de Vlaamse regering wordt met een brief van 22 december 2016 de erkenning gevraagd van de opheffing van de parochie Sint-Laurentius Betekom te Begijnenduik en haar samenvoeging met de parochie Sint-Lucia te Begijnendijk. Bijgevoegd is “het volledige dossier”.
X-16.922-2/7
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding erkent met de bestreden beslissing van 23 maart 2017 de opheffing van de parochie Sint-Laurentius (Betekom) en de samenvoeging ervan met de parochie Sint-Lucia te Begijnendijk.
IV. Ontvankelijkheid
4. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep.
Een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zouden zich alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is.
V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.
VI. Voorwaarde van een ernstig middel
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
6. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 4/3 van het decreet van 7 mei 2004 „betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten‟ (hierna: het decreet van 7 mei 2004). Zij
X-16.922-3/7
licht toe door het erkend representatief orgaan nooit in kennis te zijn gesteld van de beslissing tot samenvoeging van de parochie Sint-Laurentius met de parochie Sint-Lucia. Zij heeft hierdoor “geen stappen meer [kunnen] ondernemen”.
Beoordeling
7. Artikel 4/3 van het decreet van 7 mei 2004 luidt:
“De Vlaamse regering erkent de samenvoeging van twee of meer erkende parochies door het erkend representatief orgaan. Het erkend representatief orgaan stelt de betrokken kerkfabrieken en het centraal kerkbestuur onverwijld in kennis van zijn beslissing tot samenvoeging. De criteria voor de erkenning, vermeld in artikel 2, tweede lid, zijn niet van toepassing op een dergelijke samenvoegingsprocedure.
De Vlaamse Regering stelt de procedureregels vast.”
8. Vooralsnog wordt niet aangenomen dat de onverwijlde kennisgeving van de beslissing tot samenvoeging bedoeld in het geciteerde artikel, eerste lid, tweede zin, een voorwaarde is voor de wettigheid van de erkenning van de samenvoeging door de Vlaamse regering.
Dit sluit aan bij de vaststelling dat artikel 7/4 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 september 2005 „houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 30
september 2005), waarin de inlichtingen en stukken worden opgesomd die het dossier voor de bij de Vlaamse regering in te dienen aanvraag tot erkenning van de samenvoeging ten minste moet bevatten, niet ook het bewijs van deze in artikel 4/3 bedoelde kennisgeving voorschrijft.
Voorts doet verzoekster niet inzien welke concrete “stappen” zij door de aangevoerde onregelmatigheid niet heeft kunnen zetten, en welke waarborg haar aldus zou zijn ontnomen.
9. Verzoekster lijkt op het eerste gezicht zonder belang bij het middel. Het is niet ernstig.
X-16.922-4/7
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
10. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 7
van het besluit van de Vlaamse regering van 30 september 2005. Verzoekster betoogt dat volgens het artikel slechts op limitatief opgesomde gronden tot een opheffing van een erkenning kan worden beslist. Aangezien geen van die gronden te dezen voorhanden was, “[kon] niet tot de opheffing van de erkenning [...]
beslist worden”.
Beoordeling
11. De in het middel aangevoerde bepaling betreft de opheffing door de Vlaamse regering van haar erkenning van een plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap.
De bestreden beslissing is evenwel geen opheffing van een dergelijke, door de Vlaamse regering verleende erkenning, maar integendeel de erkenning door de Vlaamse regering van de opheffing, volgens het wetboek van canoniek recht, door de aartsbisschop van Mechelen-Brussel van een entiteit van de eredienst en van de samenvoeging ervan met een andere erkende entiteit (zie artikel 7/4, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 30
september 2005).
12. Het middel is dan ook niet dienstig en, bijgevolg, niet ernstig.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
13. In een derde middel doet verzoekster de schending gelden van artikel 7/6 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 september 2005,
X-16.922-5/7
doordat de bestreden beslissing geen geactualiseerde inventaris van de goederen van de samengevoegde parochies bevat.
Bespreking
14. Inderdaad is in de bestreden beslissing geen geactualiseerde inventaris van de goederen van de samen te voegen erkende parochies te vinden.
Maar een dergelijke inventaris was wel bij het dossier voor de aanvraag tot erkenning van de samenvoeging gevoegd én de verwerende partij heeft in de bestreden beslissing op het eerste gezicht duidelijk te kennen gegeven hem bij te vallen en over te nemen, door er meer bepaald aldus naar te verwijzen:
“Het dossier bevat de plannen en de integrale inventaris van de samen te voegen parochies”.
15. In die omstandigheden lijkt het middel niet tot een nietigverklaring aanleiding te kunnen geven. Ook het derde en laatste middel is niet ernstig.
Aangezien aldus tenminste één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is vervuld, is er reden om de vordering in haar geheel te verwerpen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
X-16.922-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf oktober 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Johan Lust
X-16.922-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.361