Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.345 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.345 Généré par l'IA

Belgian court dismisses student's urgent suspension request against school board's grade reduction decision.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.345
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the student's request to suspend the execution of a school board decision reducing his final grade to a C. The student argued that his frequent medical absences and the subsequent requirement to retake exams violated principles of fairness and legal certainty. The court found the student's arguments vague and failed to demonstrate that the exam schedule infringed upon his rights or that the grade reduction was arbitrary. Consequently, the court upheld the school board's assessment of his academic performance.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Justice; The Council of State holds that a school board's decision to reduce a student's final grade based on insufficient evaluations and mandatory retakes does not violate the principles of fairness or legal certainty, provided the student cannot prove the procedure was arbitrary or unlawful.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative law school board decision grade reduction legal certainty principle fairness principle urgent suspension request academic performance assessment échec définitif aux examens

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.345 van 9 oktober 2017

in de zaak A. 223.416/IX-9147

In zake: Berkay ERTAP

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Driesen kantoor houdend te 3770 Riemst Zevenbunderstraat 20a bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW SINT-FRANCISCUSCOLLEGE

HEUSDEN-ZOLDER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 27 september 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Sint-Franciscuscollege Heus-

den-Zolder van 13 september 2017 om aan Berkay Ertap een oriënteringsattest C

toe te kennen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9147-1/23

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2017, om 10.00 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Kristof Driesen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Wouter Moonen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2016-2017 leerling in het eerste jaar van de derde graad economie-wetenschappen (ASO) in het Sint-Franciscuscollege Heusden-Zolder.

3.2. Tijdens het schooljaar is verzoeker wegens medische redenen frequent afwezig. Hierdoor kan hij aan vele evaluatiemomenten niet deelnemen.

Medio maart 2017 vraagt verzoeker om te mogen overstappen naar een andere studierichting (handel) op grond van uitzonderlijke medische redenen. De begeleidende klassenraad adviseert gunstig “mits de toelatingsklas-

senraad dat ook zo ziet”. De toelatingsklassenraad ziet het echter anders en acht de overstap “op dit moment van het jaar niet opportuun”. Hij adviseert om volgend jaar in te stappen in “5 Handel” en “ondertussen de mogelijkheid bekijken om al

IX-9147-2/23

leerstof van 5 Handel op dit moment te verwerken om zo een voorsprong op te bouwen”.

3.3. Op het einde van het schooljaar stelt de klassenraad vast dat niet alle cijfers van verzoeker representatief zijn en dat hij over onvoldoende evaluaties beschikt om over verzoeker onderbouwde uitspraken te doen.

De delibererende klassenraad oordeelt dat de resultaten niet representatief zijn voor acht van de twaalf opleidingsonderdelen en beslist dat verzoeker eind augustus bijkomende proeven moet afleggen voor zeven hiervan.

De proeven, aldus de notulering van deze beslissing, zien op “de leerstof waarvan de gegevens tot nog toe ontbreken”.

3.4. Op 1 september 2017 neemt de delibererende klassenraad kennis van de resultaten van verzoeker op de bijkomende proeven. Hij oordeelt dat er nog steeds onvoldoendes blijven voor vier vakken: fysica (42%), economie (44%), wiskunde (43,5%) en Engels (44,5%).

Een en ander resulteert in een C-attest.

3.5. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad.

Verzoeker stelt vervolgens beroep in bij het schoolbestuur. Dit beroepschrift vermeldt enkel dat verzoeker het “niet eens” is met de beslissing van de klassenraad en dat hij “in beroep [gaat]”.

3.6. Op 13 september 2017 hoort de beroepscommissie verzoeker, zijn moeder en zijn raadsman.

De notulen van dit verhoor vermelden “de aldaar aangebrachte argumenten” van verzoeker.

IX-9147-3/23

3.7. Aansluitend beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven. De commissie motiveert haar beslissing aldus:

“N.a.v. de uitgestelde beslissing omdat de klassenraad over onvoldoende evaluatiegegevens beschikte in juni, heeft Berkay bijkomende proeven gekregen, zie schoolreglement 3.5.2. Berkay heeft zich aangeboden voor de bijkomende proeven in augustus volgens afspraak en heeft deze afge-

legd. Het resultaat van de afgelegde bijkomende proeven ontving hij op 1 september 2017 samen met de beslissing van de klassenraad.

Door de bijkomende proeven aan te bieden is de vraag naar herexamen van meester [M.] beantwoord. Berkay heeft zich aangeboden voor de bijko-

mende proeven in augustus volgens afspraak en heeft deze afgelegd. Op de geopperde mogelijkheid voor tijdelijk onderwijs aan huis kon de school niet ingaan omdat aan de wettelijke voorwaarden niet voldaan is. Deze zijn nl.:

- meer dan 21 kalenderdagen ononderbroken afwezig zijn op school - of beschikken over een medisch attest voor chronische ziekte.

Ondanks de door de school aangereikte remediëringen en extra kansen, heeft Berkay de leerplandoelstellingen voor fysica, wiskunde, economie en Engels niet behaald.

Op grond van al deze overwegingen beslist de beroepscommissie:

dat het C-attest gehandhaafd blijft.”

IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

V. Uiterst dringende noodzakelijkheid

5. Zoals verzoeker terecht opmerkt, is het vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd.

IX-9147-4/23

In tegenstelling tot wat de verwerende partij betoogt in haar nota, wijst het tijdsverloop tussen de ontvangst van de bestreden beslissing op 15 sep-

tember 2017 en het instellen van de voorliggende vordering niet op een gebrek aan de vereiste diligentie.

Meer hoeft over deze schorsingsvoorwaarde niet te worden ge-

steld, ze is vervuld.

VI. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting

6. In een eerste middel voert verzoeker “schending van de motive-

ringsverplichting en machtsoverschrijding” aan.

Het middel wordt toegelicht in elf onderdelen.

- 1. “Vooreerst blijft het volledige tijdsverloop voor verzoeker en zijn raadsman geheel onduidelijk”:

“Men besloot in juni dat er onvoldoende gegevens beschikbaar waren om tot een representatief resultaat te komen en tot gegrond oordeel over te kunnen gaan.

Nochtans beschikt verzoeker over zowel een rapport juni (stuk 10) als over een jaarrap[p]ort (stuk 11).

Uit de resultaten van juni blijkt dat verzoeker 4 tekorten had op fysica, economie, wiskunde en Engels.

Uit het jaarrapport blijkt dat er tekorten waren op fysica, economie, wis-

kunde, Engels en Frans.

In beide gevallen liggen de klasgemiddeldes ook zeer laag.

Niettemin is het vreemd dat verweerder stelt dat er enerzijds te weinig gegevens zijn en anderzijds dat een groot aantal toetsen niet zouden zijn afgelegd? Hoe komt men dan tot deze punten?

IX-9147-5/23

In het jaarrapport komt men dan tot een uitgestelde beslissing en besluit men tot bijkomende proeven voor biologie, chemie, Engels, Frans, Fysica, Nederlands en Wiskunde.

Dit is uiteraard zeer vreemd aangezien verzoeker geslaagd was op het globaal eindrapport op Biologie, Chemie, Frans en Nederlands.

Hoe kan men uitgestelde proeven geven voor vakken waarvan men in to-

taliteit stelt dat verzoeker hierop geslaagd is?

[…]

Waarop werd de uitgestelde proef dan gebaseerd?

Bovendien blijkt nergens uit de uitgestelde beslissing waar het C-attest wordt toegekend wat nu het resultaat was van de uitgestelde proeven?

Men herneemt hier immers louter en alleen de resultaten van het jaarrap-

port?

Bijkomend weze het opgemerkt dat men in deze eindbeslissing weer gaat verwijzen naar een tekort op economie, terwijl hiervoor geen uitgestelde proef werd toegekend?

Op basis hiervan mocht verzoeker er vanuit gaan dat hij de jaarplandoel-

stellingen voldoende had bereikt en dat men van mening was dat dit geen beletsel om te slagen zou mogen zijn.

Naar de resultaten voor fysica, economie en wiskunde op de uitgestelde proeven blijft het gissen.”

- 2. “Verder stelt men dat de klassenraad dat: „er voldoende kansen zijn gegeven tot bijmaken en/of remediëring‟ en dat verzoeker „nooit om extra uitleg heeft ge-

vraagd‟”.

Bij de toelichting van dit onderdeel gaat verzoeker uitvoerig in op de aard van de aangeboden remediëring en zet hij uiteen waarin de school volgens hem is tekortgeschoten op dit vlak. Hij vraagt zich finaal af “of een meer doorgedreven remediëring en begeleiding niet tot betere resultaten had kunnen leiden en of dergelijke begeleiding niet kan volstaan om het laatste schooljaar met vrucht te beëindigen”.

- 3. “De uitgestelde proeven die verzoeker heeft gekregen zijn trouwens geenszins representatief te noemen en lijken puur opgelegd om de reeds bestaande visie op het functioneren van verzoeker te willen bevestigen: men wilde verzoeker het jaar laten overdoen en daarvoor leken alle middelen geschikt te zijn”:

“Zo heeft men op de uitgestelde proeven verzoeker alle leerstof laten her-

nemen van het 2e semester (stuk 12), zonder verduidelijking of zonder

IX-9147-6/23

uitleg waarom dit noodzakelijk was om de leerplandoelstellingen te beha-

len.

Zoals in punt 1 uiteengezet heeft men verzoeker zelfs proeven laten af-

leggen voor vakken waar hij globaal, volgens het eindrapport, op was ge-

slaagd!?

Er werd bovendien op geen enkele wijze een onderscheid gemaakt tussen de onderdelen die door verzoeker gekend waren en dewelke niet of min-

stens minder gekend waren.

Nochtans is een uitgestelde proef een instrument om bijkomende inzichten te krijgen in de kennis van een leerling omdat met op het ogenblik van de deliberatie oordeelt over onvoldoende elementen te beschikken om tot een gegrond oordeel te komen.

Wanneer men nu naar de opgaves van de uitgestelde proeven kijkt, wordt snel duidelijk dat deze eerder voortbouwen op de verouderde visie van de herexamens en dus niet gebruikt worden voor hetgeen waar ze voor voor-

zien waren.”

- 4. “Verzoeker merkt trouwens op dat SmartSchool en het berichtensysteem eind juni werd afgesloten, zodat verzoeker niet enkel geen toegang meer had tot be-

paalde gegevens, maar ook in de onmogelijkheid verkeerde nog vragen te stellen aan zijn leerkrachten”.

Verzoeker stelt dat hij bij de beroepscommissie geargumenteerd heeft “dat hij heeft moeten werken met onvolledige nota‟s, dat hij notities heeft moeten vragen bij anderen en zich voor uitleg heeft moeten wenden tot Google en Youtube”. Men verwijt hem vaak afwezig te zijn, geeft geen bijkomende uitleg, maar vindt het blijkbaar ook niet nodig om na te gaan of hij dan over alle nota‟s beschikt, sluit Smartschool en het berichtensysteem af en maakt bijgevolg elke communicatie onmogelijk. Het is een raadsel, aldus verzoeker, hoe hij dan ooit tijdens de bijkomende proeven tot de gewenste resultaten had kunnen komen.

De beroepscommissie neemt dit punt volgens verzoeker op geen enkele wijze mee in haar beoordeling.

- 5. “Voor zoveel als nodig wenst verzoeker er trouwens op te wijzen dat hij 2

nullen kreeg op het vak Engels”:

“Dit heeft uiteraard gezorgd voor een vertekend beeld.

IX-9147-7/23

Verzoeker heeft hier op gewezen zowel tijdens het gesprek bij de directeur, als voor de beroepscommissie.

Tijdens het gesprek bij de directeur heeft de desbetreffende leerkracht dan bevestigd dat het nullen betreffen omdat verzoeker niet aanwezig was en omdat hij een taak niet had ingediend.

Het is nochtans een vaststaand gegeven dat men geen 0 kan geven voor een toets die men niet heeft afgelegd, noch bewijst de leerkracht, directie of verweerster dat verzoeker op de hoogte had kunnen zijn van deze taak, mede gelet op de afwezigheid van verzoeker.

Ook hierop komt geen verder antwoord, terwijl deze onvoldoende wel een wezenlijk verschil heeft gemaakt in de beoordeling en ook nadrukkelijk gebruikt wordt om het C-attest te motiveren.”

- 6. “Verzoeker wijst er voor de beroepscommissie verder op dat er de mogelijk-

heden bestaan van Bednet en thuisonderwijs aan huis”.

Ook hierop biedt de beroepscommissie volgens verzoeker geen antwoord.

- 7. “Bovendien komt er geen antwoord op de vraag van verzoeker waarom een waarschuwing of vakantietaak voor bepaalde vakken geen mogelijkheid was, aangezien hij zo wel de kans zou krijgen om zich nog te kunnen bewijzen”; “[de]

delibererende klassenraad en de beroepscommissie laten na hier ook maar 1 ant-

woord op te formuleren”.

- 8. “Verzoeker wenst tevens op te merken dat de delibererende klassenraad en beroepscommissie niet de mogelijkheden benut die haar nochtans worden aange-

reikt en zonder haar onderzoeksplicht te vervullen op basis van de loutere cijfers tot het besluit komt om een C-attest toe te kennen”.

Volgens verzoeker “is het vrij duidelijk dat het enige motief dat opgeworpen wordt door de delibererende klassenraad het niet-slagen op 4 vakken [is]”. Nochtans dient de leerling beoordeeld te worden op al zijn merites en niet louter op basis van de toepassing van deliberatiecriteria om zo een puur cijferma-

tige benadering te vermijden. Nochtans heeft deze puur cijfermatige benadering wel plaatsgevonden, daar men zonder enige motivering enkel belang hecht aan de

IX-9147-8/23

laatste examens en men weigert meer aandacht te besteden aan het dagelijks werk, de historiek en de persoonlijke omstandigheden waarin verzoeker verkeerde. De resultaten behaald voor andere vakken mogen niet buiten beschouwing blijven.

- 9. “Verzoeker is derhalve van mening dat de bestreden beslissing geen globale beoordeling geeft, houdt ze geen rekening met de ingeroepen elementen en faalt ze in haar motivering. De motivering focust enkel op de tekorten. Enkel reeds hier-

door is de beslissing onwettig, aangezien de beroepscommissie het hele dossier, en dus ook de positieve resultaten van de leerling, in de beslissing dient te betrekken.

Dit geldt des te meer daar de resultaten van verzoeker zijn verbeterd doorheen het jaar, er een positieve evolutie is en de vraag dient te worden gesteld hoe verweer-

ster deze bekijkt in het licht van de tekorten”:

“De beroepscommissie beantwoordt zeer duidelijk geen van de opgewor-

pen elementen op een aanvaardbare manier en beperkt zich tot vage for-

muleringen die weinig ter zake zijn. Het louter benoemen van de tekorten om zo een C-attest op te leggen is overduidelijk te weinig om dergelijk attest te motiveren. Waarom de tekorten zo doorslaggevend zijn om een C-attest op te leggen, leert de beslissing immers niet, noch hoe deze te-

korten zich verhouden tot het positieve jaartotaal, de vakken met een slaagcijfer en de positieve evolutie.

Een tekort op een of, in casu twee, richtingspecifiek vak(ken) geeft niet ipso facto aanleiding tot een C-attest. Bovendien zijn de overige rich-

tingspecifieke vakken van verzoeker wel als voldoende beoordeeld zodat de bestreden beslissing de cluster van alle richtingspecifieke vakken had dienen te bekijken en dient uit te leggen waarom de slaagcijfers voor rich-

tingspecifieke vakken niet relevanter zijn dan de tekorten voor rich-

tingspecifieke vakken enerzijds, maar anderzijds ook hoe deze tekorten zich verhouden tot het geheel van slaagcijfers voor het geheel van het jaar en alle anderen vakken in het bijzonder.

Ook de resultaten van de uitgestelde proeven blijven hierbij de grote af-

wezige.”

- 10. “Tot slot motiveert de delibererende klassenraad in het geheel niet waarom zij ineens handel adviseren”:

“Wat is de reden en motivatie hierachter?

Waarop baseert de school zich hiervoor?”

IX-9147-9/23

- 11. “Samenvattend wenst verzoeker op te merken dat op geen van bovenstaande argumenten een antwoord wordt gegeven door de beroepscommissie, die louter stelt dat verzoeker zich voor de bijkomende proeven heeft aangemeld, deze heeft afgelegd en de resultaten ontving op 1 september”.

Beoordeling

Vooraf

7. Ingevolge de zogenaamde devolutieve werking van het georga-

niseerd administratief beroep is de beslissing van de delibererende klassenraad uit het rechtsverkeer verdwenen en vervangen door de beslissing van de beroeps-

commissie.

Voor zover verzoeker doorheen zijn grieven en in zijn tiende grief zelfs exclusief kritiek formuleert op de beslissing van de klassenraad, vermag dit op het eerste gezicht de onwettigheid van de beslissing van de beroepscom-

missie niet aan te tonen. Bij die kritiek heeft verzoeker dan ook geen belang. Ze is om die reden niet ernstig. De Raad gaat er hierna dan ook niet meer op in.

8. In zijn grieven argumenteert verzoeker regelmatig dat hij op het ene of andere bezwaar vanwege de beroepscommissie geen antwoord kreeg.

Hiermee is een schending van de formelemotiveringsplicht be-

doeld.

In dit verband zij eraan herinnerd dat een beroepscommissie niet verplicht is om op alle grieven en opmerkingen afzonderlijk te reageren. Het vol-

staat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing af-

doende kunnen dragen.

IX-9147-10/23

Het bestaan en de zin van de georganiseerde administratieve beroepsprocedure vereisen wel dat de beroepsinstantie laat blijken met het be-

roepschrift zorgvuldig rekening te hebben gehouden en dat de bezwaarindiener een antwoord krijgt op bezwaren die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze wel in aanmerking zijn genomen, een voor hem gunstiger evaluatiebeslissing konden opleveren.

Wie dan echter de beroepscommissie verwijt te hebben nagela-

ten om te antwoorden op dergelijke bezwaren en argumenten, moet in een proce-

dure waarbij hij de Raad van State uitnodigt om bij uiterst dringende noodzake-

lijkheid kennis te nemen van zijn zaak en ook gelet op het prima facie onderzoek, met de nodige precisie aangeven welke de argumenten zijn die zonder antwoord zijn gebleven en die van aard waren een voor hem gunstiger licht op de zaak te werpen. Het volstaat niet in zeer algemene bewoordingen te refereren aan wat verzoeker heeft uiteengezet ten overstaan van de beroepscommissie.

Er is echter meer. Luidens artikel 123/15, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs moet een beroep bij het schoolbestuur tegen een evaluatie-

beslissing gebeuren “door middel van een gedateerd en ondertekend verzoek-

schrift, dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt”. Het beroep van verzoeker is evenwel een „blanco‟ beroep, het roept geen enkel bezwaar in. De beroepscom-

missie heeft aan het instellen van zo een „blanco‟ beroep geen sanctie verbonden.

Het schoolreglement somt de voorwaarden op waaraan het beroep op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen en vervolgt met de waarschuwing dat als het beroep niet aan die voorwaarden voldoet, zulks de beroepscommissie zal belem-

meren om het beroep inhoudelijk te behandelen. Pas daarna en ogenschijnlijk dus ook wat de sanctie betreft afgescheiden van het vorige, volgt de zin “We ver-

wachten daarnaast ook dat het beroep de redenen aangeeft waarom je ouders de beslissing van de delibererende klassenraad betwisten” (de Raad cursiveert). Op het eerste gezicht verbindt artikel 123/12, § 2, 1°, b, van de Codex in samenhang met het schoolreglement aan het instellen van een beroep zonder uitgeschreven

IX-9147-11/23

bezwaren dus evenmin een sanctie. Verzoeker kan evenwel bezwaarlijk aan de beroepscommissie verwijten dat zijn beroepschrift bezwaren zou bevatten waarop zij niet zinvol heeft geantwoord.

9. Om deze reden is volgens de verwerende partij het middel, voor zover het kritiek uit op de motieven van de bestreden beslissing, onontvankelijk.

Het zijn immers, volgens de verwerende partij, grieven die nooit in de fase van het administratief beroep werden opgeworpen.

Die exceptie wordt echter niet bijgevallen. Op de hoorzitting heeft verzoeker immers wel argumenten aangebracht. Hij voert niet aan dat de notulering hiervan niet volledig of niet getrouw zou zijn.

Dit betekent met betrekking tot de formelemotiveringsplicht dat de Raad van State wel, maar ook enkel, hoeft na te gaan of die genotuleerde ar-

gumenten van aard zijn om een uitdrukkelijk antwoord te behoeven en, zo ja, of dit er van de zijde van de beroepscommissie ook is gekomen.

Eerste grief

10. Verzoeker betwist niet dat hij wegens medische redenen veel-

vuldig afwezig was en niet heeft deelgenomen aan vele evaluatiemomenten, waaronder de meeste examens van juni. Het is naar het oordeel van de Raad van State niet ernstig om dan te argumenteren dat verzoeker niet inziet waarom de wel toegekende punten, die bijgevolg slechts een weergave zijn van slechts die toetsen waaraan hij heeft kunnen deelnemen, niet representatief genoemd worden.

Uit die toegekende punten afleiden dat verzoeker “geslaagd” was miskent de draagwijdte van die punten.

11. Verzoeker toont niet aan waarom de beroepscommissie niet mocht verwijzen naar het tekort voor economie. Volgens de klassenraad waren de

IX-9147-12/23

resultaten van verzoeker voor dit vak voldoende representatief. Verzoeker trekt dit niet in twijfel. Aldus moest hem voor dit vak geen bijkomende proef worden op-

gelegd. Hieruit afleiden dat hij voor dit vak geslaagd is, mist feitelijke grond.

12. De delibererende klassenraad heeft in zijn beslissing van 1 sep-

tember 2017, waarvan verzoeker kennis heeft, vier jaaronvoldoendes vastgesteld, namelijk “Fysica 42% (richtingsvak), Economie 44% (richtingsvak), wiskunde 43,5%, Engels 44,5%”.

Uit de bestreden beslissing noch uit een ander aan verzoeker meegedeeld stuk kunnen op het eerste gezicht de evaluaties van de bijkomende proeven worden afgeleid.

Verzoeker heeft in de administratieve beroepsprocedure echter niet, zo lijkt, hierover opmerkingen gemaakt.

De beroepscommissie verwijst in de bestreden beslissing op-

nieuw naar de vier jaartekorten. Uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht treft haar daarin geen verwijt; zij hoefde niet te antwoorden op een bezwaar dat voor haar niet is ingeroepen.

13. Of die jaartotalen correct zijn vastgesteld, is dan ook geen zaak van formelemotiveringsplicht, maar van materiëlemotiveringsplicht.

Weliswaar heeft verzoeker zelf als stuk 6 bij zijn verzoekschrift een document neergelegd waarin de jaartotalen zijn opgenomen voor de vier on-

voldoendes, maar op welke wijze deze cijfers tot stand zijn gekomen en welke uitslag verzoeker heeft gehaald voor de bijkomende proeven is voor hem een raadsel. Omdat zijn C-attest is gesteund op vier jaartekorten en die jaartekorten in grote mate op hun beurt steunen op de resultaten van de bijkomende proeven, mochten die resultaten op het eerste gezicht niet achterwege blijven in het admi-

nistratief dossier.

IX-9147-13/23

Verzoeker voegt echter ook als stuk 8 bij zijn verzoekschrift de neerslag van het overleg met de directeur op 1 september 2017. Hieruit blijkt dat hij toen inzage kreeg van zijn examens en dat hij er uitleg over vroeg en kreeg, waarbij ook de leerkrachten erbij werden gehaald. Verzoeker verklaart daar bij-

voorbeeld dat hij de punten van wiskunde “begrijpt”. Hij krijgt uitleg over de examens fysica en Engels en stelt vragen die ook prima facie ervan doen blijken dat hij de bijkomende proeven heeft ingekeken.

Uit het gegeven dat verzoeker voldoende de gelegenheid ge-

kregen lijkt te hebben om zijn examens in te zien en er uitleg over te vragen, volgt op het eerste gezicht dat hij bij die gelegenheid dan ook moet hebben kunnen vaststellen, wat voor elk van die proeven het toegekende resultaat was – minstens dit had kunnen vragen – en dat hij bijgevolg thans in staat moet zijn om minimaal toe te lichten waarom de jaartotalen waarop de beroepscommissie steunt geen getrouwe weergave zouden zijn van zijn prestaties. Daar komt verzoeker in de huidige stand van de procedure echter niet aan toe. Er is vooralsnog dan ook geen reden om te twijfelen aan de vastgestelde jaartekorten, spijts het ontbreken van de bijkomende proeven en hun quoteringen in het administratief dossier.

14. Verzoeker voert ook “machtsoverschrijding” aan, maar lijkt hieraan geen andere, afzonderlijke betekenis te geven.

Tweede en zesde grief

15. In de grieven onder de punten 2 en 6 beklaagt verzoeker zich over een gebrek aan passende begeleiding of remediëring tijdens het schooljaar.

In dat verband zij eraan herinnerd, zoals de Raad van State reeds in tal van arresten heeft gewezen, dat wat verzoeker aanvoert, mogelijk kan aan-

tonen dat de school mede aansprakelijk is voor het minder gunstige resultaat, maar niet vermag aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of een leerling bewezen heeft de van hem ver-

IX-9147-14/23

langde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat, indien een leerling de school terecht verwijt geen passende begeleidingsmaatregelen zoals thuisonderwijs te hebben voorgesteld of onvoldoende remediëring te hebben aangeboden, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat zulk resultaat gunstiger wordt.

De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar er toe moet leiden voorbij te zien aan de vastgestelde jaartekorten en het uiteindelijke studieresultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, welke ook zijn studieresultaten mogen zijn, ter genoegdoening maar een A-attest verleend moet worden.

Zelfs indien de beroepscommissie voorts op die grieven omtrent de gebrekkige remediëring niet of niet afdoende zou hebben geantwoord, ziet de Raad vooralsnog niet welk belang verzoeker erbij heeft om dit te horen vaststellen.

16. Die vaststelling lijkt voorlopig tot het besluit te leiden dat ver-

zoeker in zoverre zonder belang is bij de grieven uiteengezet onder de punten 2 en 6.

Derde grief

17. Verzoeker dwaalt, om de redenen hiervóór uitgelegd, als hij uit het eindrapport van juni wil afleiden dat hij slaagcijfers kan voorleggen en dus ten onrechte bijkomende proeven heeft moeten afleggen.

IX-9147-15/23

Verzoeker heeft nagelaten, zo lijkt, om in zijn administratief beroep de representativiteit van de opgelegde leerstof voor de bijkomende proeven te betwisten.

Voorts blijft het bij een blote bewering, niet toegelicht of on-

derbouwd, dat de leerstof voor die proeven niet representatief zou zijn om de leemtes tijdens het jaar in te vullen. Stuk 6, bladzijde 6, bij het inleidend ver-

zoekschrift leert dat de klassenraad besloot om aan verzoeker proeven op te leggen “over de leerstof waarvan de gegevens tot nog toe ontbreken” – dat lijkt een om-

schrijving van wat verzoeker zelf in het verzoekschrift definieert als wat een re-

presentatieve proef mag zijn: “een instrument om bijkomende inzichten te krijgen in de kennis van een leerling omdat me[n] op het ogenblik van de deliberatie oordeelt over onvoldoende elementen te beschikken om tot een gegrond oordeel te komen.”

Verzoeker legt voorts als stuk 12 een omstandige opgave neer van de leerstof voor de bijkomende proeven voor elk vak, zoals die blijkbaar einde juni aan hem is meegedeeld. Het ligt dan op de weg van verzoeker om aan te tonen waarom die leerstof niet representatief mag heten te zijn, bijvoorbeeld omdat ze niet zou refereren aan “de leerstof waarvan de gegevens tot nog toe ontbreken”.

Zelfs mag van hem worden verwacht, zo lijkt, dat hij dit tijdig aan de school sig-

naleert – dat wil zeggen, vóórdat de proeven moeten worden afgelegd. Dat heeft verzoeker op het eerste gezicht niet gedaan.

Vierde grief

18. Verzoeker heeft op de hoorzitting bij de beroepscommissie zijn beklag gedaan over het feit dat Smartschool en het berichtensysteem waren afge-

sloten en dat hij onvolledige nota‟s had.

19. Uit stuk 12 bij het verzoekschrift valt af te leiden dat verzoeker niet enkel een overzicht kreeg van de in te studeren leerstof voor de bijkomende

IX-9147-16/23

proeven, maar ook dat hij werd uitgenodigd om op vrijdag 30 juni 2017 tussen 10.00 uur en 12.00 uur in de school “[i]nfo over de opgaven” te krijgen. Dat was het ogenblik, zo lijkt, om te signaleren dat hij niet over alle nota‟s beschikte en om te vragen of en hoe hij de leerkrachten kon bereiken ingeval er bijkomende uitleg nodig was. Er blijkt niet dat verzoeker dat toen gedaan heeft, zodat de school bezwaarlijk achteraf hierover een verwijt kan treffen.

Verzoeker verduidelijkt voorts niet concreet welke andere ge-

gevens hij nog nodig had om op een degelijke manier zijn proeven te kunnen voorbereiden.

Verzoeker voert ook geen regel of beginsel aan waaruit volgt dat leerkrachten bereikbaar moeten zijn voor extra begeleiding in aanloop naar de bijkomende proeven.

Het wordt door de verwerende partij niet betwist dat het berich-

tensysteem tijdens de zomermaanden onbeschikbaar was, maar het afsluiten van dit digitale platform lijkt niet, zoals verzoeker beweert, “bijgevolg elke commu-

nicatie onmogelijk” te maken. In de nota merkt de verwerende partij hierover, prima facie niet onterecht, het volgende op:

“Enkel het berichtensysteem wordt, voor alle leerlingen, afgesloten tijdens de zomervakantie. Alle andere applicaties, zoals het takenoverzicht, binnen het Smartschool-platform behouden hun werking en toegankelijkheid.

Bovendien beschikken alle leerkrachten over een school-mailadres dat gekend is bij de leerlingen en waarop zij ook buiten het Smart-

school-berichtensysteem bereikbaar zijn. Daarnaast zijn de schoolgebou-

wen ook geopend tijdens de eerste twee weken van juli en de laatste twee weken van augustus. Desondanks heeft de verwerende partij nooit vragen hieromtrent ontvangen van de verzoekende partij.”

Verzoeker preciseert alvast niet welke communicatie hem pre-

cies onmogelijk is gemaakt ingevolge het gedeeltelijk afsluiten van het digitale platform. Nog minder toont hij een rechtstreeks verband aan met de door hem behaalde resultaten, meer bepaald de vastgestelde jaartekorten.

IX-9147-17/23

20. Aldus lijkt verzoeker ook geen belang te hebben om de be-

roepscommissie te verwijten op dit argument geen antwoord gegeven te hebben;

verzoeker overtuigt immers niet dat het antwoord op die grief de eindbeslissing anders had kunnen doen kleuren.

Vijfde grief

21. Zoals verzoeker opmerkt, heeft hij tijdens het overleg met de directeur en met de vakleerkracht de twee voor het vak Engels toegekende nullen besproken. Hij heeft er op dat ogenblik ook, zo laat het verslag van dit overleg lezen, een antwoord op gekregen: de ene nul staat voor een toets waarvan ver-

zoeker op het overleg toegeeft “dat hij dan toch aanwezig was”, de andere voor een opdracht die verzoeker nooit heeft ingeleverd. Dit antwoord krijgt in het voorlig-

gende verzoekschrift geen enkele aandacht.

Op de hoorzitting voor de beroepscommissie heeft de moeder van verzoeker dan enkel laten notuleren dat zij “niet tevreden [is] met 2 nullen voor Engels”.

Dit kan op het eerste gezicht niet als een bezwaar worden op-

gevat dat van de beroepscommissie nog een bijkomend antwoord behoeft.

Ook huidig verzoekschrift bevat geen overtuigende gegevens die zouden toelaten te twijfelen aan de waarachtigheid van de toegekende punten voor Engels.

Zevende grief

22. De Raad leest nergens in de notulering van de hoorzitting een vraag van verzoeker voor “een waarschuwing of vakantietaak”. Dat geen antwoord komt op een vraag die niet gesteld is, mag niet verrassen.

IX-9147-18/23

Achtste en negende grief

23. De beroepscommissie verantwoordt het C-attest in wezen met een verwijzing naar vier jaartekorten. Twee ervan hebben betrekking op profiel-

bepalende vakken.

Naar het oordeel van de Raad volstaat een dergelijk motief in rechte om tot een C-attest te besluiten, zonder dat de beroepscommissie nog uit-

drukkelijk andere resultaten in een opsomming moet benoemen en afwegen.

Het valt dan integendeel aan verzoeker toe, geconfronteerd met deze tekorten, om te argumenteren welke ándere resultaten of andere gegevens van zijn dossier dan van aard zijn om in een omvattende afweging hier tegenop te kunnen wegen en te kunnen verantwoorden dat hij in voldoende mate de leer-

doelstellingen heeft gehaald om geslaagd verklaard te kunnen worden.

Noch voor de beroepscommissie, noch in de huidige procedure komt verzoeker daartoe.

Elfde grief

24. De elfde grief heet „samenvattend‟ te zijn en behoeft dan ook geen afzonderlijk antwoord.

Concluderend

25. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel in geen van zijn onderdelen ernstig is.

IX-9147-19/23

B. Tweede middel

26. De Raad van State leest in de toelichting van het tweede middel, geput uit de schending van “het zorgvuldigheidsprincipe”, niets nieuws dat bij de beoordeling van het eerste middel onbeantwoord zou zijn gebleven.

27. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting

28. Het derde middel is geput uit de schending van het redelijk-

heidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel.

Verzoeker “kan zich niet van de mening ontdoen dat een andere school in dezelfde feitelijke omstandigheden, rekening houdend met alle voor-

gaanden, tot eenzelfde besluit zou komen”. Het besluit om een C-attest toe te kennen “is dan ook kennelijk onredelijk”.

Bovendien meent verzoeker dat er een schending van het ge-

lijkheidsbeginsel bestaat, “daar hij op sommige dagen in januari 3 examens diende in te halen op 1 dag, alwaar dit voor de volledige school maximum 2 examens betroffen op 1 dag”. Daarnaast kan hij niet begrijpen “waarom hij uitgestelde proeven diende af te leggen voor vakken waarop hij wel degelijk geslaagd was volgens het eindrapport”. Het afsluiten van zijn Smartschool-account en de on-

mogelijkheid om vragen te stellen, maken volgens verzoeker eveneens “een we-

zenlijke verstrenging uit […] ten aanzien van zijn mede-leerlingen die wel infor-

matie konden terugvinden op Smartschool tijdens de examens [en] vragen konden stellen”.

IX-9147-20/23

Beoordeling

29. Wat het redelijkheidsbeginsel betreft, overtuigt verzoeker niet dat het ondenkbaar zou zijn dat enige andere beroepscommissie, binnen haar be-

oordelingsvrijheid, op grond van vier jaartekorten waaronder twee richtingbepa-

lende vakken tot een C-attest zou kunnen besluiten.

30. Verzoeker heeft examens moeten inhalen ten gevolge van zijn afwezigheid. Zijn feitelijke situatie is dus verschillend van die van de andere leer-

lingen, die wel op het daartoe bepaalde ogenblik kerstexamens hebben afgelegd.

Voorts is de grief zeer vaag geformuleerd en geeft verzoeker absoluut geen inzicht over welke examens het gaat, met welke resultaten en met welke gevolgen voor de eindbeoordeling. In de huidige stand van de rechtspleging is niet aangetoond dat het verloop van de inhaalexamens de wettigheid van de vastgestelde jaartekorten aantast.

31. De reden waarom verzoeker zich vergist om zich voor vakken “geslaagd” te noemen “volgens het eindrapport” is hiervóór al toegelicht.

32. Verzoeker is voor de bijkomende proeven prima facie niet an-

ders behandeld dan zijn medeleerlingen, aangezien niet wordt beweerd dat andere leerlingen die bijkomende proeven moesten afleggen wel toegang zouden hebben gekregen tot Smartschool of vragen konden stellen.

33. Het middel is niet ernstig.

D. Vierde middel

Uiteenzetting

34. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van het “rechtszekerheidsbeginsel”.

IX-9147-21/23

Hij licht toe:

“Een onderwijsinrichting mag de door haar gedane toezeggingen niet in-

trekken of naast zich neerleggen;

Nochtans is dit hetgene wat verweerster heeft gedaan!

Zij beoordeelt op het jaarrapport dat verzoeker slaagt op bepaalde vakken en gaat dan plotseling toch uitgestelde proeven opleggen?”

Beoordeling

35. Het middel steunt op een reeds hiervóór besproken feitelijk on-

juist uitgangspunt, namelijk dat verzoeker volgens het jaarrapport van juni “slaagt op bepaalde vakken”. Het is niet ernstig te noemen.

E. Slotsom

36. Geen van de middelen is ernstig.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

IX-9147-22/23

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-9147-23/23

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.345