Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.325 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.325 Généré par l'IA

Court annuls asylum rejection due to failure to provide interpreter as required by law.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.325
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Refugee Board's decision rejecting the applicants' asylum claims. The applicants argued that their right to an interpreter was violated because the board proceeded without one despite their requests. The court found the record lacked proof of an interpreter's presence on the hearing date, rendering the decision procedurally flawed.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 39/18 of the Aliens Act; Article 12 of Directive 2013/32/EU: A decision on international protection is void if the applicant was not assisted by an interpreter when required by law, as the absence of such assistance violates the principle of equal arms and fair proceedings.

Mots-clés

Généré par l'IA
asylum procedure interpreter requirement procedural fairness aliens act refugee status cassation annulment hearing record demande d'asile d'un Nigérian

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 39/18 of the Aliens Act of 15 December 1980
Article 12 of Directive 2013/32/EU
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.325 van 9 oktober 2017

in de zaak A. 219.149/XIV-37.019

In zake : 1. XXX

2. XXX

3. XXX

4. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Vancraeynest kantoor houdend te 5530 Yvoir avenue de Fidevoye 9

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE

VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN

kantoor houdend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 26A

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 2 mei 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 164.922 van 30 maart 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.979 van 2 juni 2016.

De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend.

XIV-37.019-1/6

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Pauline Delgrange, die loco advocaat Pascal Vancraeynest verschijnt voor de verzoekers, is gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De verzoekers komen België binnen op 29 april 2014 en zij dienen dezelfde dag een asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beslist op 30 september 2015 tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hunnen hoofde.

De verzoekers tekenen tegen deze beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 3 november 2015. Met een arrest van 30 maart 2016 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van de verzoekers. Dit is het bestreden arrest.

XIV-37.019-2/6

IV. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekers werpen in een enig middel, dat zij in de toelichtende memorie herhalen, de schending op van artikel 39/18 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet)

en van artikel 12 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32).

De verzoekers voeren aan dat zij in hun beroepschrift de bijstand van een tolk Azeri hebben gevraagd voor de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Op de terechtzitting van 26 februari 2016 werd hun zaak uitgesteld omdat er enkel een Turkse tolk aanwezig was. De zaak werd vastgesteld op 11 maart 2016 doch opnieuw uitgesteld tot de zitting van 25 maart 2016 wegens afwezigheid van de gevraagde tolk. Op deze laatste zitting was evenmin een tolk aanwezig zodat de verzoekers hun vrees niet konden uitdrukken.

In het bestreden arrest wordt trouwens niet vermeld dat de verzoekers konden gebruikmaken van een tolk. De verzoekers achten dit in strijd met artikel 39/18 van de vreemdelingenwet en met richtlijn 2013/32.

Beoordeling

5. Artikel 39/18 van de vreemdelingenwet luidt:

“De partijen die niet onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, mogen voor hun akten en verklaringen de taal gebruiken welke zij verkiezen.

Behoudens in het geval de in artikel 51/4, § 3 voorziene taalregeling van toepassing is en de verzoekende partij bij haar asielaanvraag heeft aangegeven geen hulp van een tolk nodig te hebben, kan zij om de bijstand van een tolk ter

XIV-37.019-3/6

terechtzitting verzoeken; de kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.

In afwijking van het eerste lid, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid, de asielzoeker het verzoekschrift en de overige procedurestukken indienen in de taal die is bepaald bij het indienen van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4.

Behoudens in het geval de verzoekende partij, overeenkomstig het tweede lid, bijgestaan wordt door een tolk, dient zij, indien artikel 51/4 van toepassing is, de overeenkomstig voormelde bepaling vastgestelde proceduretaal te gebruiken voor haar mondelinge toelichtingen ter terechtzitting.”

Uit het administratief dossier, dat deel uitmaakt van het rechtsplegingsdossier, blijkt dat de verzoekers bij het indienen van hun asielaanvraag om de bijstand van een tolk Azeri hebben verzocht. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt ook dat de verzoekers in hun beroepschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om de bijstand van een tolk Azeri hebben verzocht.

In het proces-verbaal van de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 26 februari 2016 wordt de aanwezigheid vermeld van een tolk Azeri voor de verzoekers. Daarbij wordt echter vermeld dat de verzoekers en de tolk aangeven “elkaar niet goed te verstaan” en dat de zaak “tegensprekelijk [wordt] uitgesteld naar de terechtzitting van vrijdag 11 maart 2016 om 10.00 uur zaal C teneinde een tolk Azeri ui[t] Azerbeidzjan te voorzien”.

In het bestreden arrest wordt verwezen naar “het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 11 maart 2016 waaruit blijkt dat de zaak op de terechtzitting van 11 maart 2016 wordt uitgesteld naar de terechtzitting van 25 maart 2016”, waarop de zaak behandeld en in beraad genomen is.

In het bestreden arrest wordt geen melding gemaakt van de aanwezigheid van een tolk Azeri en in het rechtsplegingsdossier bevindt zich geen proces-verbaal van de terechtzitting van 25 maart 2016, waaruit de aanwezigheid van een tolk Azeri in voorkomend geval zou kunnen blijken. Vermits de zaak van de verzoekers net om die reden tot tweemaal toe was uitgesteld en uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan de aanwezigheid van een tolk Azeri op de terechtzitting van 25 maart 2016 niet blijkt, noch de instemming van de verzoekers met een eventuele afwezigheid van die tolk, blijkt niet dat het bestreden

XIV-37.019-4/6

arrest tot stand is gekomen in overeenstemming met artikel 39/18 van de vreemdelingenwet.

Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 164.922 van 30 maart 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro.

XIV-37.019-5/6

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Patricia Desomere, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-37.019-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.325