Court dismisses annulment appeal against firearm regulation changes due to lack of concrete interest and waiver of prior claim.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the annulment appeal filed by a company challenging recent amendments to Belgian firearm regulations. The applicant had previously withdrawn a similar challenge regarding the same rules, and failed to demonstrate a concrete current interest in the annulment of the specific period in question. Consequently, the court ruled that the applicant lacked standing because they had effectively contributed to losing the opportunity for a more favorable outcome.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 19, first paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State; An administrative court ruling cannot be annulled if the applicant has no concrete interest or has been harmed, particularly when the applicant previously waived a claim against the same regulation.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.324 van 9 oktober 2017
in de zaak A. 209.499/XIV-35.843
In zake : de BVBA DB EVENTS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Meindert Gees kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 11 juli 2013, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 8 mei 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt’.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 230.193 van 13 februari 2015 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek.
XIV-35.843-1/10
Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een aanvullend verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Kurt Stas, die loco advocaat Frank Judo verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Michiel Descheemaeker, die loco advocaten Steve Ronse en Meindert Gees verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De feiten zijn als volgt uiteengezet in het tussenarrest nr. 230.193 van 13 februari 2015:
“3.1. Artikel 3, § 2, 2°, van de wapenwet bepaalt dat vuurwapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde (hierna: HFD-wapens) zoals bepaald door de Koning, als vrij verkrijgbare wapens worden beschouwd.
Het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt’ (hierna: koninklijk besluit van 20 september
XIV-35.843-2/10
1991) geeft uitvoering aan deze bepaling.
Het koninklijk besluit van 8 mei 2013 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt’ wijzigt het voormelde koninklijk besluit. Dit is het bestreden besluit. Het treedt in werking op 25 mei 2013.
3.2. Voor de inwerkingtreding van het bestreden besluit was in artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 bepaald dat HFD-wapens die gebruik maken van patronen met rookzwak kruit en waarvan de lijst als bijlage nr. 1 bij het besluit van 20 september 1991 is gevoegd, als vrij verkrijgbare wapens in de zin van artikel 3, § 2, 2°, van de wapenwet worden beschouwd. Voorts werden volgens artikel 1, 5°, van koninklijk besluit van 20 september 1991 wapens die zijn vervaardigd voor 1897 of waarvoor geen aangepaste munitie meer wordt vervaardigd eveneens als vrij verkrijgbare wapens beschouwd.
3.3. Ingevolge de artikelen 1 en 2 van het bestreden besluit worden de volgende wapens die voordien vrij verkrijgbaar waren, vergunningsplichtig :
- de HFD-wapens die gebruik maken van patronen met rookzwak kruit en waarvan de lijst als bijlage nr. 1 bij het koninklijk besluit van 20 september 1991
was gevoegd; deze lijst wordt door het bestreden besluit opgeheven;
- de vuurwapens waarvoor geen aangepaste munitie meer wordt vervaardigd;
enkel de vuurwapens die zijn vervaardigd voor 1895 zijn overeenkomstig het bestreden besluit nog vrij verkrijgbaar.
3.4. Artikel 3 van het bestreden besluit bevat overgangsmaatregelen voor particulieren en handelaars die bij de inwerkingtreding van het bestreden besluit in het bezit zijn van wapens die niet langer vrij verkrijgbaar zijn.
Deze personen moeten hun wapenbezit als volgt regulariseren:
‘Art. 3. § 1. De aanvraag van een erkenning als verzamelaar of van een bijzondere erkenning op basis van het voorhanden hebben van vijf of meer wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn, wordt gelijkgesteld met de inschrijving van die wapens zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wapenwet. De betrokkene mag de wapens voorlopig voorhanden houden in afwachting van de beslissing van de gouverneur. Wordt de erkenning geweigerd, dan moet de betrokkene de wapens binnen acht dagen na de kennisgeving van deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend of vergund persoon, ze laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of ze afstaan voor vernietiging.
Erkende personen moeten de wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn binnen vijftien dagen na de inwerkingtreding van dit besluit inschrijven in hun registers. Erkende verzamelaars hoeven zich hierbij niet te houden aan de beperkingen opgelegd door het thema van hun verzameling.
§ 2. De registratie van de wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wapenwet, verloopt in afwijking van artikel 12, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de Wapenwet, gewijzigd door het koninklijk besluit van 29 december 2006, als volgt:
1° het wapen wordt binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voorgelegd aan de lokale politie;
2° de lokale politie gaat na of de houder meerderjarig is en geen veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4, van de Wapenwet. Is dit het geval, dan wordt het wapen op zijn naam geregistreerd en wordt hem een formulier model nr. 6 afgegeven, en een vergunningsaanvraag wordt doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur. De betrokkene mag het wapen voorhanden hebben in afwachting van
XIV-35.843-3/10
de beslissing;
3° de gouverneur gaat alleen nog na of de betrokkene niet het voorwerp is van een lopende schorsing of een nog actuele intrekking van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en of er geen redenen van openbare orde bestaan die daartoe zouden leiden. Wordt de registratie geweigerd, dan moet de betrokkene het wapen binnen acht dagen na de kennisgeving van deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend of vergund persoon, het laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of het afstaan voor vernietiging.
§ 3. De wettige reden bedoeld in artikel 11, § 3, 9°, e), van de Wapenwet wordt voor de in dit besluit bedoelde wapens bewezen aan de hand van het in § 2 bedoelde formulier model nr. 6.
3.5. Artikel 4 van het bestreden besluit bepaalt voorts dat, met uitzondering van de veiligheidsmaatregelen bedoeld in artikel 11, § 2, de veiligheidsvoorwaarden opgelegd door het koninklijk besluit van 24 april 1997 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie niet van toepassing zijn op de wapens die als gevolg van de toepassing van dit besluit niet langer vrij verkrijgbaar zijn.’”
3.2. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 juli 2015 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt’ (hierna: koninklijk besluit van 15 juli 2015), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2015, heft het thans bestreden besluit op.
Het koninklijk besluit van 15 juli 2015 heft voorts artikel 1, 3°
op van het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt’ (artikel 1), alsook de bijlage nr. 1 bij het voornoemde koninklijk besluit van 20 september 1991 (artikel 2).
De verzoekende partij vordert bij afzonderlijk verzoekschrift de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 15 juli 2015. Bij arrest nr. 236.060
van 11 oktober 2016 stelt de Raad van State de afstand van het geding vast.
XIV-35.843-4/10
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Uiteenzetting van de exceptie
4. Voorafgaand aan de terechtzitting meldt de verwerende partij bij fax van 7 augustus 2015 dat volgens haar de procedure “zonder voorwerp” is geworden gelet op de opheffing van het bestreden besluit. Ter terechtzitting herneemt zij dat standpunt, eraan toevoegend dat het gehele bestreden besluit is opgeheven. Inzake het belang betwist zij ter terechtzitting dat de vernietiging nog enig nuttig effect heeft.
De verzoekende partij betwist voorafgaand aan de terechtzitting in een brief van 7 augustus 2015 dat haar beroep zonder voorwerp is geworden. Het bestreden besluit heeft twee jaar volledige uitwerking gehad “en dient alleen al ter wille van de rechtszekerheid retroactief uit het rechtsverkeer verwijderd te worden”. Voorts noteert zij dat het koninklijk besluit van 15 juli 2015 het bestreden besluit niet intrekt maar opheft.
5. Bij het in gereedheid brengen van de zaak nodigde de Raad van State de partijen voorafgaand aan de terechtzitting uit om zich ter terechtzitting uit te spreken over de mogelijke weerslag van het voormelde arrest nr. 236.060 van 11 oktober 2016 op de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep, inzonderheid wat de vereiste betreft van het (actueel) belang in hoofde van de verzoekende partij en over de mogelijke weerslag van de opheffing van het bestreden besluit door artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 juli 2015, op de ontvankelijkheid van het beroep. Deze vragen werden geformuleerd in fine van de beschikking van 7 december 2016 tot vaststelling van de datum van de openbare terechtzitting, ontvangen door de verzoekende partij op 20 december 2016.
6. Ter terechtzitting stelt de verzoekende partij geen weet te hebben van de voormelde beschikking. Voorts betoogt ze, samengevat, wat het voorwerp betreft, dat het bestreden besluit uitwerking heeft gehad en dat zij nog
XIV-35.843-5/10
belang heeft bij het beroep daar het bestreden besluit twee jaar uitwerking heeft gehad en dat zulks niet kan worden uitgeveegd.
Beoordeling
7. De kritiek van de verzoekende partij dat zij geen weet heeft van de door de Raad van State in de beschikking van 7 december 2016 gestelde vragen, faalt in de feiten, aangezien zij die beschikking heeft ontvangen en ook op grond ervan ter terechtzitting aanwezig is.
8. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.
Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.
Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem een concreet voordeel oplevert.
Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH
30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
XIV-35.843-6/10
Een partij heeft in beginsel geen actueel belang meer om de nietigverklaring te vorderen van een besluit dat in de loop van het geding werd opgeheven en vervangen door een ander besluit, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij een actueel belang bij het beroep heeft behouden. In deze gewijzigde context staat het derhalve aan de verzoekende partij om nader toe te lichten waarin haar actueel belang bij het annulatieberoep nog bestaat.
9. Ter adstructie van haar actueel belang, voert de verzoekende partij aan dat het bestreden besluit toepassing heeft gekend in het verleden tot de opheffing ervan.
Zoals de Raad van State reeds in het tussenarrest nr. 230.193 van 13 februari 2015, punten 6 en 7 oordeelde, blijkt uit de omschrijving van het belang in het verzoekschrift, dat de verzoekende partij, als organisator van de wapenbeurs te Oostende, haar belang afleidt uit het feit dat het bestreden besluit de HFD-wapens vergunningsplichtig heeft gemaakt waardoor die niet langer vrij kunnen worden verhandeld op de wapenbeurs. De afschaffing van de HFD-lijst geeft volgens haar aanleiding tot een daling van het aantal HFD-handelaars en bezoekers op de wapenbeurs en tot een daling van haar omzet. Zoals uit de feitenanalyse blijkt, is te dezen het vergunningsplichtig worden van de voordien vrij verkrijgbare HFD-wapens het gevolg van de inwerkingtreding van de artikelen 1 en 2 van het bestreden besluit.
Te dezen blijkt evenwel dat het koninklijk besluit van 15 juli 2015 het bestreden besluit enerzijds formeel opheft, maar anderzijds opnieuw artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 20 september 1991 opheft, evenals de bijlage nr. 1 bij dat laatstgenoemde besluit. Aldus blijven de HFD-wapens die ingevolge de artikelen 1 en 2 van het bestreden besluit vergunningsplichtig zijn geworden, ook nog na de opheffing van het bestreden besluit vergunningsplichtig.
Het koninklijk besluit van 15 juli 2015 herneemt evenwel niet artikel 1, 2° van het bestreden besluit dat artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van
XIV-35.843-7/10
20 september 1991 wijzigt. Aangezien de opheffing van een wijzigende bepaling niet tot gevolg heeft dat hierdoor de gewijzigde regeling in haar oorspronkelijke tekst in werking treedt indien, zoals te dezen, de voormelde wijzigingsbepaling uit het bestreden besluit in werking is getreden voor de opheffing ervan, blijft aldus artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 september 1991 gelden in de tekst zoals die is gewijzigd door het bestreden besluit.
Wat het vergunningsplichtig worden betreft van de HFD-wapens ingevolge de inwerkingtreding van de artikelen 1 en 2 van het bestreden besluit, blijkt uit de feitenanalyse (supra, punt 3.2.), dat de verzoekende partij afstand deed van haar beroep tegen het koninklijk besluit van 15 juli 2015
dat, zoals blijkt uit wat voorafgaat, vanaf 10 augustus 2015 weliswaar het thans bestreden besluit opheft, maar eenzelfde wijziging invoegt in het koninklijk besluit van 20 september 1991. Los van de vraag of uit die afstand tegen eenzelfde regeling niet moet blijken dat de verzoekende partij niet langer getuigt van een voortdurende belangstelling bij het voorliggende beroep, maakt zij in de voorliggende omstandigheden in elk geval niet op concrete wijze duidelijk welk rechtstreeks voordeel zij, in het licht van het alsnog vergunningsplichtig blijven van die HFD-wapens, zou putten uit de nietigverklaring van het bestreden besluit in zoverre die de periode eindigend op 10 augustus 2015 zou betreffen. De enkele vaststelling dat het bestreden besluit toepassing heeft gekend - en haar derhalve mogelijks een nadeel heeft veroorzaakt - volstaat in deze omstandigheden niet om te besluiten tot een belang verbonden met de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling, te meer dat de verzoekende partij door haar afstand van het voormelde beroep, in wezen zelf heeft bijgedragen tot het verliezen van de kans dat opnieuw, bij een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit, haar situatie in een gunstigere zin wordt geregeld, inzonderheid door het creëren van de kans op het opnieuw vrij verkrijgbaar worden van de HFD-wapens.
Wat de wijziging betreft door het bestreden besluit van artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 september 1991, heeft de verzoekende partij, die overigens luidens het verzoekschrift in essentie haar belang ziet in het
XIV-35.843-8/10
vergunningsplichtig worden van HFD-wapens, geen concrete elementen aangevoerd die zouden doen besluiten dat zij op grond van die bepaling, alsnog een actueel belang geniet.
10. Wat tot slot het argument betreft dat alleen al ter wille van de rechtszekerheid het bestreden besluit retroactief uit het rechtsverkeer dient te worden verwijderd, bemerkt de Raad van State dat hij pas vermag een besluit “retroactief” uit het rechtsverkeer te verwijderen - zijnde nietig verklaren - indien de verzoekende partij overeenkomstig , artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State getuigt van een belang of benadeling, hetgeen te dezen niet is vastgesteld.
11. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 350 euro.
XIV-35.843-9/10
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-35.843-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.324