Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.323 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.323 Généré par l'IA

Belgian disciplinary suspension appeal dismissed; impartiality principle not violated by police college's handling of misconduct case.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.323
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed Peter Duwijn's appeal against a disciplinary suspension order issued by the Zottegem-Herzele police college. The applicant argued that the police college lacked impartiality due to a colleague receiving milder treatment for similar facts, but the court rejected this claim. The court held that subjective impartiality cannot be presumed and requires concrete evidence, which the applicant failed to provide, thus upholding the administrative decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Criminal Procedure; The principle of impartiality in administrative proceedings requires concrete evidence of bias and cannot be presumed based on comparative treatment of similar cases.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary suspension impartiality principle subjective bias administrative appeal police misconduct burden of proof open public order suspension de l'instruction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Criminal Procedure
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.323 van 9 oktober 2017

in de zaak A. 215.413/XIV-36.333

In zake : Peter DUWIJN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Bracke kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 373

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de POLITIEZONE 5429

ZOTTEGEM-HERZELE-SINT-LIEVENS-HOUTEM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 26 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 28 januari 2015 van het politiecollege van de Politiezone Zottegem-Herzele-Sint-Lievens-Houtem waarbij verzoeker bij ordemaatregel voorlopig wordt geschorst van 2 februari 2015 tot en met 1 juni 2015.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

XIV-36.333-1/25

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laurence Pauwels die, loco advocaat Yves Bracke verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker was inspecteur van politie bij de politiezone Zottegem-Herzele-Sint-Lievens-Houtem (PZ 5429).

3.2. Op 1 juni 2011 beslist het politiecollege verzoeker met ingang van 2 juni 2011 bij ordemaatregel voorlopig te schorsen voor de duur van vier maanden met inhouding van wedde ten belope van 20 percent van de bruto-wedde.

Het politiecollege acht een voorlopige schorsing noodzakelijk om de goede werking en het belang van de dienst te vrijwaren gelet op het lopende opsporingsonderzoek inzake schending van het beroepsgeheim lastens verzoeker.

XIV-36.333-2/25

Deze voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel wordt vervolgens telkens voor vier maanden verlengd, tijdens de duur van het opsporingsonderzoek en de strafvervolging, bij beslissingen van het politiecollege van 27 september 2011, 23 januari 2012, 25 mei 2012, 21 september 2012, 25 januari 2013, 3 mei 2013, 23 september 2013, 19 december 2013 en 14 april 2014. Deze beslissingen worden door verzoeker niet betwist.

3.3. Op 23 april 2014 verklaart het hof van beroep te Gent de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B, C en D niet bewezen en gelast, wat de bewezen gebleven feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A, E en F betreft, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar vanaf uitspraak.

De raadsman van de verwerende partij ontvangt op 28 mei 2014

een kopie van het strafdossier.

3.4. Op 29 september 2014 keurt het politiecollege het inleidend verslag goed waarin wordt voorgesteld aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.

3.5. Eveneens op 29 september 2014 beslist het politiecollege, na verzoeker te hebben gehoord, hem bij ordemaatregel voorlopig te schorsen van 2 oktober 2014 tot en met 1 februari 2015, met inhouding van 20 percent van de bruto-wedde.

Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder het nummer G/A 214.341/XIV-36.096.

3.6. Op 28 januari 2015 beslist het politiecollege, na verzoeker te hebben gehoord, hem bij ordemaatregel voorlopig te schorsen van 2 februari 2015

tot en met 1 juni 2015, met inhouding van 20 percent van de bruto-wedde.

XIV-36.333-3/25

Dit is de bestreden beslissing. Onder punt “4. Motivering van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing” is vermeld:

“Voorwaarden voor het opleggen van een voorlopige schorsing Op grond van artikel 59, eerste lid, Tuchtwet is het politiecollege de bevoegde overheid om aan een personeelslid van de lokale politie zo ook de korpschef, een voorlopige schorsing op te leggen mits is voldaan aan een dubbele voorwaarde:

- ten aanzien van het betrokken personeelslid loopt een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek of is een strafvervolging ingesteld en;

- de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Het politiecollege oefent hierbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid uit.

Tuchtprocedure U maakt het voorwerp uit van een tuchtprocedure naar aanleiding van de feiten die hebben geleid tot de strafvervolging en de definitieve strafrechtelijke uitspraak van het Hof van Beroep te Gent van 23-04-2014.

Het inleidend tuchtverslag van 29 september 2014 is betekend op 30 september 2014. Op 06 november 2014 heeft de hogere tuchtoverheid na kennisname van het schriftelijk en mondeling verweer beslist tot een voorstel van zware tuchtstraf, meer bepaald het ontslag van ambtswege. U heeft daarop een verzoek tot heroverweging ingediend bij de tuchtraad. De tuchtraad heeft een eerste zitting gehouden op 13 januari 2015. De procedure voor de tuchtraad duurt wellicht tot minstens half maart 2015 (tweede hoorzitting met deskundigenverslag op 10 februari 2015 en vervolgens advies binnen termijn van 30 dagen). Na kennisname van het advies van de tuchtraad moet de hogere tuchtoverheid beslissen over de definitieve afhandeling van de tuchtprocedure.

De eerste voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, is voldaan.

Onverenigbaarheid van de aanwezigheid met het belang van de dienst Uit de COL 4/2003 van 20 mei 2003 van het College van procureurs-generaal blijkt dat de schending van het beroepsgeheim als voldoende ernstig wordt beschouwd om een voorlopige schorsing te rechtvaardigen. In die zin heeft de heer Procureur des Konings in zijn brief van 17-05-2011 verzocht om een ordemaatregel te nemen, zijnde de voorlopige schorsing.

De brief van de heer Procureur des Konings van 17-05-2011 heeft aanleiding gegeven tot een voorlopige schorsing sinds 02-06-2012.

Op 23-04-2014 heeft het Hof van Beroep te Gent het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Oudenaarde hervormd en de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B, C en D niet bewezen verklaard. Voor wat betreft de feiten, voorwerp van de tenlastleggingen A, E en F is de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar uitgesproken.

Het politiecollege is ertoe gehouden om elke verstoring van het belang en de goede werking van de veiligheidsdienst te remediëren.

De omstandigheden zijn aldus van aard om uw aanwezigheid als onverenigbaar met het belang van de dienst te kwalificeren. Dit geldt des te meer wanneer rekening wordt gehouden met de aard en ernst van de tenlasteleggingen welke slechts gedeeltelijk zijn betwist en uiteindelijk als bewezen zijn weerhouden in het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23-04-2014.

Het is een absolute noodzaak om u, naast de toegang tot de politionele databanken ook alle toegang tot andere politionele informatiebronnen (wachtverslag, dienstplanning, formele en informele contacten, ....) te ontzeggen.

XIV-36.333-4/25

Binnen het korps zijn er geen andere mogelijkheden om u elke toegang tot politionele informatie te ontnemen.

Het is noodzakelijk dat de tuchtprocedure in een serene sfeer kan worden afgehandeld. Zoals eerder is aangegeven is de tuchtprocedure thans in behandeling voor de tuchtraad welke een eerste zitting heeft gehouden op 13 januari 2015. De procedure voor de tuchtraad duurt wellicht tot minstens half maart 2015 (tweede hoorzitting met deskundigenverslag op 10 februari 2015 en vervolgens advies binnen termijn van 30 dagen). Na kennisname van het advies van de tuchtraad moet de hogere tuchtoverheid beslissen over de definitieve afhandeling van de tuchtprocedure. De aanwezigheid op de dienst verdraagt zich niet met het voorstel van zware tuchtstraf, meer bepaald de tuchtstraf van ontslag van ambtswege.

U heeft ter gelegenheid van de opeenvolgende verlengingen van de voorlopige schorsing geen (wezenlijk) bezwaar gemaakt tegen de herhaalde aangevoerde argumenten, tenzij laatst met betrekking tot de duurtijd van de voorlopige schorsing nadat de definitieve strafrechtelijke veroordeling is tussengekomen en de daaropvolgende mogelijkheid om een preventieve schorsing op te leggen op grond van de lopende procedure.

Uit de vaststaande rechtspraak van de Raad van State blijkt evenwel vooreerst ontegensprekelijk dat elke beslissing over een voorlopige schorsing (vanuit haar aard) een op zichzelf staande beslissing is waarvan de regelmatigheid niet wordt aangetast door de beweerde onregelmatigheid van een daaraan voorafgaande beslissing tot voorlopige schorsing. Het enkele gegeven dat in de bestreden beslissing sprake is van een verlenging van een eerder opgelegde en reeds herhaaldelijk verlengde voorlopige schorsing doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het gegeven dat het om een verlenging gaat, betreft enkel een bevestiging van de feitelijke situatie van voorlopige schorsing waarin u zich bevindt.

U kan evenmin worden gevolgd in de stelling dat alle beslissingen met betrekking tot de voorlopige schorsing welke dateren van meer dan vier maanden na (het definitief worden van) de gerechtelijke eindbeslissing van 23 april 2014, meer bepaald 07 september 2014, niet rechtsgeldig zijn wegens strijdigheid met artikel 61, derde lid, Tuchtwet. De hogere tuchtoverheid ziet […] niet [in] om welke reden geen voorlopige schorsing zou kunnen worden opgelegd op grond van een lopende tuchtprocedure - al dan niet onder de bewoording van een verlenging -

nadat eerder een voorlopige schorsing is opgelegd op grond van een lopend opsporingsonderzoek / ingestelde strafvordering en de tuchtoverheid heeft gewacht op het in kracht van gewijsde treden van de gerechtelijke eindbeslissing. Er is geen enkele bepaling die zulks in de weg staat. Het tegendeel zou ook verbazen. In het andere geval wordt de tuchtoverheid voor de onmogelijke situatie geplaatst dat een tuchtprocedure binnen de vier maanden na de gerechtelijke eindbeslissing geheel moet zijn afgehandeld. Een dergelijke stelling is onverenigbaar met de verjaringstermijn van zes maanden in artikel 56, Tuchtwet en de tijd die de verschillende etappes van de tuchtprocedure in beslag nemen vooraleer tot een definitieve tuchtbeslissing kan worden gekomen. Het kan nooit de bedoeling zijn geweest van de wetgever dat een personeelslid tijdens de gehele duur van een strafprocedure voorlopig kan worden geschorst vanwege zijn onverenigbaarheid met het belang van de dienst, maar dat tijdens de daaropvolgende tuchtprocedure er geen (afdoende) mogelijkheid zou zijn om het belang van de dienst te vrijwaren.

Meer nog, de tuchtoverheid zou dan worden geconfronteerd met de situatie dat haar voornemen om de samenwerking definitief te verbreken wordt doorkruist doordat het betrokken personeelslid in afwachting van de definitieve tuchtbeslissing aanwezig zou mogen of zelfs moeten zijn op de dienst.

De tweede voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, is voldaan.

XIV-36.333-5/25

De cumulatieve voorwaarden om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, zijn voldaan.”

Onder punt “7. Beslissing” is vermeld:

“Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3 en 59 tot 65;

Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4;

Overwegende dat de motivering van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing thans integraal wordt hernomen; dat het gevoerde mondeling en schriftelijk verweer op geen enkele wijze afbreuk doet aan de verantwoording van de verlenging van de voorlopige schorsing;

Overwegende dat u bezwaarlijk aanstoot kan nemen aan een correcte feitelijke uiteenzetting waaruit onder meer blijkt dat u in graad van beroep bent vrijgesproken voor de eerder aangegeven tenlasteleggingen; dat daar voor zover als nodig aan kan worden toegevoegd dat de voorliggende documenten en beslissingen worden opgemaakt in het kader van een lopende tuchtprocedure en aldus discreet worden behandeld en niet bestemd zijn voor derden;

Overwegende dat voor het overige kritiek op de vorige beslissing tot (verlenging van de) voorlopige schorsing niet dienstig kan worden betrokken op de voorliggende beslissing; dat de betwisting daaromtrent zal worden beslecht in de lopende procedure bij de Raad van State; dat een voorlopige schorsing kan worden opgelegd van zodra een tuchtprocedure loopt ten aanzien van het personeelslid; dat niet wordt betwist dat in elk geval een tuchtprocedure loopt sinds de betekening van het inleidend verslag en het gegeven dat deze tuchtprocedure zich thans in het stadium voor de tuchtraad bevindt;

Overwegende dat het enkele gegeven dat u niet akkoord kan gaan met het vervuld zijn van de tweede cumulatieve voorwaarde om tot een voorlopige schorsing te kunnen overgaan, namelijk de onverenigbaarheid van uw aanwezigheid met het belang van de dienst, geen weerlegging vormt van de verantwoording die reeds in het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing is weergegeven; dat u terecht verwijst naar de discretionaire beoordelingsvrijheid ter zake van het politiecollege; dat de kennelijke onredelijkheid van de verantwoording niet wordt aangetoond; dat het Hof van Beroep te Gent er desgevallend een andere afweging op zou nahouden is niet van aard om afbreuk te doen aan de eigen beoordelingsbevoegdheid van het politiecollege; dat het geenszins onredelijk, wel integendeel consequent is om u in afwachting van het resultaat van de tuchtprocedure niet aanwezig te laten zijn op de dienst; dat een serene afhandeling van de tuchtprocedure slechts mogelijk is in afwezigheid van de betrokkene op de dienst;

Overwegende dat er bij het politiecollege geen tegenindicaties met betrekking tot de financiële toestand van het personeelslid bekend zijn die de voorgenomen inhouding van wedde in de weg zouden staan; dat daaromtrent geen verweer is gevoerd.”

3.7. Op 22 april 2015 wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege opgelegd. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing werd verworpen bij arrest nr. é.356 van

XIV-36.333-6/25

23 december 2015. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder het nummer G/A 216.049/XIV-36.475.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker beroept zich in een eerste middel op de schending van artikel 61, derde lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Verzoeker voert aan dat deze bepaling de mogelijkheid tot voorlopige schorsing voorziet tot vier maanden na de gerechtelijke eindbeslissing. Aangezien het hof van beroep te Gent haar arrest heeft geveld op 23 april 2014, kon, zelfs met inachtneming van de mogelijkheid tot cassatieberoep, volgens verzoeker geen voorlopige schorsing meer worden opgelegd na 7 september 2014, zodat de bestreden beslissing van 29 september 2014 strijdig is met artikel 61, derde lid, van de tuchtwet. Verzoeker licht toe dat uit verschillende bewoordingen in het motiverend gedeelte van de bestreden beslissing zeer duidelijk blijkt dat het een verlenging van de initiële schorsing betreft en geen zelfstandige maatregel ingevolge het lopende tuchtonderzoek. Voorts betoogt verzoeker dat uit de arresten aangehaald door de verwerende partij niet kan worden afgeleid dat een beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing geen verlenging van een initiële schorsing maar een afzonderlijke maatregel zou zijn en dat de onregelmatigheid van een voorafgaande beslissing niet relevant zou zijn. Verder stelt verzoeker dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat de toepassing van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet in strijd zou zijn met artikel 56 van de tuchtwet: het feit dat de tuchtprocedure een verjaringstermijn bevat van zes maanden, doet geen afbreuk aan het feit dat het betrokken personeelslid vanaf het verstrijken van de termijn voorzien in artikel 61, derde lid, niet meer voorlopig kan worden geschorst.

XIV-36.333-7/25

Ondergeschikt, in de hypothese dat de beslissing tot voorlopige schorsing een afzonderlijke maatregel zou zijn ingevolge een lopend tucht-

onderzoek, voert verzoeker een schending van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet aan, dat bepaalt dat een personeelslid van de lokale politie slechts voorlopig kan worden geschorst bij ordemaatregel indien er reeds een tuchtprocedure loopt tegen hem. Een beslissing tot het opleggen van een voorlopige schorsing kan dus niet worden genomen vóór het opstarten van een tuchtprocedure, wat te dezen het geval is. De beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker werd genomen op 29 september 2014, terwijl het inleidend verslag tot opstarten van de tuchtprocedure tevens dateert van 29 september 2014, waarvan verzoeker kennis heeft genomen op 3 oktober 2014.

Volgens verzoeker was er dus nog geen tuchtprocedure voorhanden op het ogenblik van de beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing, zoals de tuchtverdediger van verzoeker overigens heeft aangevoerd op de hoorzitting van 29 september 2014, en herhaald op de hoorzitting van 19 januari 2015. Aangezien de beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing van 29 september 2014 is genomen in strijd met artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet, is ook de thans bestreden beslissing tot verlenging van de vorige beslissing niet geldig.

In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat het middel onontvankelijk zou zijn omdat deze kritiek op geen enkele wijze werd geuit tijdens de administratieve procedure.

Hij verwijst naar zijn verweerschrift van 18 januari 2015, zoals toegelicht op de hoorzitting van 19 januari 2015, en naar zijn verzoekschrift tot nietigverklaring van de beslissing tot voorlopige schorsing van verzoeker van 29 september 2014, bij de Raad van State bekend onder het nummer G/A 214.341/XIV-36.096.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat het feit dat in de bestreden beslissing sprake is van een verlenging van de schorsing (zoals opgelegd in het kader van de strafrechtelijke procedure) impliceert dat er een schending is van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet. Voorts dient volgens verzoeker te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing, in geval zij als een afzonderlijke

XIV-36.333-8/25

beslissing ingevolge het opgestarte tuchtonderzoek wordt beschouwd, een schending inhoudt van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet, aangezien zij een verlenging inhoudt van de oorspronkelijke schorsingsperiode en de beslissing van 29 september 2014 geenszins rechtsgeldig kon worden genomen.

Beoordeling

Exceptie inzake het belang bij het middel

5. Uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat verzoeker in de administratieve procedure wel degelijk een verweer inzake de toepassing van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet heeft gevoerd, zodat de ter zake aangevoerde exceptie feitelijke grondslag mist.

De gegrondheid van het middel

6. Artikel 61 van de tuchtwet luidt:

“Art. 61. De voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden.

De voorlopige schorsing mag worden verlengd door, naar gelang van het geval, de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege zonder dat haar duur een jaar mag overschrijden.

Wanneer echter een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, dan mag de schorsing tijdens de duur van de strafprocedure door de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege worden verlengd zonder dat zij de vier maanden mag overschrijden nadat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of nadat het dossier werd geseponeerd dan wel de strafvordering vervallen is.

[...].”

Uit de bewoordingen van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet kan worden opgemaakt dat de maximale termijn van vier maanden voor de verlenging van een voorlopige schorsing waaraan verzoeker refereert, enkel betrekking heeft op de hypothese dat de voorlopige schorsing wordt verlengd “wanneer [...] een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren”. In de

XIV-36.333-9/25

hypothese van een voorlopige schorsing van een personeelslid tegen wie een tuchtvordering is ingesteld, zoals in dit geval, is deze maximale termijn niet van toepassing. Er anders over oordelen zou inhouden dat overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van dezelfde wet een tuchtvordering kan worden ingesteld middels een inleidend verslag tot zes maanden nadat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, terwijl reeds vier maanden na die gerechtelijke eindbeslissing geen voorlopige schorsing meer zou kunnen worden opgelegd, en terwijl uit artikel 59, eerste lid, kan worden opgemaakt dat de voorlopige schorsing wel degelijk kan worden opgelegd tijdens een lopende tuchtprocedure. Artikel 61, derde lid, moet dan ook zo worden begrepen dat voorlopige schorsingen ook na het verstrijken van de erin vermelde termijn van vier maanden mogelijk zijn in het kader van een tuchtprocedure.

Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt ondubbelzinnig dat het politiecollege verzoeker bij ordemaatregel voorlopig heeft geschorst omdat “[verzoeker] [...] het voorwerp uit[maakt] van een tuchtprocedure”, zodat de omstandigheid dat in de bestreden beslissing en de memorie van antwoord ook sprake is van een (feitelijke) verlenging van de vorige voorlopige schorsingen, geen afbreuk doet aan wat voorafgaat.

7. Wat de in ondergeschikte orde aangevoerde schending van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet betreft, moet het vervuld zijn van de voorwaarden gesteld in deze bepaling voor het opleggen van een voorlopige schorsing beoordeeld worden op het tijdstip dat die beslissing genomen wordt.

Verzoeker betwist niet dat op datum van de bestreden beslissing tegen hem een tuchtprocedure lopende was, zodat dit middelonderdeel feitelijke grondslag mist.

In zoverre verzoeker een onwettigheid van de vorige beslissing tot voorlopige schorsing van 29 september 2014 aanvoert, wordt vastgesteld dat de thans bestreden beslissing, ook al betreft het een feitelijke verlenging van de vorige schorsingsperiode, het resultaat is van een op zich staande beoordeling van het

XIV-36.333-10/25

vervuld zijn van de voorwaarden die dienaangaande in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet worden gesteld, dat niet door een eventueel gebrek in de vorige beslissing wordt aangetast.

Het eerste middel is niet gegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

8. In een tweede middel roept verzoeker de schending in van de motiveringsplicht.

In een eerste onderdeel geeft verzoeker een uiteenzetting over de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht, en meent dat de motivering van de bestreden beslissing niet aan de minimale vereisten voldoet omdat de motivering zeer summier is en bestaat uit stijlformules. Wat de motivering in rechte betreft stelt verzoeker dat de bestreden beslissing enkel naar artikel 59 van de tuchtwet verwijst, en niet naar artikel 61 van de tuchtwet terwijl daaruit net blijkt dat de verdere verlenging niet wettig is. Verzoeker besluit dat in de motivering geenszins duidelijk en grondig weergegeven wordt wat de feitelijke grondslag is van een dergelijke zware tuchtstraf (lees: ordemaatregel) en waarom deze noodzakelijk zou zijn.

In een tweede onderdeel verwijst verzoeker naar artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurs-

handelingen, om op grond daarvan te besluiten dat in dit geval de materiëlemotiveringsplicht is geschonden aangezien de voorlopige schorsing zeer summier en niet afdoende gemotiveerd wordt. Een vergelijking met de vorige beslissingen van 14 april 2014 en 29 september 2014 leert immers dat er geen nieuwe argumenten worden aangebracht, en dat er integendeel argumenten weggelaten worden. Wat de onverenigbaarheid van de aanwezigheid van

XIV-36.333-11/25

verzoeker met het belang van de dienst betreft wordt een zeer summiere motivering gegeven die volgens verzoeker niet vrij is van tegenstrijdigheden.

Niettegenstaande het hof van beroep zeer mild geoordeeld heeft, meent verwerende partij zich toch op dit arrest te kunnen steunen om de voorlopige schorsing te verlengen, en verliest zij daarbij uit het oog dat de belangrijkste tenlastelegging, met name het doorspelen van informatie, niet bewezen werd verklaard en dat voor de lichtere bewezen tenlasteleggingen opschorting van straf werd verleend. Volgens verzoeker maakt de verwerende partij dus een denkfout wanneer zij uit dit arrest afleidt dat de op één na strengste tuchtmaatregel (lees:

ordemaatregel) gerechtvaardigd is, en diende zij de ordemaatregel minstens te motiveren op andere gronden.

In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat het middel onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan wettig belang omdat de overwegingen door verzoeker niet zouden zijn betwist tijdens de administratieve procedure. Hij verwijst naar zijn verweerschrift van 18 januari 2015, zoals toegelicht op de hoorzitting van 19 januari 2015, en naar zijn verweerschrift in het kader van de tuchtprocedure.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de bestreden beslissing geenszins afdoende formeel is gemotiveerd, omdat geenszins blijkt op basis van welke specifieke elementen de beslissing is genomen, en zonder rekening te houden met alle relevante feiten zoals het tuchtrechtelijk verleden van verzoeker. Verzoeker kan zich evenmin akkoord verklaren met de materiële-

motivering van de beslissing: aangezien niet wordt ingegaan op het moraliteitsverslag, noch op de maatschappelijke enquête, noch op de andere gunstige elementen in het dossier, is de bestreden beslissing kennelijk onredelijk.

XIV-36.333-12/25

Beoordeling

Exceptie inzake het belang bij het middel

9. De vraag of de bestreden beslissing de formele- en materiëlemotiveringsplicht nakomt, kan enkel beoordeeld worden aan de hand van de bestreden beslissing zelf, zodat de exceptie die ter zake door de verwerende partij wordt aangevoerd, wordt verworpen.

De gegrondheid van het middel

Schending van de formelemotiveringsplicht

10. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.

Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

11. Verzoeker kon als bestemmeling van de bestreden beslissing onmiddellijk kennis nemen van de motieven die de beslissing verantwoorden door de vermelding ervan in de bestreden beslissing zelf. Uit de hiervoor (zie supra, punt 3.6) weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing blijkt op

XIV-36.333-13/25

afdoende wijze waarom, naar het oordeel van de verwerende partij, een voorlopige schorsing van vier maanden werd opgelegd. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht.

In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld dat de voorlopige schorsing wordt opgelegd “teneinde de afhandeling van de tucht-

procedure in alle sereniteit en objectiviteit af te wachten”, zodat er geen twijfel kan over bestaan dat de beslissing is genomen in het kader van een lopende tuchtprocedure en niet (meer) in het kader van een strafprocedure. Verzoekers kritiek dat de toepassing van artikel 61 van de tuchtwet niet (meer) wordt vermeld, faalt naar recht. Voorts wordt gesteld dat de wel weerhouden tenlasteleggingen ernstig zijn en het een absolute noodzaak is verzoeker de toegang tot de politionele databanken en andere informatiebronnen te ontzeggen en zijn aanwezigheid op de dienst zich niet verdraagt met het voorstel van tuchtstraf van ontslag van ambtswege.

Schending van de materiëlemotiveringsplicht

12. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid, die te dezen over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

XIV-36.333-14/25

13. Uit het middel blijkt dat verzoeker meent dat de motivering niet afdoende is vooreerst omdat niet of onvoldoende rekening werd gehouden met het arrest van het hof van beroep en de aldaar bevolen maatschappelijke enquête en moraliteitsverslag, en voorts omdat in vergelijking met “de vorige beslissingen tot verlenging van 14 april 2014 en 29 september 2014” er geen nieuwe argumenten worden aangebracht doch zelfs worden weggelaten.

Het komt aan de bevoegde overheid toe te oordelen of het betrokken personeelslid tegen wie een tuchtprocedure loopt bij ordemaatregel voorlopig dient te worden geschorst. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde bepalingen en binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

Door de bestreden voorlopige schorsing bij ordemaatregel in het kader van de tuchtprocedure op te leggen, ondanks de omstandigheid dat, naar verzoekers standpunt de strafrechter een milde houding zou hebben aangenomen, en onder meer heeft verwezen naar de bevolen maatschappelijke enquête en moraliteitsverslag die voor verzoeker gunstig zouden zijn, is de verwerende partij de grenzen van de redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan.

Wat de kritiek betreft dat in vergelijking met de vorige beslissingen tot voorlopige schorsing geen nieuwe argumenten zijn aangebracht, wordt vastgesteld dat de motivering in ieder geval verschilt waar ze thans verwijst naar de tuchtprocedure (en niet meer, zoals in de beslissing van 14 april 2014, naar de strafvervolging), naar het verweer van verzoeker op grond van het arrest van het hof van beroep en het antwoord van de verwerende partij daarop dat de bewezen tenlasteleggingen ernstig zijn en het politiecollege een eigen beoordelings-

XIV-36.333-15/25

bevoegdheid heeft waaraan de andere afweging van het hof van beroep geen afbreuk kan doen, en naar de omstandigheid dat een serene afhandeling van de tuchtprocedure slechts mogelijk is in afwezigheid van de betrokkene op de dienst.

Zoals gesteld is dit oordeel niet onredelijk en volstaat het op zich om te verantwoorden waarom de verwerende partij geoordeeld heeft dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Het tweede middel is niet gegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Hij betoogt dat hij voor het eerst bij ordemaatregel voor vier maanden voorlopig werd geschorst op 1 juni 2011, beslissing die naderhand elf keren is verlengd, zodat hij momenteel bijna vier jaar geschorst is, met aanzienlijk loonverlies tot gevolg. In die context kan de verdere verlenging van de voorlopige schorsing volgens verzoeker niet langer verantwoord worden omdat hij niet evenredig is met de bewezen verklaarde feiten. De verwerende partij heeft een aantal belangrijke zaken uit het oog verloren, zoals de maatschappelijke enquête en het moraliteitsverslag die in opdracht van het hof van beroep werden uitgevoerd en die voor verzoeker gunstig zijn, in die zin dat zij aan het licht brengen dat verzoeker geen ernstige problemen heeft die zijn tewerkstelling bij de politie zouden verhinderen. De verwerende partij heeft ook geen rekening gehouden met de bevindingen van het hof van beroep in zijn arrest van 23 april 2014, terwijl uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de tuchtoverheid rekening moet houden met de bevindingen in de strafrechtelijke procedure. Ook de Tuchtraad kwam in zijn advies van 3 maart 2015 op grond van een omstandige motivering tot de conclusie dat de feiten niet ernstig genoeg zijn om een onherstelbare vertrouwensbreuk te verantwoorden. Om al die redenen kan volgens verzoeker niet langer worden verantwoord dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang

XIV-36.333-16/25

van de dienst, zodat een twaalfde voorlopige schorsing kennelijk onevenredig is met de bewezen feiten.

In zijn memorie van wederantwoord weerlegt verzoeker de stelling van de verwerende partij als zou hij nooit eerder dit bezwaar hebben laten gelden in de tuchtprocedure.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de maatschappelijke enquête, het moraliteitsverslag en de vele andere verzachtende omstandigheden mee in rekening moeten worden gebracht, en alsdan moet worden vastgesteld dat de twaalfde schorsing van verzoeker niet langer verantwoord is.

Beoordeling

Exceptie inzake het belang bij het middel

15. Uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat verzoeker in de administratieve procedure wel degelijk een verweer inzake de redelijkheid en proportionaliteit van de te nemen beslissing heeft gevoerd, zodat de ter zake aangevoerde exceptie feitelijke grondslag mist.

De gegrondheid van het middel

16. Verzoeker voert in essentie aan dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met een aantal omstandigheden waardoor de voorlopige schorsing bij ordemaatregel niet langer in verhouding zou staan met de tuchtfeiten.

Voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel dienen overeenkomstig artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet twee voorwaarden vervuld zijn. Er moet een tuchtprocedure of een opsporings-

onderzoek lopen of een strafvervolging zijn ingesteld, en de aanwezigheid van het personeelslid bij de lokale politie moet onverenigbaar zijn met het belang van de

XIV-36.333-17/25

dienst. Zoals gesteld bij de bespreking van het tweede middel volstaan de overwegingen in de bestreden beslissing daartoe en is het oordeel van de verwerende partij dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar is met het belang van de dienst niet onredelijk. De omstandigheid dat de verwerende partij op grond van het arrest van het hof van beroep een mildere houding had kunnen aannemen en de bevindingen uit het moraliteitsonderzoek en de maatschappelijke enquête meer had kunnen laten doorwegen, maakt dit oordeel evenmin onredelijk.

Met de bevindingen in het eindadvies van de Tuchtraad kon de verwerende partij geen rekening houden vermits dit advies pas werd verstrekt nadat de bestreden beslissing is genomen.

Aangezien de bestreden beslissing een afzonderlijke en op zich staande beslissing is en aldus moet worden beoordeeld, kunnen de voorgaande voorlopige schorsingen niet worden ingeroepen om thans de schending van de evenredigheid aan te voeren.

Het derde middel is niet gegrond.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

17. Verzoeker voert de schending aan van de redelijke termijn. Hij betoogt dat hij voor het eerst voor vier maanden preventief werd geschorst op 1 juni 2011, terwijl met de hier bestreden beslissing die schorsing voor de twaalfde maal wordt verlengd, zodat het duidelijk is dat de redelijke termijn voor de tuchtoverheid om een beslissing te nemen te dezen reeds lang overschreden is.

Verzoeker verwijst naar het arrest nr. 197.017 van 19 oktober 2009 inzake Van Haandel, waarin de Raad van State duidelijk heeft gesteld dat het bestaan van een strafrechtelijke procedure er de tuchtoverheid niet van ontslaat het zorgvuldigheidsbeginsel te respecteren en binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen in de tuchtprocedure. Verzoeker zet vervolgens uiteen op

XIV-36.333-18/25

welke punten dit principe in de tuchtprocedure niet werd gerespecteerd. De tuchtoverheid kon, wanneer ze op 23 februari 2012 in kennis werd gesteld door het parket dat het dossier was afgerond, reeds een tuchtprocedure opstarten, minstens na het eerste vonnis van 23 november 2012. Pas vijf maanden na het eindarrest wordt de tuchtprocedure opgestart, wat onverenigbaar is met de actieve rol die een tuchtoverheid moet opnemen om de tuchtrechtelijke implicaties van de feiten te onderzoeken. Een elfde verlenging van de voorlopige schorsing kan niet langer gerechtvaardigd kan worden.

In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat het middel onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan wettig belang omdat verzoeker deze kritiek op geen enkele wijze zou hebben geuit tijdens de administratieve procedure. Hij verwijst naar zijn verweerschrift van 31 oktober 2014, toegelicht op de hoorzitting van 6 november 2014, dat verzoeker heeft ingediend nadat het inleidend verslag hem was betekend.

Ten gronde benadrukt verzoeker dat zowel de definitieve tuchtrechtelijke beslissing als de daaraan voorafgaande voorlopige schorsingen van 29 september 2014 en 28 januari 2015 manifest in strijd zijn met het beginsel van de redelijke termijn. De beslissing tot voorlopige schorsing werd tot elf keer toe verlengd, wat duidelijk overdreven is en niet conform de gangbare praktijk.

In zijn laatste memorie betoogt verzoeker, wat de ontvankelijk-

heid van het middel betreft, dat het van geen belang kan zijn of verzoeker deze argumentatie heeft uiteengezet in aanloop van deze specifieke beslissing, dan wel in aanloop van de beslissing ten gronde tot ontslag van ambtswege, aangezien de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing op de hoogte was van deze argumentatie, zodat zij ermee rekening heeft kunnen houden.

Ten gronde betwist verzoeker dat de bestreden beslissing als een afzonderlijke beslissing moet worden beschouwd en de vorige beslissingen niet in

XIV-36.333-19/25

aanmerking kunnen worden genomen om de redelijke termijnvereiste te beoordelen. Volgens verzoeker is het net ten gevolge van de vele voorgaande beslissingen tot verlenging van de voorlopige schorsing dat de redelijke termijnvereiste niet langer rechtvaardigt dat de bestreden beslissing is genomen.

Uit de rechtspraak van de Raad van State kan niet worden afgeleid dat een beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing geen verlenging van een initiële schorsing maar een afzonderlijke maatregel zou zijn en er geen rekening zou kunnen worden gehouden met de voorgaande beslissingen tot verlenging.

Beoordeling

De ontvankelijkheid van het middel

18. Van degene die moet verschijnen voor een bestuursorgaan dat over administratiefrechtelijke problemen, zoals een voorlopige schorsing bij ordemaatregel, een uitspraak moet doen, mag worden verwacht dat hij aan dat orgaan direct zichtbare -direct zichtbaar voor hem of voor een raadsman waar hij een beroep op kan doen- administratiefrechtelijke bezwaren kenbaar maakt, zodoende dat orgaan voor de indruk behoedend dat hij over die bezwaren heenstapt. Wanneer iemand er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthoudt in een administratieve procedure zijn rechten te doen gelden en aldus belet dat het bestuur eventuele gebreken in de procedure rechtzet op het ogenblik dat zij nog geen definitief nadeel hebben berokkend, kan die persoon er zich niet ontvankelijk voor het eerst bij de Raad van State over beklagen dat zijn rechten geschonden zijn.

De zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen kan evenwel slechts uitzonderlijk toegepast worden en de bewijslast berust bij het bestuur.

Te dezen betoogt de verwerende partij dat verzoeker, bijgestaan door een tuchtverdediger van zijn vakorganisatie, tijdens de administratieve

XIV-36.333-20/25

procedure geen enkele wettigheidskritiek heeft geuit tegen de voorgenomen beslissing. De verwerende partij toont evenwel niet aan dat zulks de emanatie is van een bewuste keuze van verzoeker over de wijze waarop hij zich zou verdedigen, met andere woorden dat hij aldus welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid over deze beweerde schending van de redelijke termijnvereiste is heengestapt om zodoende te vermijden dat het bestuur -voor zover mogelijk- het eventuele gebrek in de procedure zou rechtzetten, en om zich dan, als het bestuur zijn beslissing genomen heeft, bij de Raad van State over de miskenning van zijn rechten te gaan beklagen.

Er kan dan ook niet besloten worden dat verzoeker het recht verwerkt heeft om zich voor de Raad van State te beroepen op de miskenning van de redelijke termijnvereiste.

De exceptie wordt verworpen.

19. In zoverre verzoeker ter adstruering van het middel verwijst naar argumentatie die enkel verband houdt met het niet naleven van de redelijke termijn om de definitieve tuchtbeslissing te nemen, is het middel in wezen gericht tegen deze laatste beslissing waartegen de vordering tot nietigverklaring nog hangende is voor de Raad van State, en in die mate niet-ontvankelijk.

De gegrondheid van het middel

20. Waar verzoeker betoogt dat de redelijke termijn is overschreden omdat de beslissing tot voorlopige schorsing tot elf keer toe is verlengd, wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing de tweede voorlopige schorsing bij ordemaatregel in het kader van het tuchtonderzoek betreft. Zij is genomen alvorens de eerste beslissing tot voorlopige schorsing van 29 september 2014, eveneens in het kader van het tuchtonderzoek, was afgelopen en binnen de negen dagen nadat verzoeker was gehoord. Hieruit blijkt dat de verwerende partij niet nodeloos lang heeft getalmd.

XIV-36.333-21/25

De omstandigheid dat door de bestreden beslissing de termijn van de voorlopige schorsingen, genomen in het kader van het opsporingsonderzoek en de strafprocedure, feitelijk worden verlengd, is niet van aard om deze termijnen in aanmerking te nemen om de redelijke termijnvereiste van de thans bestreden beslissing te beoordelen.

Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de redelijke termijn is overschreden.

Het vierde middel is niet gegrond.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

21. Verzoeker voert de schending aan van het onpartijdigheids-

beginsel. Hij betoogt dat hij zich niet van de indruk kan ontdoen dat de verwerende partij werkt met twee maten en gewichten. Hij verwijst daartoe naar de toestand van een collega die zich enkele jaren geleden eveneens schuldig maakte aan ongeoorloofde raadpleging van politionele databanken en de schending van het beroepsgeheim, zijnde dezelfde strafrechtelijke kwalificaties als die bij verzoeker.

Niettemin waren de gevolgen ervan voor deze politieambtenaar compleet verschillend dan die voor verzoeker: deze politieambtenaar onderging nooit één dag schorsing en hij diende enkel een mailbericht te sturen aan alle leden van het korps waarin hij zich verontschuldigde voor deze feiten. De discrepantie tussen beide zaken is enorm en toont nog maar eens aan dat in het dossier van verzoeker elke vorm van redelijkheid ontbreekt.

In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat het middel onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan wettig belang omdat verzoeker deze kritiek op geen enkele wijze zou hebben geuit tijdens de administratieve procedure. Hij verwijst naar zijn verweerschrift

XIV-36.333-22/25

van 31 oktober 2014, toegelicht op de hoorzitting van 6 november 2014, dat verzoeker heeft ingediend nadat het inleidend verslag hem was betekend, en naar zijn nota van 13 januari 2015 voor de Tuchtraad.

Ten gronde repliceert verzoeker dat uit het verweer van de verwerende partij blijkt dat zij maar al te goed weet over welk dossier verzoeker het heeft. Het feit dat deze collega zich op het einde van zijn loopbaan bevond en tevens een gezondheidsproblematiek had, kan volgens verzoeker geen rechtvaardiging zijn van het feit dat hij veel milder werd bestraft.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nog, wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, dat het van geen belang kan zijn of verzoeker deze argumentatie heeft uiteengezet in aanloop van deze specifieke beslissing, dan wel in aanloop van de beslissing ten gronde tot ontslag van ambtswege, aangezien de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing op de hoogte was van deze argumentatie, zodat zij ermee rekening heeft kunnen houden. Bovendien raakt het onpartijdigheids-

beginsel de openbare orde en kunnen beginselen die de openbare orde raken principieel en per definitie in elke stand van het geding worden ingeroepen, en zelfs voor het eerst door de rechter ambtshalve.

Beoordeling

De exceptie inzake de ontvankelijkheid van het middel

22. Zoals reeds bij de beoordeling van eenzelfde exceptie van ontvankelijkheid ten aanzien van het derde middel is gesteld, kan de zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen slechts uitzonderlijk toegepast worden en berust de bewijslast bij het bestuur.

XIV-36.333-23/25

Te dezen betoogt de verwerende partij dat verzoeker, bijgestaan door een tuchtverdediger van zijn vakorganisatie, tijdens de administratieve procedure geen enkele wettigheidskritiek heeft geuit tegen de voorgenomen beslissing, maar ze toont verder niet aan dat verzoeker welbewust of lichtzinnig over deze beweerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel is heengestapt om zodoende te vermijden dat het bestuur -voor zover mogelijk- deze onregelmatigheid zou rechtzetten, en om zich dan, als het bestuur zijn beslissing genomen heeft, bij de Raad van State over de miskenning van zijn rechten te gaan beklagen.

Er kan dan ook niet besloten worden dat verzoeker het recht verwerkt heeft om zich voor de Raad van State te beroepen op de miskenning van het onpartijdigheidsbeginsel.

De exceptie wordt verworpen.

De gegrondheid van het middel

23. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.

Verzoeker beroept zich op de subjectieve partijdigheid van de hogere tuchtoverheid.

Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.

XIV-36.333-24/25

Het enkele gegeven dat een collega voor, naar verzoekers standpunt, gelijkaardige feiten, veel milder zou zijn behandeld door het politiecollege, bewijst op zich niet dat het politiecollege zich in de huidige zaak niet onpartijdig zou hebben opgesteld.

Het vijfde middel is niet gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-

vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.333-25/25

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.323