Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.322 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.322 Généré par l'IA

Court dismisses appeal for inadmissibility due to late raising of impartiality breach as a public order issue.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.322
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal for the invalidation of a police suspension decision. The applicant argued that a colleague received a milder sanction for similar facts, claiming this violated the principle of impartiality. The court found the applicant's failure to raise this specific argument at the first procedural opportunity constituted a breach of loyal conduct, rendering the public order objection inadmissible.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 100 § 1, 1st al. of the Code of Justice; Art. 100 § 2, 1st al. of the Code of Justice: A public order objection must be raised at the first opportunity; failure to do so constitutes a breach of loyal conduct, rendering the objection inadmissible.

Mots-clés

Généré par l'IA
public order objection loyal conduct procedural opportunity principle of impartiality inadmissibility police suspension procedural fairness suspension de l'instruction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 100 § 1, 1st al. of the Code of Justice
Art. 100 § 2, 1st al. of the Code of Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.322 van 9 oktober 2017

in de zaak A. 214.341/XIV-36.096

In zake : Peter DUWIJN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Bracke kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 373

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de POLITIEZONE 5429

ZOTTEGEM-HERZELE-SINT-LIEVENS-HOUTEM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 29 september 2014 van het politiecollege van de Politiezone Zottegem-Herzele-Sint-Lievens-Houtem waarbij verzoeker bij ordemaatregel voorlopig wordt geschorst van 2 oktober 2014 tot en met 1 februari 2015.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

XIV-36.096-1/16

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Laurence Pauwels, die loco advocaat Yves Bracke verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker was inspecteur van politie bij de politiezone Zottegem-Herzele-Sint-Lievens-Houtem (PZ 5429).

3.2. Op 1 juni 2011 beslist het politiecollege verzoeker met ingang van 2 juni 2011 bij ordemaatregel voorlopig te schorsen voor de duur van vier maanden met inhouding van wedde ten belope van 20 percent van de brutowedde.

Het politiecollege acht een voorlopige schorsing noodzakelijk om de goede werking en het belang van de dienst te vrijwaren gelet op het lopende opsporingsonderzoek inzake schending van het beroepsgeheim lastens verzoeker.

XIV-36.096-2/16

Deze voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel wordt vervolgens telkens voor vier maanden verlengd, tijdens de duur van het opsporingsonderzoek en de strafvervolging, bij beslissingen van het politiecollege van 27 september 2011, 23 januari 2012, 25 mei 2012, 21 september 2012, 25 januari 2013, 3 mei 2013, 23 september 2013, 19 december 2013 en 14 april 2014. Deze beslissingen worden door verzoeker niet betwist.

3.3. Op 23 april 2014 verklaart het hof van beroep te Gent de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B, C en D niet bewezen en gelast, wat de bewezen gebleven feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A, E en F betreft, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar vanaf uitspraak.

De raadsman van de verwerende partij ontvangt op 28 mei 2014

een kopie van het strafdossier.

3.4. Op 29 september 2014 keurt het politiecollege het inleidend verslag goed waarin wordt voorgesteld aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.

3.5. Eveneens op 29 september 2014 beslist het politiecollege, na verzoeker te hebben gehoord, hem bij ordemaatregel voorlopig te schorsen van 2 oktober 2014 tot en met 1 februari 2015, met inhouding van 20 percent van de bruto-wedde.

Dit is de bestreden beslissing. Onder punt “4. Motivering van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing” is vermeld:

“[…]

Voorwaarden voor het opleggen van een voorlopige schorsing Op grond van artikel 59, eerste lid, Tuchtwet is het politiecollege de bevoegde overheid om aan een personeelslid van de lokale politie zo ook de korpschef, een voorlopige schorsing op te leggen mits is voldaan aan een dubbele voorwaarde:

- ten aanzien van het betrokken personeelslid loopt een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek of is een strafvervolging ingesteld en;

XIV-36.096-3/16

- de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Het politiecollege oefent hierbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid uit.

Tuchtprocedure U maakt het voorwerp uit van een tuchtonderzoek naar aanleiding van de feiten die hebben geleid tot de strafvervolging en de definitieve strafrechtelijke uitspraak van het Hof van Beroep te Gent van 23-04-2014.

Eerstdaags zal een inleidend verslag worden betekend.

De eerste voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, is voldaan.

Onverenigbaarheid van de aanwezigheid met het belang van de dienst Uit de COL 4/2003 van 20 mei 2003 van het College van procureurs-generaal blijkt dat de schending van het beroepsgeheim als voldoende ernstig wordt beschouwd om een voorlopige schorsing te rechtvaardigen. In die zin heeft de heer Procureur des Konings in zijn brief van 17-05-2011 verzocht om een ordemaatregel te nemen, zijnde de voorlopige schorsing.

De brief van de heer Procureur des Konings van 17-05-2011 heeft aanleiding gegeven tot een voorlopige schorsing sinds 02-06-2012.

Op 23-04-2014 heeft het Hof van Beroep te Gent het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Oudenaarde hervormd en de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B, C en D niet bewezen verklaard. Voor wat betreft de feiten, voorwerp van de tenlastleggingen A, E en F is de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar uitgesproken.

Het politiecollege is ertoe gehouden om elke verstoring van het belang en de goede werking van de veiligheidsdienst te remediëren. De omstandigheden zijn aldus van aard om uw aanwezigheid als onverenigbaar met het belang van de dienst te kwalificeren. Dit geldt des te meer wanneer rekening wordt gehouden met de aard en ernst van de tenlasteleggingen welke slechts gedeeltelijk zijn betwist en uiteindelijk als bewezen zijn weerhouden in het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23-04-2014.

Het is een absolute noodzaak om u, naast de toegang tot de politionele databanken ook alle toegang tot andere politionele informatiebronnen (wachtverslag, dienstplanning, formele en informele contacten, ....) te ontzeggen.

Binnen het korps zijn er geen andere mogelijkheden om u elke toegang tot politionele informatie te ontnemen.

Het is noodzakelijk dat de tuchtprocedure in een serene sfeer kan worden afgehandeld. U heeft ter gelegenheid van de opeenvolgende verlengingen van de voorlopige schorsing geen (wezenlijk) bezwaar gemaakt tegen de herhaalde aangevoerde argumenten.

De tussengekomen definitieve strafrechtelijke uitspraak is niet van aard om thans van standpunt te veranderen. Wel integendeel. Er zijn het politiecollege evenmin andere bijkomende elementen bekend geworden en/of ter kennis gebracht waardoor de voorlopige schorsing niet meer zou verlengd kunnen worden.

De tweede voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, is voldaan.

De cumulatieve voorwaarden om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, zijn voldaan.”

Onder punt “7. Beslissing” is vermeld:

“Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de

XIV-36.096-4/16

artikelen 2, 3 en 59 tot 65;

Gelet op de elementen in rechte en in feite bedoeld in punt 4;

Overwegende dat een voorlopige schorsing kan worden opgelegd van zodra een tuchtonderzoek loopt ten aanzien van het personeelslid;

Overwegende volledigheidshalve dat het inleidend verslag eveneens op het politiecollege is goedgekeurd en ook onmiddellijk wordt betekend aan het personeelslid zodat in elk geval geen twijfel kan bestaan over de mogelijkheid om de voorlopige schorsing op te leggen in het kader van een tuchtprocedure;

Overwegende dat het politiecollege het nodig acht om de voorlopige schorsing op te leggen voor de maximale duur van vier maanden teneinde de afhandeling van de tuchtprocedure in alle sereniteit en objectiviteit af te wachten;

Overwegende dat de overwegingen uit het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 april 2014 die door de verdediging worden aangehaald geen afbreuk doen aan deze noodzaak; dat de tenlasteleggingen welke strafrechtelijk wel zijn weerhouden ernstig zijn en een weerslag hebben op de noodzakelijke vertrouwensband om verder te kunnen blijven samenwerken; dat de strafrechter overigens enkel oordeelt over de strafrechtelijke gevolgen; dat een serene afhandeling van de tuchtprocedure slechts mogelijk is in afwezigheid van de betrokkene op de dienst;

Overwegende dat er bij het politiecollege geen tegenindicaties met betrekking tot de financiële toestand van het personeelslid bekend zijn die de voorgenomen inhouding van wedde in de weg zouden staan;

[...]”.

3.6. Op 28 januari 2015 beslist het politiecollege, na verzoeker te hebben gehoord, hem bij ordemaatregel voorlopig te schorsen van 2 februari 2015

tot en met 1 juni 2015, met inhouding van 20 percent van de bruto-wedde.

Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder het nummer G/A 215.413/XIV-36.333.

3.7. Op 22 april 2015 wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege opgelegd. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing werd verworpen bij arrest nr. é.356 van 23 december 2015. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder het nummer G/A 216.049/XIV-36.475.

XIV-36.096-5/16

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker beroept zich in een eerste middel op de schending van artikel 61, derde lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Verzoeker voert aan dat deze bepaling de mogelijkheid tot voorlopige schorsing voorziet tot vier maanden na de gerechtelijke eindbeslissing. Aangezien het hof van beroep te Gent zijn arrest heeft geveld op 23 april 2014, kon, zelfs met inachtneming van de mogelijkheid tot cassatieberoep, volgens verzoeker geen voorlopige schorsing meer worden opgelegd na 7 september 2014, zodat de bestreden beslissing van 29 september 2014 strijdig is met artikel 61, derde lid, van de tuchtwet. Verzoeker licht toe dat uit het motiverend gedeelte van de bestreden beslissing, waarin staat vermeld “4. Motivering van het voorstel tot verlenging van de voorlopige schorsing”, zeer duidelijk blijkt dat het een verlenging van de initiële schorsing betreft en geen zelfstandige maatregel ingevolge het lopende tuchtonderzoek.

In de memorie van wederantwoord reageert verzoeker op de stelling van de verwerende partij als zou de bestreden beslissing geen verlenging van de voorgaande beslissingen tot voorlopige schorsing betreffen. Verzoeker wijst vooreerst op de motivering van de bestreden beslissing waarin wordt gesteld dat “[...] het politiecollege evenmin andere bijkomende elementen bekend [zijn]

geworden en/of ter kennis gebracht waardoor de voorlopige schorsing niet meer zou verlengd kunnen worden”, en tevens op het feit dat de verwerende partij zelf in haar memorie van antwoord zeer duidelijk stelt dat de betreden beslissing een verlenging inhoudt van de voorlopige schorsing. Voorts betoogt verzoeker dat uit de arresten aangehaald door de verwerende partij niet kan worden afgeleid dat een beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing geen verlenging van een initiële schorsing, maar een afzonderlijke maatregel, zou zijn.

XIV-36.096-6/16

Ondergeschikt, in de hypothese dat de beslissing tot voorlopige schorsing een afzonderlijke maatregel zou zijn ingevolge een lopend tuchtonderzoek, voert verzoeker een schending van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet aan, dat bepaalt dat een personeelslid van de lokale politie slechts voorlopig kan worden geschorst bij ordemaatregel indien er reeds een tuchtprocedure loopt tegen hem. Hier is de beslissing tot het opleggen van een voorlopige schorsing genomen vóór het opstarten van een tuchtprocedure: de beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker werd genomen op 29 september 2014, terwijl het inleidend verslag tot opstarten van de tuchtprocedure tevens dateert van 29 september 2014, waarvan verzoeker kennis heeft genomen op 3 oktober 2014. Volgens verzoeker was er dus nog geen tuchtprocedure voorhanden op het ogenblik van de beslissing tot verlenging van de voorlopige schorsing, zoals de tuchtverdediger van verzoeker overigens heeft aangevoerd op de hoorzitting van 29 september 2014.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat het feit dat in de bestreden beslissing sprake is van een verlenging van de schorsing impliceert dat er een schending is van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet. Voorts stelt verzoeker dat de schending van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet automatisch de toepassing van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet naar boven brengt, en de verwerende partij de strekking van dit middelonderdeel heeft begrepen, zodat het wel degelijk ontvankelijk is.

Beoordeling

5. In zoverre verzoeker eerst in de memorie van wederantwoord een schending van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet ziet in het gegeven dat de tuchtprocedure op de datum van de bestreden beslissing nog niet zou zijn opgestart, toont verzoeker niet aan dat hij dit argument niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel.

XIV-36.096-7/16

6. Artikel 61 van de tuchtwet luidt:

“Art. 61. De voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden.

De voorlopige schorsing mag worden verlengd door, naar gelang van het geval, de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege zonder dat haar duur een jaar mag overschrijden.

Wanneer echter een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren, dan mag de schorsing tijdens de duur van de strafprocedure door de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege worden verlengd zonder dat zij de vier maanden mag overschrijden nadat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of nadat het dossier werd geseponeerd dan wel de strafvordering vervallen is.

[...].”

Uit de bewoordingen van artikel 61, derde lid, van de tuchtwet kan worden opgemaakt dat de maximale termijn van vier maanden voor de verlenging van een voorlopige schorsing waaraan verzoeker refereert, enkel betrekking heeft op de hypothese dat de voorlopige schorsing wordt verlengd “wanneer [...] een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld wegens de feiten die de voorlopige schorsing motiveren”. In de hypothese van een voorlopige schorsing van een personeelslid tegen wie een tuchtvordering is ingesteld, zoals in dit geval, is deze maximale termijn niet van toepassing. Er anders over oordelen zou inhouden dat overeenkomstig artikel 56, tweede lid, van dezelfde wet een tuchtvordering kan worden ingesteld middels een inleidend verslag tot zes maanden nadat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen, terwijl reeds vier maanden na die gerechtelijke eindbeslissing geen voorlopige schorsing meer zou kunnen worden opgelegd, en terwijl uit artikel 59, eerste lid, kan worden opgemaakt dat de voorlopige schorsing wel degelijk kan worden opgelegd tijdens een lopende tuchtprocedure. Artikel 61, derde lid, moet dan ook zo worden begrepen dat voorlopige schorsingen ook na het verstrijken van de erin vermelde termijn van vier maanden mogelijk zijn in het kader van een tuchtprocedure.

XIV-36.096-8/16

Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt ondubbelzinnig dat het politiecollege verzoeker bij ordemaatregel voorlopig heeft geschorst omdat “[verzoeker] [...] het voorwerp uit[maakt] van een tuchtonderzoek”, zodat de omstandigheid dat in de bestreden beslissing en de memorie van antwoord ook sprake is van een (feitelijke) verlenging van de vorige voorlopige schorsingen, geen afbreuk doet aan wat voorafgaat.

7. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

8. In een tweede middel roept verzoeker de schending in van de motiveringsplicht. Volgens verzoeker verwoordt het politiecollege in de bestreden beslissing geenszins om welke reden een verdere schorsing bij ordemaatregel zich opdringt, terwijl de strafrechtelijke veroordeling die intussen tegen verzoeker werd uitgesproken dergelijke maatregel nochtans in een totaal andere context plaatst.

Een vergelijking met de vorige beslissing tot verlenging van 14 april 2014 leert volgens verzoeker dat er geen nieuwe argumenten worden opgeworpen, maar integendeel wel weggelaten. Zo wordt met geen woord meer gerept over de toepassing van artikel 61 van de tuchtwet nu daaruit zou blijken dat de verdere verlenging niet rechtsgeldig is, hetgeen overigens ook werd opgeworpen door de tuchtverdediger van verzoeker op de hoorzitting van 29 september 2014. In de bestreden beslissing wordt op geen enkele manier geantwoord op dit argument zodat de motiveringsplicht is geschonden.

Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord op de exceptie van de verwerende partij als zou het middel niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan duidelijke omschrijving van welke motiveringsplicht hij geschonden

XIV-36.096-9/16

acht, dat een schending voorligt van zowel de formelemotiveringsplicht (eerste onderdeel), als de materiëlemotiveringsplicht (tweede onderdeel).

In een eerste onderdeel geeft verzoeker een uiteenzetting over de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht, en meent dat de motivering van de bestreden beslissing niet aan de minimale vereisten voldoet omdat de motivering zeer summier is en bestaat uit stijlformules. Wat de motivering in rechte betreft wijst verzoeker er op dat de bestreden beslissing enkel naar artikel 59 van de tuchtwet verwijst, en niet naar artikel 61 van de tuchtwet terwijl daaruit net blijkt dat de verdere verlenging niet wettig is. Verzoeker besluit dat in de motivering geenszins duidelijk en grondig weergegeven wordt wat de feitelijke grondslag is van een dergelijke zware tuchtstraf (lees: ordemaatregel) en waarom deze noodzakelijk zou zijn.

In een tweede onderdeel verwijst verzoeker naar artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, om op grond daarvan te besluiten dat in dit geval de materiëlemotiveringsplicht is geschonden aangezien de voorlopige schorsing zeer summier en niet afdoende gemotiveerd wordt. Een vergelijking met de vorige beslissing van 14 april 2014 leert immers dat er geen nieuwe argumenten worden aangebracht, en dat er integendeel argumenten weggelaten worden. Wat de onverenigbaarheid van de aanwezigheid van verzoeker met het belang van de dienst betreft wordt een zeer summiere motivering gegeven die volgens verzoeker niet vrij is van tegenstrijdigheden. Niettegenstaande het hof van beroep zeer mild geoordeeld heeft, meent de verwerende partij zich toch op dit arrest te kunnen steunen om de voorlopige schorsing te verlengen, en verliest zij daarbij uit het oog dat de belangrijkste tenlastelegging, met name het doorspelen van informatie, niet bewezen werd verklaard en dat voor de lichtere bewezen tenlasteleggingen opschorting van straf werd verleend. Volgens verzoeker maakt de verwerende partij dus een denkfout wanneer zij uit dit arrest afleidt dat de op één na strengste tuchtmaatregel (lees: de ordemaatregel) gerechtvaardigd is, en diende zij de ordemaatregel minstens te motiveren op andere gronden. Uit de bevolen

XIV-36.096-10/16

maatschappelijke enquête en moraliteitsverslag blijkt niet dat verzoeker ernstige problemen zou hebben, maar daarmee heeft de verwerende partij geen rekening gehouden.

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de bestreden beslissing geenszins afdoende formeel is gemotiveerd, aangezien enkel gebruik is gemaakt van een stijlformule, zonder concreet aan te geven waarom er een schending zou zijn van de vertrouwensband, en zonder rekening te houden met alle relevante feiten zoals het tuchtrechtelijk verleden van verzoeker. Verzoeker kan zich evenmin akkoord verklaren met de materiëlemotivering van de beslissing:

aangezien niet wordt ingegaan op het moraliteitsverslag, noch op de maatschappelijke enquête, noch op de andere gunstige elementen in het dossier, is de bestreden beslissing kennelijk onredelijk.

Beoordeling

Vooraf

9. Verzoeker omschrijft in het kopje van zijn uiteenzetting in het verzoekschrift het middel als de schending van de “motiveringsplicht”, zonder te verduidelijken of hij de schending van de formele- dan wel de materiëlemotiveringsplicht bedoelt, dan wel beiden. Op grond van de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift en de wijze waarop de verwerende partij dit middel heeft begrepen, wordt aangenomen dat verzoeker zowel de schending van de formelemotiveringsplicht als de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, en wordt het middel vanuit beide oogpunten onderzocht in functie van de argumenten die verzoeker ter zake aanhaalt in het middel.

Schending van de formelemotiveringsplicht

10. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de

XIV-36.096-11/16

administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.

Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

11. Verzoeker kon als bestemmeling van de bestreden beslissing onmiddellijk kennis nemen van de motieven die de beslissing verantwoorden door de vermelding ervan in de bestreden beslissing zelf. Uit de hiervoor (zie supra, punt 3.5) weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing blijkt op afdoende wijze waarom, naar het oordeel van de verwerende partij, een voorlopige schorsing van vier maanden werd opgelegd. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht.

In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld dat de voorlopige schorsing wordt opgelegd “teneinde de afhandeling van de tuchtprocedure in alle sereniteit en objectiviteit af te wachten”, zodat er geen twijfel kan over bestaan dat de beslissing is genomen in het kader van een lopende tuchtprocedure en niet (meer) in het kader van een strafprocedure. Verzoekers kritiek dat de toepassing van artikel 61 van de tuchtwet niet (meer) wordt vermeld, faalt naar recht. Voorts wordt gesteld dat de wel in aanmerking genomen tenlasteleggingen ernstig zijn en een weerslag hebben op de noodzakelijke vertrouwensband om verder te kunnen blijven samenwerken. Het verweer dat verzoeker terzake tijdens de hoorzitting heeft gevoerd, is aldus in de besluitvorming betrokken en beantwoord.

XIV-36.096-12/16

Schending van de materiëlemotiveringsplicht

12. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid, die te dezen over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.

13. Uit het middel blijkt dat verzoeker meent dat de motivering niet afdoende is vooreerst omdat niet of onvoldoende rekening werd gehouden met het arrest van het hof van beroep en de aldaar bevolen maatschappelijke enquête en moraliteitsverslag, en voorts omdat in vergelijking met “de vorige beslissing tot verlenging van 14 april 2014” er geen nieuwe argumenten worden aangebracht doch zelfs worden weggelaten.

Door de bestreden voorlopige schorsing bij ordemaatregel in het kader van de tuchtprocedure op te leggen, ondanks de omstandigheid dat, naar verzoekers standpunt, de strafrechter een milde houding zou hebben aangenomen, en onder meer heeft verwezen naar de bevolen maatschappelijke enquête en moraliteitsverslag die voor verzoeker gunstig zouden zijn, is de verwerende partij de grenzen van de redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan.

Wat de kritiek betreft dat in vergelijking met de vorige beslissing tot voorlopige schorsing geen nieuwe argumenten zijn aangebracht, wordt

XIV-36.096-13/16

vastgesteld dat de motivering in ieder geval verschilt waar ze thans verwijst naar de tuchtprocedure (en niet meer naar de strafvervolging), naar het verweer van verzoeker op grond van het arrest van het hof van beroep en het antwoord van de verwerende partij daarop dat de bewezen tenlasteleggingen ernstig zijn en een weerslag hebben op de noodzakelijke vertrouwensband. Zoals gesteld is dit oordeel niet onredelijk en volstaat het op zich om te verantwoorden waarom de verwerende partij geoordeeld heeft dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar is met het belang van de dienst.

Het tweede middel is niet gegrond.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

14. In het middel, voor het eerst in de memorie van wederantwoord opgeworpen als middel van openbare orde, voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel.

Verzoeker voert aan dat hij zich niet van de indruk kan ontdoen dat de verwerende partij werkt met twee maten en gewichten. Hij verwijst daartoe naar de toestand van een collega die zich enkele jaren geleden eveneens schuldig maakte aan ongeoorloofde raadpleging van politionele databanken en de schending van het beroepsgeheim, zijnde dezelfde strafrechtelijke kwalificaties als die bij verzoeker. Niettemin waren de gevolgen ervan voor deze politieambtenaar compleet verschillend dan die voor verzoeker: deze politieambtenaar onderging nooit één dag schorsing en hij diende enkel een mailbericht te sturen aan alle leden van het korps waarin hij zich verontschuldigde voor deze feiten. De discrepantie tussen beide zaken is enorm en toont nog maar eens aan dat in het dossier van verzoeker elke vorm van redelijkheid ontbreekt.

XIV-36.096-14/16

In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat beginselen die de openbare orde raken principieel en per definitie in elke stand van het geding kunnen worden ingeroepen, en zelfs voor het eerst door de rechter ambtshalve. De rechtspraak die bepaalt dat dit principe geneutraliseerd dient te worden in bepaalde situaties, kan dan ook niet worden nagevolgd.

Beoordeling

15. In tegenstelling tot wat geldt voor de andere middelen moet een middel tot nietigverklaring dat aangebracht wordt als een middel van openbare orde, door de verzoekende partij niet noodzakelijk, op straffe van onontvankelijkheid, worden aangevoerd in het verzoekschrift of zodra zij daartoe de gelegenheid heeft in het kader van de procedure nadat ze er kennis van heeft gekregen of er kennis van moest hebben. De reden daarvoor is dat, mocht het effectief gaan om een middel van openbare orde dat gegrond is, de Raad van State het in voorkomend geval ambtshalve in aanmerking zou moeten nemen.

16. Niettemin kan het in sommige omstandigheden eigen aan een bepaalde zaak gerechtvaardigd zijn dat het middel dat door de verzoekende partij aangebracht wordt als een middel van openbare orde, niet wordt onderzocht wanneer het aanvoeren van dat middel door de verzoekende partij voorkomt een duidelijke schending van de loyale procesvoering te zijn, die een substantiële tekortkoming uitmaakt aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep.

17. Te dezen steunt verzoeker dit middel op de vaststelling dat een collega voor gelijkaardige feiten veel milder zou zijn behandeld door het politiecollege. Ten bewijze daarvan legt hij de mail neer die de bedoelde collega op 25 maart 2013 aan de leden van het korps heeft gestuurd.

Hoewel verzoeker aldus reeds kennis had van dit gegeven bij het indienen van zijn verzoekschrift tot nietigverklaring, heeft hij verzuimd aldaar de

XIV-36.096-15/16

schending van het onpartijdigheidsbeginsel aan te voeren, wat doet blijken van een deloyale procesvoering.

Om deze specifieke reden moet dit middel, dat niet bij de eerst mogelijke procedurele gelegenheid is aangevoerd, maar dat volgens verzoeker van openbare orde is, niettemin als niet-ontvankelijk worden beschouwd.

Het nieuwe middel is niet-ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.096-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.322