Court dismisses suspension request as applicant failed to prove urgent personal harm from plan execution.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of the municipal spatial plan. The applicant argued the plan caused urgent personal inconvenience, but the court found their evidence regarding specific negative consequences to be too vague and hypothetical. Consequently, the court ruled that the applicant did not meet the legal threshold for demonstrating urgency required to halt the plan's implementation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 17, § 1, coord. Wetten op de Raad van State; A suspension of enforcement requires proof of urgent personal harm, which demands concrete facts showing immediate negative consequences, not general assertions or hypothetical future scenarios.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE Xe KAMER
nr. 239.317 van 6 oktober 2017
in de zaak A. 222.738/X-16.970.
In zake : 1. Hugo HARTH
2. Rita VAN CAMP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3320 Hoegaarden Gemeenteplein 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de GEMEENTE EDEGEM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Brusselmans en Peter Engels kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64/201
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 24 juli 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 april 2017 van de gemeenteraad van de gemeente Edegem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Fort 5 – Hof ter Linden’.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.
X-16.970-1/9
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september 2017.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Eerste verzoeker, advocaat Philippe Declercq, die verschijnt voor verzoekers, en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 25 oktober 2016 wordt een plenaire vergadering gehouden omtrent een voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP)
‘Fort 5 – Hof Ter Linden’.
3.2. Het kwestieuze plangebied is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 25 oktober 1979 vastgesteld gewestplan Antwerpen hoofdzakelijk gesitueerd in parkgebied. Daarnaast wordt het noordelijk deel van het plangebied ook beheerst door het bij ministerieel besluit van 26 april 1983 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg (BPA) nr. 5 ‘Fort V’ en het zuidelijk deel ervan door het bij ministerieel besluit van 23 november 1982 goedgekeurde BPA nr. 4 ‘Ter Linden’.
Fort 5 (met alle gebouwen, grachten en omwallingen), de Zomerlindendreef in het Hof Ter Linden, de Beukenweerhaag in het Hof Ter Linden en het kasteel Hof Ter Linden (met bijgebouwen, afsluitmuren met
X-16.970-2/9
afsluithekken en afsluitbalustraden met sfinxen), gelegen binnen het plangebied, zijn beschermde monumenten. Daarnaast is het kasteel Hof Ter Linden samen met de onmiddellijke omgeving (met toegangsdreef) beschermd als stads- en dorpsgezicht.
3.3. Op basis van het screeningsdossier van de verwerende partij en de uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Milieueffectrapportage (de dienst Mer) op 21 november 2016 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”.
3.4. Op 19 december 2016 stelt de gemeenteraad van de gemeente Edegem het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Fort 5 – Hof Ter Linden’ voorlopig vast.
3.5. Van 11 januari 2017 tot en met 12 maart 2017 wordt een openbaar onderzoek over het ontwerp van gemeentelijk RUP georganiseerd, tijdens hetwelk verzoekers een bezwaarschrift indienen.
3.6. De eerste verzoeker heeft een vordering ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, die ertoe strekt om de gemeente Edegem en K.K. te veroordelen tot het herstel van een aantal percelen die gebruikt worden door laatstgenoemde voor de exploitatie van een landbouwbedrijf in het kader van een concessieovereenkomst die in 2014 werd gesloten met, onder andere, de gemeente Edegem, en om die percelen te bestemmen als parkgebied in overeenstemming met het beschermd dorpsgezicht.
In een vonnis van 15 februari 2017 stelt de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen vast dat (1) artikel 14.4.4 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-
gewestplannen en gewestplannen’ de verplichting oplegt om, ofwel, het terrein dat reeds als park bestaat, als zodanig te bewaren, ofwel, het terrein waaraan men de bestemming van park heeft gegeven, zodanig in te richten dat het ook
X-16.970-3/9
inderdaad die functie kan vervullen, en dat (2) de gemeente, die een concessieovereenkomst sluit specifiek er op gericht om percelen bestemd als parkgebied voor de landbouw te bestemmen, de bepalingen van het gewestplan en het toepasselijke BPA schendt en een fout begaat in de zin van artikel 1382
van het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank beveelt K.K. om de percelen kadastraal bekend onder afdeling 1, sectie A, nrs. 203S, 203C en 203R enkel te gebruiken in overeenstemming met het van kracht zijnde bestemmingsplan, en de gemeente Edegem om de vermelde percelen te bestemmen en in te richten in overeenstemming met het van kracht zijnde bestemmingsplan.
3.7. Op 15 maart 2017 brengt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (de Gecoro) een advies uit over het ontwerpplan.
3.8. In zitting van 24 april 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Edegem het gemeentelijk RUP 'Fort 5 - Hof Ter linden' definitief vast.
Dit is het bestreden besluit.
In verband met de aanwezige agrarische activiteiten binnen het plangebied vermeldt het bestreden besluit:
“De aanwezige agrarische gebieden worden bestendigd, om zo stadslandbouw kansen te bieden in de randen van het landschapspark. Hier worden vormen van beheerslandbouw mogelijk gemaakt zoals community supported agriculture (CSA). De bessentuin ten zuiden van Hof ter Linden past binnen deze visie. Er wordt steeds getracht de openheid van het landbouwlandschap te bewaren. Ook de boerderij in de Patronaatstraat behoudt haar functie, gekoppeld aan landbouw.”
3.9. De verzoekers wonen aan de Monseigneur Jan van de Veldelaan 24 te Edegem. Deze woning bevindt zich op het perceel dat kadastraal bekend is onder afdeling 1, sectie A, nr. 203P, en wordt omgeven door een ‘zone voor landschapspark’ (artikel 2) van het gemeentelijk RUP. De bestemming daarvan wordt als volgt omschreven:
X-16.970-4/9
“1. De bestemming resulteert onder de gebiedsaanduiding overig groen – gemengd open ruimte gebied.
2. Het gebied is bestemd voor de inrichting en beheer van een landschapspark. Hoofdfuncties in het landschapspark zijn natuur, bos, landschapsbeleving, landschapsontwikkeling en beheerslandbouw. Recreatief medegebruik en waterbeheer zijn steeds toegelaten bestemmingen. In functie van beheerslandbouw is extensieve begrazing in het landschapspark steeds mogelijk met lokale typische weidedieren.
3. Gemotoriseerde en lawaaisporten zijn verboden in het landschapspark.
4. De hoofdbestemming van het landschapspark wordt aangevuld door de bestemmings- en inrichtingsmodaliteiten in overdruk.”
Binnen de zone voor landschapspark is (voor de deelzones aangeduid met de letters E, F, G, H en I) de overdruk ‘landschapspark met mogelijkheid tot agrarisch gebruik’ aangebracht. De bijhorende bestemmingsvoorschriften bepalen dat “de zones met letteraanduiding E, F, G, H
en I zoals aangeduid als overdruk [worden] bestemd voor landbouw”.
De bijhorende inrichtingsvoorschriften bepalen onder meer:
“De open ruimte gelegen in de deelzones voor landschapspark met mogelijkheid tot agrarisch gebruik worden als een grootschalig en aaneengesloten landschap gevrijwaard, de open ruimte primeert hierbij. De grootschalige zichten vanuit alle randen structureren het open ruimte gebied.
Specifiek dient voldoende aandacht besteed te worden aan de zichtrelatie op het Kasteeldomein Hof ter Linden vanaf de Drie Eikenstraat. In de grafisch aangeduide zichtrelatie kunnen geen hoog opgaande teelten zoals bv. maïs, constructies zoals netten, palen en omheiningen of bebouwing voorzien worden. De bestaande bessentuin in deze zone kan behouden blijven tot vervanging van de struiken en dit ten laatste tot 31 december 2021. Ten laatste na deze datum dient de zichtrelatie hersteld te worden.”
Op 20 juni 2016 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het planten van een bessentuin, op een terrein kadastraal bekend onder afdeling 1, sectie A, nrs. 234 E, 231 B, 177 A, 176 N, 177 C, 177 D, 232, 178. Het administratief beroep dat de eerste verzoeker tegen die vergunning heeft ingesteld, werd door de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen op 20 oktober 2016 verworpen. Op 30 juni 2017 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem bijkomend een
X-16.970-5/9
stedenbouwkundige vergunning, onder voorwaarden, verleend voor het planten van een bessentuin op de voorste akkers van Hof Ter Linden op een terrein kadastraal bekend onder afdeling 1, sectie A, nr. 176 N, 232/deel, 234 E/deel, 178/deel, 177 A/deel, 177 D, 177 C/deel, 231 B/deel, 234 E/deel.
In de zuidoostelijke hoek van het plangebied is een 'gemengde zone voor recreatie en gemeenschapsvoorzieningen' (artikel 5) voorzien. Deze zone is bestemd voor “gemeenschapsvoorzieningen en voor recreatieve infrastructuur met inbegrip van aanhorigheden, groenruimtes, parkings, toegangen, openbare wegenis, fietsenstallingen en pleinen”.
3.10. Van het bestreden besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2017.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden zich alleen opdringen indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld mochten zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Schorsingsvoorwaarden
5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
X-16.970-6/9
VI. Spoedeisendheid
Uiteenzetting van de spoedeisendheid
6.1. Verzoekers betogen in hun verzoekschrift, wat de spoedeisendheid van hun vordering betreft, dat de bestreden beslissing hen “ernstige ongemakken berokkent. Net zoals bij de vergunning van de bessentuin, die gesteund is op de voorschriften van het hierbij bestreden RUP, zullen ook andere beslissingen hierop gesteund worden met mogelijks zelfs onomkeerbare gevolgen van dien. De aankondiging van de realisatie van de parking is daar eveneens een voorbeeld van”. Verder stellen zij dat zij “de aantasting van het dorpsgezicht en de degradatie van parkgebied naar de bestemmingen voorzien in het RUP, inzonderheid deze van landschapspark (met agrarische invulling) en de gemengde zone voor recreatie en gemeenschapsvoorziening, onmiddellijk en blijvend ondervinden”.
Beoordeling
7.1. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken.
In beginsel kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken werd uiteengezet en gestaafd.
7.2. Het loutere gegeven dat het bestreden gemeentelijk RUP de rechtsgrond vormt om beslissingen te nemen en vergunningen af te leveren die
X-16.970-7/9
erop gericht zijn de door dit plan voorziene bestemmingen te verwezenlijken, toont op zich nog geen spoedeisendheid aan.
7.3. In zoverre verzoekers in hun uiteenzetting op algemene wijze betogen dat de bestreden beslissing hen “ernstige ongemakken berokkent”, en in dit verband louter verwijzen naar een vergunning voor de bessentuin, zetten zij niet op voldoende concrete wijze uiteen welke nadelige gevolgen zij door het bestreden besluit dreigen te (zullen) ondergaan. Dit klemt te dezen des te meer, nu de vergunde bessentuin in het uiterst zuidelijk gedeelte van het plangebied is gesitueerd, terwijl verzoekers’ woning aan het noordoostelijk gedeelte van het plangebied grenst.
7.4. Verder maken verzoekers slechts op algemene wijze gewag van een “aantasting” van het dorpsgezicht en van een “degradatie” van het parkgebied, en zetten zij ook hier op onvoldoende precieze wijze uiteen welke nadelige gevolgen zij door het bestreden plan zouden dreigen te ondergaan.
7.5. Verzoekers’ betoog dat in de toekomst nog andere beslissingen zullen volgen met ‘mogelijks’ onomkeerbare gevolgen, daarbij verwijzend naar de “aankondiging van de realisatie van de parking”, is al even vaag en getuigt slechts van een zeer toekomstige, hypothetische spoedeisendheid, die de onmiddellijke schorsing van het bestreden besluit evenmin kan verantwoorden.
In dat verband zij erop gewezen dat verzoekers nog steeds een nieuwe schorsingsvordering kunnen instellen wanneer de door hen gevreesde nadelen zich daadwerkelijk dreigen te realiseren.
7.6. De conclusie is dat verzoekers er niet in slagen om van de urgentie van de zaak te overtuigen.
X-16.970-8/9
VII. Besluit
8. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Stephan De Taeye
X-16.970-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.317