Court dismisses appeal against school board decision declaring student's appeal inadmissible due to lack of urgency.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Administrative Justice dismissed the applicant's request for urgent suspension of the school board's decision declaring her appeal inadmissible. The school board rejected the student's appeal because it was filed late, and the court noted that the decision was based on inadmissibility rather than a substantive review of the evaluation. Consequently, the court found no new urgent elements to justify suspending the execution of the decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 123/15, § 3, Codex Secundair Onderwijs; The administrative appeal board must first determine inadmissibility before assessing the merits, and the Council of State cannot review a decision based solely on inadmissibility without new urgent grounds.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.307 van 5 oktober 2017
in de zaak A. 223.407/IX-9146
In zake: Margaux TORRELLE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Arnold Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW SCHOOLBESTUUR DE PLEINSCHOOL &
SINT-AMANDSCOLLEGE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 29 september 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Guldensporencollege te Kortrijk van 14 september 2017 om het beroep van Margaux Torrelle onontvankelijk te ver-
klaren.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-9146-1/12
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017, om 10.30 uur.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Elias Gits, die loco advocaat Arnold Gits verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Nele Vroman, die loco advocaat Pieter Dewaele verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Tijdens het schooljaar 2016-2017 is verzoekster ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde aan het Guldenspo-
rencollege te Kortrijk.
De delibererende klassenraad beslist om verzoekster een oriën-
teringsattest C toe te kennen.
3.2. Overleg leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de klassen-
raad, waarop verzoekster op 5 juli 2017 beroep instelt bij het schoolbestuur.
3.3. De beroepscommissie neemt op 17 augustus 2017 een beslissing waarbij zij beslist “dat het beroep ontvankelijk is” en waarbij zij het evaluatiere-
sultaat bevestigt.
IX-9146-2/12
Bij arrest nr. 238.983 van 30 augustus 2017 verwerpt de Raad van State een op 22 augustus 2017 ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de evaluatiebeslissing van 17 augustus 2017. De Raad oordeelt dat niet is voldaan aan de schorsings-
voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid.
Bij arrest nr. 239.033 van 7 september 2017 verwerpt de Raad van State een tweede, op 30 augustus 2017 ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van dezelfde evalua-
tiebeslissing. De Raad overweegt dat hij, “gelet op het bepaalde in artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet anders kan dan de huidige vordering afwijzen wegens ontbreken van nieuwe elementen die de spoedeisendheid rechtvaardigen”.
3.4. Op 14 september 2017 beslist de beroepscommissie om haar op 17 augustus 2017 met betrekking tot verzoekster genomen beslissing in te trekken.
Zij beslist voorts “het beroep, ingesteld op 5 juli 2017 door [P.T.], onontvankelijk te verklaren”. Zij motiveert deze beslissing als volgt:
“Overwegende, wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, dat het schoolreglement bepaalt dat de ouders (of de leerling zelf, indien deze meerderjarig is) met een aangetekende brief beroep kunnen (kan) instellen bij het schoolbestuur. Het beroep moet per aangetekende brief worden verstuurd en gedateerd en ondertekend zijn.
Dat de ouders die beroep instellen, optreden als vertegenwoordiger van de minderjarige leerling. Dat de ouders daartoe gezamenlijk moeten optreden.
Dat het vermoeden van vertegenwoordiging van de ene ouder door de an-
dere krachtens artikel 376, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ouders, maar enkel voor het beheer van de goederen van de minderjarige.
Dat het beroep dat door [P.T.] is ingesteld per aangetekende brief van 5 juli 2017 niet aan de vereiste van gezamenlijke vertegenwoordiging voldoet.
Dat derhalve niet kan worden vastgesteld dat het beroep werd ingesteld door de beide ouders gezamenlijk, zodat het beroep onontvankelijk is.”
IX-9146-3/12
De beroepscommissie noteert in de bestreden beslissing dat zij “volledigheidshalve de zaak ook ten gronde beoordeelt”. Daarop volgen meer dan acht bladzijden motivering ten gronde.
IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering
4. De beroepscommissie besluit met de bestreden beslissing tot het volgende:
“1) de beslissing van de beroepscommissie van 17 augustus 2017 met be-
trekking tot het afleveren van een C-attest aan Margaux Torrelle in te trekken;
2) het beroep, ingesteld op 5 juli 2017 door [P.T.], onontvankelijk te ver-
klaren.”
5. Het eerste voorwerp van de beslissing – de intrekking van de evaluatiebeslissing van 17 augustus 2017 – lijkt door verzoekster met de thans voorliggende vordering niet te worden betwist.
6. De Raad van State bepaalt zich voor zijn onderzoek van de vordering dan ook tot het tweede onderdeel van de beslissing van de beroeps-
commissie, namelijk voor zover zij beslist “het beroep, ingesteld op 5 juli 2017
door [P.T.], onontvankelijk te verklaren”.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
7. De verwerende partij voert als exceptio omisso medio aan dat verzoekster heeft nagelaten om op ontvankelijke wijze het georganiseerd admini-
stratief beroep uit te putten, omdat enkel haar vader dit beroep heeft ondertekend, zodat zij evenmin thans nog ontvankelijk huidige vordering kan instellen.
8. Deze exceptie hangt samen met de grond van de zaak. Uit de bespreking, hierna, van het eerste middel volgt dat ze in de huidige stand van de rechtspleging niet de vereiste ernst vertoont om te worden bijgevallen.
IX-9146-4/12
VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid
10. Zoals verzoekster terecht opmerkt, is het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd en mag dit vaste rechtspraak van de Raad van State heten. Meer hoeft over deze schorsingsvoorwaarde niet te worden gesteld, ze is vervuld. Dat verzoekster de beslissing reeds per e-mail zou hebben ontvangen op vrijdag 15 september 2017 spreekt, anders dan de verwerende partij opwerpt, het vereiste diligente optreden niet tegen.
VIII. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
11. In een eerste middel wordt onder meer de schending aangevoerd van artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 3.7.5 van het schoolre-
glement in samenhang met het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
Verzoekster wijst erop dat haar vader over een volmacht be-
schikte van zijn echtgenote om het administratief beroep in te stellen. Het ver-
IX-9146-5/12
zoekschrift dat aan het schoolbestuur werd gericht op 5 juli 2017 luidde dan ook als volgt:
“Getekend door de ouders van Margaux Torrelle en met name [P.T.] in eigen naam en als gevolmachtigde en zich sterk makende voor zijn echt-
genote, [H.L.], die thans in het buitenland aanwezig is.”
De verwerende partij houdt ten onrechte geen rekening met deze volmacht.
Hoe dan ook druisen de overwegingen van de verwerende partij in tegen artikel 373 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en tegen de rechtspraak van de Raad van State, zoals verwoord in arrest nr. 228.936 van 27 oktober 2014.
Het schoolreglement, zo merkt verzoekster nog op, sluit geens-
zins uit dat één ouder beroep instelt.
12. De verwerende partij antwoordt dat noch bij het instellen van het administratief beroep, noch bij de neerlegging van het verzoekschrift tot schorsing, een volmacht wordt voorgelegd.
Zij merkt op dat de beroepscommissie toepassing heeft gemaakt van het schoolreglement “krachtens hetwelk de ouders (meervoud) beroep kunnen instellen en daartoe gezamenlijk moeten optreden”.
De verwerende partij volgt niet het standpunt van de Raad, dat de bepaling van artikel 376, tweede lid, BW enkel betrekking zou hebben op pro-
ceshandelingen sensu stricto en niet op het instellen van een georganiseerd admi-
nistratief beroep, zoals uiteengezet in zijn arrest nr. 228.936 van 27 oktober 2014:
“Wanneer de ouders een georganiseerd administratief beroep instellen te-
gen een evaluatiebeslissing die betrekking heeft op hun minderjarig kind, treden zij niet in eigen naam op, noch beheren zij de goederen van de minderjarige of stellen zij een handeling die verband houdt met het ouder-
lijk gezag.
IX-9146-6/12
Zij vertegenwoordigen dan de minderjarige die in rechte opkomt tegen een beslissing die rechtstreeks op haar betrekking heeft. Het feit dat het admi-
nistratief beroep wordt ingesteld bij een administratieve overheid en niet bij een rechterlijke instantie is niet relevant. Het „in rechte‟ optreden is niet beperkt tot de rechtsprekende instanties, doch slaat op alle rechtshande-
lingen die kunnen worden gesteld binnen een wettelijk georganiseerde procedure om verhaal te halen.
Artikel 376, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en de regels inzake de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de ouders met betrekking tot hun minderjarige kinderen zijn in het algemeen van toepassing en niet beperkt tot proceshandelingen sensu stricto.”
Beoordeling
13. Artikel 373 BW luidt:
“Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag verband houdt behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de fa-
milierechtbank aanhangig maken.
De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.”
Artikel 376 BW luidt:
“Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij geza-
menlijk als zijn vertegenwoordiger op.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, be-
houdens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer.
Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de fa-
milierechtbank wenden.”
IX-9146-7/12
Artikel 3.7.5 van het aangevoerde schoolreglement luidt:
“[…]
Als de betwisting na de eerste fase blijft bestaan (zie punt 1), dan kunnen je ouders of jij zelf (zodra je 18 bent) in een volgende fase met een aangete-
kende brief beroep instellen bij het schoolbestuur.
[…].”
14. Een schoolbestuur als administratieve overheid, of zoals te dezen optredend zoals een administratieve overheid, lijkt prima facie een derde in de zin van de artikelen 373 en 376 van het Burgerlijk Wetboek.
Ten opzichte van zulke derden te goeder trouw, “wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met dat gezag [versta: het gezag over de persoon van het kind] verband houdt”, aldus artikel 373, tweede lid, BW.
Artikel 376 BW, waaraan de beroepscommissie in de bestreden beslissing refereert, stelt specifieke regels met betrekking tot het beheer van de goederen van de minderjarige – te dezen niet ter zake, aangezien het een beslissing over de opvoeding en de opleiding betreft – en het optreden als haar vertegen-
woordiger wat, naar het oordeel van de Raad van State, betrekking heeft op pro-
ceshandelingen in strikte zin en niet op de uitoefening van het georganiseerd ad-
ministratief beroep dat volgens vaste rechtspraak van de Raad – en niet enkel volgens het door de partijen besproken arrest – geen proceshandeling is (zie bij wijze van voorbeeld de arresten nr. 155.474 van 23 februari 2006, nr. 165.316 van 30 november 2006, nr. 211.410 van 22 februari 2011 en nr. 219.952 van 26 juni 2012).
15. Één ouder alleen vermag bijgevolg als betrokken persoon het recht van overleg te doen gelden of de beroepscommissie te adiëren.
16. De tekst van het schoolreglement lijkt hiermee niet in tegen-
spraak. Die tekst legt de beroepsprocedure vast met wat een parafrase lijkt van
IX-9146-8/12
artikel 115/6, § 4, eerste lid, en artikel 123/15, § 1, van de Codex Secundair On-
derwijs in samenhang met de definitie van „betrokken personen‟ in artikel 3, 9°, van dezelfde Codex.
Nergens in het schoolreglement is met zoveel woorden te lezen dat de ouders gezamenlijk moeten optreden, zodat het wetsconform uitgelegd lijkt te moeten worden. In het andere geval ziet de Raad niet dadelijk op welke grond een schoolbestuur bij een schoolreglement – zelfs begrepen als een toetredings-
overeenkomst tussen de onderwijsinstelling en de leerling of zijn ouder – mag afwijken van de voormelde regels van het burgerlijk recht die zoals alle wetsbe-
palingen over het ouderlijk gezag de openbare orde lijken te raken.
17. Het middel is ernstig.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
18. Het tweede middel is geput uit de “schending van de artikelen 5, § 5, en 57 van het besluit van 19 juli 2002 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs; schending van de materiële mo-
tiveringsplicht; schending van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel”.
In de toelichting betwist verzoekster uitvoerig de beoordeling die de beroepscommissie “voor zoveel als nodig” heeft uitgeschreven in de bestreden beslissing.
19. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het mid-
del:
“Anders dan waar de verzoekende partij van lijkt uit te gaan, heeft de be-
roepscommissie geen beslissing ten gronde genomen over het evaluatie-
resultaat van de verzoekende partij.
IX-9146-9/12
De beroepscommissie heeft in de bestreden beslissing uitsluitend de on-
ontvankelijkheid van het beroep […] vastgesteld.
De overwegingen die de beroepscommissie in de bestreden beslissing heeft gewijd aan de grond van de zaak zijn in dat opzicht overtollig (obiter dic-
tum).”
Beoordeling
20. Artikel 123/15, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs luidt:
“Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie en leidt tot:
1° hetzij de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onont-
vankelijkheid als:
a) de termijn voor indiening van het beroep, opgenomen in het school- of centrumreglement, is overschreden;
b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten opgenomen in het school-
of centrumreglement;
2° hetzij, nadat de beroepscommissie al dan niet aan de leerling bijko-
mende proeven of opdrachten heeft opgelegd, de bevestiging van het oor-
spronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evaluatie-
resultaat. Het school- of centrumbestuur aanvaardt de verantwoordelijk-
heid voor de beslissing van de beroepscommissie.”
21. De Codex Secundair Onderwijs maakt duidelijk een onderscheid tussen, eensdeels, de beslissing waarbij het beroep wordt afgewezen op grond van onontvankelijkheid en, anderdeels, “de bevestiging van het oorspronkelijk evalu-
atieresultaat of de vervanging door een ander evaluatieresultaat”.
In de voorliggende zaak is, zoals gezien, het beroep afgewezen op grond van onontvankelijkheid. Zo een beslissing gaat aan elk onderzoek ten gronde vooraf en is bij bepaling vreemd daaraan.
22. Het tweede middel is gericht tegen een uiteenzetting in de be-
streden beslissing die een beoordeling “ten gronde” beoogt te zijn, maar die al-
leszins geen dragend motief is of kan zijn voor de afwijzing van het beroep van verzoekster op grond van onontvankelijkheid.
IX-9146-10/12
Aan een “beoordeling ten gronde” kan de beroepscommissie slechts toekomen als zij het beroep wél ontvangt en beslist over “de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat of de vervanging door een ander evalua-
tieresultaat”.
Een beoordeling van die beoordeling door de Raad van State is dan ook voorbarig. De Raad van State mag niet vooruitlopen op een beslissing die de beroepscommissie ten gronde zal nemen bij het hernemen van de zaak en waarbij zij overigens zoals elk administratief beroepsorgaan – bij ontstentenis van een anders luidende bepaling – aandacht zal moeten hebben voor álle voor de zaak relevante feitelijke gegevens zoals die zich op het ogenblik van haar beslissing aandienen, waar minstens huidig verzoekschrift er één van is, evenals verzoeksters geschriften neergelegd in de loop van de administratieve procedure.
23. Het tweede middel, gericht tegen een niet dragend motief, is om die reden niet ontvankelijk en, bijgevolg, niet ernstig.
BESLISSING
De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Guldensporencollege te Kortrijk van 14 september 2017 om het beroep van Margaux Torrelle onontvankelijk te verklaren.
IX-9146-11/12
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 oktober 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-9146-12/12
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.307