Cassation rejected for procedural circularity claim regarding interim injunction timing before final ruling.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal filed against a ruling that annulled a zoning permit. The appellant argued that an interim injunction imposed on the opposing party created a procedural 'carousel' before the final cassation judgment, violating fair trial rights. The court rejected this claim, finding no factual basis for the alleged conflict between the interim order and the subsequent cassation outcome.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 6.1 of the European Convention on Human Rights; The imposition of an interim injunction prior to the final judgment does not constitute a procedural carousel or violate fair trial guarantees if the final decision remains legally possible.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.292 van 5 oktober 2017
in de zaak A. 221.142/VII-39.879.
In zake : de CVBA DE VLASHAARD
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Antoon Lust en Gilles Dewulf kantoor houdend te 8310 Assebroek - Brugge Baron Ruzettelaan 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Luc VALCKE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 6, bus 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG AMBTENAAR
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 Waregem Eertbruggestraat 10
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1617/0356 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 29 november 2016 in de zaak 1415/0168/A/6/0185.
VII-39.879-1/15
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 18 januari 2017 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 februari 2017. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gilles Dewulf, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Leandra Decuyper, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Yves François, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.879-2/15
III. Feiten
3. Met een besluit van 25 juli 2014 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar (hierna: GSA) aan de CVBA De Vlashaard een verkavelingsvergunning “voor het verkavelen ten behoeve van sociale woningbouw van het type gesloten en halfgesloten woningen”.
4. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de heer Valcke de vergunningsbeslissing van 25 juli 2014.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van de verzoekende partij
5. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), “het motiveringsbeginsel en de bewijskracht van de stukken 1 en 2 en het plan 2
van de verkavelingsaanvraag (inhoudende het kadastraal plan) en mitsdien de artikelen 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek”.
Zij betoogt dat zij het belang van de heer Valcke heeft betwist en dat de verwerping van haar argumentatie “niet afdoende, vaag en weinig of nietszeggend” is en toelaat om “omzeggens elk annulatieberoep ontvankelijk te verklaren”. Het bestreden arrest spreekt “niet deugdelijk tegen dat de voorgelegde en in het middel aangehaalde stukken onjuist zouden zijn en waarom het er geen rekening mee heeft gehouden, wat de motivering ondeugdelijk maakt en de bewijskracht ervan miskent”. Het bestreden arrest neemt zonder meer de bewering van de heer Valcke aan dat hij op enige afstand zicht zal hebben op het voorwerp van de bestreden vergunningsbeslissing “zonder die afstand in concreto te bepalen en de exactheid van die bewering na te gaan”. Het bestreden arrest heeft “zijn
VII-39.879-3/15
beslissing laten steunen op gegevens die niet in het verzoekschrift werden aangebracht maar in de memorie van wederantwoord ofschoon, omwille van het recht van verdediging, enkel rekening mag worden gehouden met de gegevens die in het verzoekschrift […] gedetailleerd naar voor [worden] gebracht”. Het bestreden arrest neemt “vaag en nietszeggend” aan “dat ‘de aard en de omvang van deze hinder en nadelen voldoende concreet (wordt) omschreven’, zonder die hinder en nadelen te benoemen en ook maar enigszins de ernst ervan af te wegen, en dat er een causaal verband ‘kan’ bestaan met de bestreden beslissing, ofschoon een louter potentieel causaal verband niet volstaat”.
Beoordeling
6. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is.
De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
7. Het middel dat louter aanvoert dat de RvVb “niet deugdelijk tegen[spreekt] dat de voorgelegde en in het middel aangehaalde stukken onjuist zouden zijn en waarom het er geen rekening mee heeft gehouden” toont niet de miskenning van de bewijskracht van de akte aan.
Het middel wordt in zoverre verworpen.
8. Het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet). De RvVb is een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, RvS-wet. Het voormelde motiveringsbeginsel is niet van toepassing op de motivering van de uitspraken van de RvVb.
VII-39.879-4/15
In zoverre faalt het middel naar recht.
9. Het arrest van de RvVb moet overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen worden omkleed.
De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
10. Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van de verzoekende partij en van de GSA waarin het belang van de heer Valcke wordt betwist in volgende bewoordingen:
“1.
Om als derde belanghebbende bij de Raad een beroep te kunnen instellen, vereist artikel 4.8.11, §1, eerste lid 3° VCRO in principe dat de verzoekende partij, als natuurlijke persoon of als rechtspersoon, rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden vergunningsbeslissing. Artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO vereist niet dat het bestaan van deze hinder of nadelen absoluut zeker is.
Wel zal de verzoekende partij het mogelijk bestaan van deze hinder of nadelen voldoende waarschijnlijk moeten maken, de aard en de omvang ervan voldoende concreet moeten omschrijven en tegelijk zal de verzoekende partij dienen aan te tonen dat er een rechtstreeks of onrechtstreeks causaal verband kan bestaan tussen de uitvoering of de realisatie van de vergunningsbeslissing en de hinder of nadelen die zij ondervindt of kan ondervinden.
In voorkomend geval zal de verzoekende partij beschikken over het rechtens vereiste belang om conform artikel 4.8.11, §1, eerste lid, 3° VCRO een beroep in te dienen bij de Raad.
2. De verzoekende partij beroept zich onder meer op visuele hinder. De Raad stelt vast dat de verzoekende partij voldoende aannemelijk maakt dat zij (on)rechtstreekse hinder en nadelen kan ondervinden als gevolg van de
VII-39.879-5/15
bestreden beslissing, waar zij stelt dat zij zicht zal hebben op het voorwerp van de bestreden beslissing, weliswaar op enige afstand, terwijl heden het betrokken perceel is gevrijwaard van enige bebouwing. Het omstandigheid dat er eventueel een deel van het uitzicht beperkt wordt door tussenliggende gebouwen, doet hieraan geen afbreuk. Dit is op zich reeds voldoende om te besluiten dat de verzoekende partij voldoende belang heeft bij haar verzoekschrift.
Bovendien worden de aard en de omvang van deze hinder en nadelen voldoende concreet omschreven en valt niet te betwisten dat er een causaal verband kan bestaan met de bestreden beslissing.
De excepties worden verworpen”.
11. De verwerping van de exceptie van de verzoekende partij is aldus met redenen omkleed.
Het middel wordt in zoverre verworpen.
12. Artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO in zijn toepasselijke versie bepaalt onder meer dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunningsbeslissing als belanghebbende beroep kan instellen bij de RvVb.
13. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen.
Luidens artikel 14, § 2, RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
14. Het middel dat de Raad van State ertoe noopt de feitelijke beoordeling door de RvVb van de hinder of nadelen bedoeld in het voormelde artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO over te doen, is onontvankelijk.
15. De verzoekende partij zet voorts niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest het voormelde artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO schendt.
Het middel is in zoverre onontvankelijk.
VII-39.879-6/15
16. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van de verzoekende partij
17. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 149 en 159 van de Grondwet, artikel 16, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna:
coördinatiedecreet), het redelijkheidsbeginsel en de artikelen 4.1.1, 14° en 4.2.15
VCRO.
Zij betoogt in een eerste onderdeel, waarin zij de schending van artikel 159 van de Grondwet, artikel 16, vierde lid, van het coördinatiedecreet en de artikelen 4.1.1, 14° en 4.2.15 VCRO aanvoert, dat het bestreden arrest ten onrechte “aan[neemt] dat het bpa nr. 29 Normandiëstraat van 26 februari 1987 in zijn geheel voor onwettig moet worden gehouden omdat het afwijkt van het gewestplan zonder dat daartoe noodzaak bestond” en het voormelde Bijzonder Plan van Aanleg (hierna: BPA) “krachtens artikel 159 van de grondwet voor onbestaande [moet] worden gehouden met als gevolg dat de verleende verkavelingsvergunning deelt in dezelfde onwettigheid”. Zij stelt dat zij voor de RvVb heeft toegelicht dat “de site van de verkavelingsvergunning in het gewestplan van 4 november 1977 bestemd [was] tot woonuitbreidingsgebied” en dat “die site - in grotere oppervlakte - door het bpa nr. 29 Normandiëstraat, dat een bpa artikel 17 wet 29 maart 1962 is, nader [is] geordend geworden” en dat de “enkele omstandigheid dat bij de opmaak van het bpa […] twee kleine stukjes grond, ‘De Teut’ en ‘De Spie’, die behoorden tot een industriegebied, aan het bestaande nader geordend woonuitbreidingsgebied werden toegevoegd en daardoor inderdaad van bestemming wijzigden zonder dat daartoe de noodzaak, voorgeschreven door artikel 16, vierde lid, coördinatiedecreet 22 oktober 1996, afdoende werd gemotiveerd en/of niet aanwezig was, […] geenszins tot gevolg
VII-39.879-7/15
[heeft] dat het ganse bpa […], dat geen bestemmingswijziging heeft ondergaan, onwettig werd”.
In een tweede onderdeel, waarin zij ondergeschikt bij de ongegrondheid van het eerste middelonderdeel de schending aanvoert van artikel 16, vierde lid, van het coördinatiedecreet en artikel 159 van de Grondwet, argumenteert zij met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State dat het bestreden arrest niet “aan de hand van de wettelijke criteria” heeft onderzocht “- zeker nu De Spie geen voorwerp van de verkavelingsvergunning is - of die lapjes grond in de onderstelling dat het bpa nr. 29 Normandiëstraat voor [de Raad van State] rechtstreeks ware bestreden geworden door de [heer Valcke], er geen splitsing mogelijk ware geweest”. Zij stelt dat “[d]e enkele omstandigheid dat een bpa of rup een aaneengesloten zone is met dezelfde voorschriften, […] niet wettig [kan] leiden tot het besluit dat het onwettig deel van het bpa of rup nooit van het geheel kan afgezonderd worden” en dat “[h]et afsplitsen van de beide lapjes grond, te dezen De Spie waarop de [heer Valcke] focust, [...] hem genoegdoening [zou]
hebben gegeven, vermits [de heer Valcke] stelt (of althans voorwendt) er belang bij te hebben dat het industriegebied blijft” en “het zondermeer duidelijk [is] dat het bpa nr. 29 Normandiëstraat in 1987 eveneens zou aangenomen geworden zijn zonder de toevoeging van De Spie (en De Teut)”.
De verzoekende partij stelt in een derde onderdeel, waarin zij de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, dat het bestreden arrest “geen begin van antwoord” geeft op haar “in haar regelmatig neergelegde toelichtende nota subsidiair” gevoerde verweer dat de heer Valcke geen belang heeft bij het buiten toepassing laten van het voormelde BPA waarop de vergunningsbeslissing van 25 juli 2014 is gesteund, omdat dan de gewestplanbestemming woonuitbreidingsgebied geldt waarmee “[d]e bestreden vergunning [volledig] spoort”.
VII-39.879-8/15
Beoordeling
18. Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed.
De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
19. Het middel gaat terug op de gegrondverklaring van het eerste middel van de heer Valcke op grond van volgende overwegingen:
“1.
Het ten tijde van de goedkeuring van het onwettig geachte BPA nr. 29
‘Normandiëstraat’ geldende artikel 16, vierde lid van de Stedenbouwwet, luidde als volgt:
‘Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. …’ De mogelijkheid tot afwijking van het gewestplan is een uitzonderingsbepaling die beperkend dient te worden geïnterpreteerd. Uit deze bepaling volgt dat het gewestplan een richtsnoer is voor het BPA dat essentieel op nadere uitvoering en aanvulling van het gewestplan is gericht, en dat de mogelijkheid om in het BPA af te wijken van het gewestplan alleen bestaat voor het geval daartoe noodzaak bestaat.
De term desnoods wijst erop dat tegelijk: 1. is aangetoond dat de bestemming in het gewestplan achterhaald is (bijvoorbeeld ten gevolge van de evolutie van de bevolking, van de economie), of niet meer verwezenlijkt kan worden, 2. de in het bijzonder plan voorgestelde bestemming beantwoordt aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er dwingende behoefte bestaat aan een daaraan aangepaste nieuwe, afwijkende ordening, 3. deze planologische noden duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden en beperkt zijn in omvang, 4. de voorgestelde afwijkende ordening geen middel is om het gewestplan te corrigeren en 5. het vervullen van deze
VII-39.879-9/15
voorwaarden blijkt uit de formele motivering van het afwijkend plan, zo niet minstens uit het dossier is af te leiden.
Uit de vijfde voorwaarde vloeit voort dat een formele motivering van het afwijkend plan het vervuld zijn van de eerste vier voorwaarden dient aan te tonen; minstens dient het vervuld zijn van deze voorwaarden uit het dossier te zijn af te leiden.
De stukken bijgebracht door de tussenkomende partij (het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Wevelgem houdende de definitieve aanvaarding van het betrokken BPA, het ministerieel besluit van 26 februari 1987 houdende de goedkeuring van het BPA, de memorie van toelichting horende bij het betrokken BPA), bevatten hieromtrent evenwel geen formele motivering. Evenmin valt uit deze stukken af te leiden dat de gestelde voorwaarden vervuld zouden zijn.
2. Een deel van het plangebied van het BPA nr. 29 Normandiëstraat - wat de verzoekende partij benoemt als spie en de teut - is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Kortrijk gelegen in industriegebied, terwijl het BPA onder meer dit gedeelte bestemt voor het bouwen van sociale woningen met inbegrip van de voorzieningen nodig voor de volledige uitbouw van de woonwijk volgens de noodwendigheden.
De verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift aan de hand van kaartmateriaal de ligging van deze vermelde onderdelen (de ‘spie’ en de ‘teut’)
verduidelijkt en gesitueerd op een kopie van het gewestplan en van de BPA’s nr. 29 en nr. 30.
De verwerende partij stelt dat deze onderdelen niet het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissing en dus geen weerslag hebben op de eigenlijke projectzone. De ‘spie’ grenst aan de aangevraagde verkaveling en is op het verkavelingsplan omschreven als een private groene buffer. De ‘teut’ grenst niet aan de aangevraagde verkaveling. De betrokken gronden die het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissing zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Kortrijk gelegen in woonuitbreidingsgebied.
Los van de vraag naar de mogelijkheid om enkel bepaalde onderdelen van een BPA buiten toepassing te laten, is het in dit geval onmogelijk om een dergelijk onderscheid te maken. De Raad stelt immers vast dat de vermelde onderdelen deel uitmaken van één aaneengesloten zone van het BPA en onderworpen zijn aan volledig identieke voorschriften en op dezelfde wijze zijn ingekleurd op het grafisch plan als de rest van deze aaneengesloten zone, die integraal bestemd is als zone voor sociale woningen. Bovendien vormt deze aaneengesloten zone een zelfstandig, geïsoleerd deelgebied binnen het BPA, dat niet aansluit bij de rest van het plangebied van het BPA. De Raad ziet dan ook geen enkele reden of mogelijkheid om enkel de vermelde onderdelen buiten toepassing te laten. Een BPA is immers in beginsel één en ondeelbaar en de vermelde onderdelen zijn niet afsplitsbaar van de rest van het BPA.
Er is niet aangetoond dat het BPA nr. 29 ‘Normandiëstraat’ voldoet aan de voorwaarden van artikel 16, vierde lid van de Stedenbouwwet om ‘desnoods’ af te wijken van de gewestplanbestemming van industriegebied. Deze vaststelling
VII-39.879-10/15
volstaat om te besluiten dat het BPA nr. 29 ‘Normandiëstraat’ buiten toepassing dient te worden gelaten.
Aangezien de bestreden beslissing noodzakelijk steunt op de bestemmingsvoorschriften die door het BPA nr. 29 Normandiëstraat worden ingevoerd, is deze beslissing onwettig.
3. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij zijn van mening dat, als het BPA buiten toepassing zou gelaten worden, men terugvalt op het bestemmingsvoorschrift van het gewestplan, met name woonuitbreidingsgebied.
[…]
Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel niet dat de overeenstemming met het bovenvermeld bestemmingsgebied werd getoetst, laat staan dat dit afdoende gemotiveerd werd. De Raad kan niet vooruitlopen op de beoordeling van de verwerende partij hieromtrent”.
Eerste en tweede onderdeel
20. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 4.1.1, 14°
en 4.2.15 VCRO en van artikel 16, vierde lid, van het coördinatiedecreet zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
21. Het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, RvS-wet. De RvVb is echter een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, RvS-wet.
In zoverre faalt het middel naar recht.
22. Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.
23. Uit het bestreden arrest blijkt dat de heer Valcke de vernietiging vordert van de vergunningsbeslissing van 25 juli 2014 “met toepassing van artikel 159 van de Grondwet” wegens onder meer de schending van artikel 16,
VII-39.879-11/15
vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw/artikel 14, vierde lid, van het coördinatiedecreet omdat “zowel de Spie als de Teut werden herbestemd van industriegebied tot zone voor sociale woningbouw of zone voor wegenis” zonder afdoende “verantwoording […] voor de afwijking van het gewestplan” en hij in dat verband volgens het bestreden arrest betoogt wat volgt:
“Het feit dat het slechts over kleine stukjes grond gaat of dat de Spie en de Teut niet lijken te worden opgenomen in het verkavelingsproject doet niets af aan het feit dat door de loutere omstandigheid dat het om gedeeltelijk van het gewestplan afwijkende BPA’s gaat. Nu niet wordt beantwoord aan de voorwaarden van de Heylendoctrine kon niet wettig worden getoetst aan de bestemmingsvoorschriften van de BPA’s.
[…]
De vaststelling dat Spie en De Teut geen deel uitmaken van de verkaveling, heeft niet tot gevolg dat de [heer Valcke] geen belang heeft bij dit middel. Het is volgens [hem] geen toeval dat De Spie en De Teut geen deel uitmaken van het verkavelingsplan, gelet op de strijdigheid met de gewestplanbestemming. Deze voorzichtige houding kan de [verzoekende partij] en [GSA] echter niet baten.
De BPA’s nr. 29 en nr. 30 zijn immers voor de totaliteit onwettig daar waar deze het gewestplan hervormd hebben, zonder passende ‘Heylentoets’. Uiteraard heeft de [heer Valcke] alle belang om deze onwettigheid in te roepen nu deze invloed heeft op het gehele BPA”.
24. Het middel dat ervan uitgaat dat het gedeeltelijk buiten toepassing laten door de RvVb van het kwestieuze BPA, aldus beperkt tot de genoemde gronden “De Spie” en “De Teut”, de heer Valcke volledige genoegdoening zou hebben gegeven, mist feitelijke grondslag.
Derde onderdeel
25. Het arrest van de RvVb antwoordt, zoals blijkt uit de geciteerde overwegingen in randnummer 19, op het subsidiair gevoerde verweer van de verzoekende partij tegen het eerste middel van de heer Valcke.
26. Het derde middelonderdeel wordt verworpen.
VII-39.879-12/15
27. Het tweede middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van de verzoekende partij
28. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
De verzoekende partij betoogt dat de RvVb in het bestreden arrest op onwettige wijze de tussenkomende partij bij wege van injunctie heeft opgelegd om binnen een termijn van vier maanden opnieuw uitspraak te doen over haar verkavelingsaanvraag. Zij merkt op dat de partijen in het geding voor de RvVb nog over een termijn van 30 dagen beschikten om een cassatievoorziening bij de Raad van State aan te tekenen, en dat in dat geval de cassatieprocedure wordt geïnitieerd die leidt tot een arrest van de Raad van State dat tussenkomt na een (orde)termijn van zes maanden te rekenen vanaf de toelaatbaarverklaring van het cassatieberoep. Met andere woorden moet de tussenkomende partij een beslissing nemen voordat de Raad van State zich als cassatierechter kan uitspreken over de zaak, en die beslissing kan “volkomen onbestaanbaar zijn met de latere uitslag van de cassatieprocedure”. Eén en ander kan volgens de verzoekende partij “een carrousel van procedures” in gang zetten, nu die nieuwe beslissing van de tussenkomende partij op zijn beurt aangevochten kan (en misschien zelfs moet)
worden. Een injunctietermijn die ingaat voordat het arrest van de RvVb in kracht van gewijsde is gegaan is volgens de verzoekende partij dan ook niet te rijmen met artikel 6.1 EVRM “dat een eerlijk proces waarborgt zonder nodeloze procedurecarrousels en overbodig formalisme”.
VII-39.879-13/15
Beoordeling
29. De vernietiging door de Raad van State van het vernietigingsarrest van de RvVb omvat de vernietiging in van het gebeurlijke bevel van de RvVb aan de verwerende partij om een nieuwe beslissing te nemen.
30. Het middel dat uitgaat van de onbestaanbaarheid van het bevel van de RvVb “met de latere uitslag van de cassatieprocedure”, meer bepaald een vernietigingsarrest van de Raad van State, mist feitelijke grondslag.
31. Het derde middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
VII-39.879-14/15
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.879-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.292