Court dismisses urgent suspension request as administrative order merely refers file for re-examination without ordering immediate stoppage.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Bruno Drieskens' request to suspend the enforcement of an administrative decision refusing to impose measures on a heliport operator. The court found that the contested decision did not order an immediate cessation of activities but merely returned the file for re-examination by the first-instance authority. Consequently, the applicant failed to demonstrate the urgent and irreparable harm required to justify suspending enforcement under the relevant procedural law.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1, second paragraph; Article 4, § 4 of the Royal Decree of 5 December 1991 on summary proceedings: A request for suspension of enforcement is inadmissible if the contested decision does not order an immediate cessation of activities and the applicant fails to prove urgent and irreparable harm.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.244 van 28 september 2017
in de zaak A. 222.184/VII-39.984.
In zake : de NV HELI SERVICE BELGIUM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
Bruno DRIESKENS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 12 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 maart 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 21 december 2016, houdende afwijzing van het verzoek om jegens de NV Heli Service Belgium bestuurlijke maatregelen op te leggen, gegrond wordt verklaard en het dossier wordt teruggestuurd om het verzoek tot het opleggen van
VII-39.984-1/7
bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Joëlle Gillemot en Emile Plas, die loco advocaat Peter Flamey verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Yannick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Kurt Stas, die loco advocaat Filip De Preter verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij exploiteert een helihaven aan de Pepingsesteenweg te Sint-Pieters-Leeuw. Bij besluit van 19 november 2015 heeft de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, mits naleving van een aantal bijzondere voorwaarden, vergunning verleend voor het verder exploiteren van de inrichting.
VII-39.984-2/7
3.2. Op 2 november 2016 richt de tussenkomende partij aan de afdeling Milieu-inspectie een verzoek om aan de verzoekende partij bestuurlijke maatregelen op te leggen. De tussenkomende partij is van mening dat de milieuvergunning voor de helihaven van 19 november 2015 geschorst is wegens het ontbreken van de vereiste stedenbouwkundige vergunning, ten gevolge waarvan de exploitatie van de helihaven “onwettig plaatsvindt”.
De afdeling Milieu-inspectie stuurt het verzoek door naar de gemeentelijke toezichthouder.
3.3. De burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw beslist op 21 december 2016 om het verzoek niet in te willigen. Deze afwijzende beslissing steunt op de volgende motieven:
“Naar aanleiding van uw bijkomend verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel bij Heliservice Belgium nv kunnen wij u laten weten dat uw verzoek onontvankelijk is omdat:
-de vergunning van 19/11/2015 niet geschorst is omdat er een vernietigingsberoep is ingediend bij de Raad van State.
-de verhardingen waarvan sprake in 3.2 van het verzoek maken volgens de milieuvergunningsaanvraag geen deel uit van de exploitatie „Helihaven D-BERK2-I5G31-23476‟.
Het is bijgevolg niet aannemelijk dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is bij de uitvoering van de milieuvergunning D-BERK2-I5G31-23476”.
3.4. Tegen voormelde beslissing stelt de tussenkomende partij op 6 januari 2017 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
3.5. Met het thans bestreden besluit van 10 maart 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep gegrond. Overeenkomstig artikel 67 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995
houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieuhandhavingsbesluit) wordt het dossier teruggestuurd naar de in
VII-39.984-3/7
eerste aanleg bevoegde instantie teneinde het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen.
IV. Tussenkomst
4. Met een op 29 mei 2017 ingediend verzoekschrift vraagt Bruno Drieskens om in het geding te mogen tussenkomen.
Er is grond om dat verzoek in te willigen.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering.
6. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
VI. Onderzoek van de vordering
7. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
VII-39.984-4/7
Spoedeisendheid
8. De verzoekende partij staaft de spoedeisendheid van haar vordering als volgt:
“In huidig geval is het zo dat door de bestreden beslissing, niettegenstaande een verwijzing naar de gemeente Sint-Pieters-Leeuw werd opgelegd tot heroverweging van het ingestelde verzoek tot opleggen van de bestuurlijke maatregel, in essentie reeds de stopzetting van de exploitatie wordt bevolen.
Zoals uw Raad reeds heeft erkend, kan de gemeente Sint-Pieters-Leeuw noodzakelijkerwijze niet anders beslissen dan wat de Minister heeft besloten.
Wanneer wordt vastgesteld dat een vergunningsplichtige inrichting zonder de vereiste milieuvergunning wordt geëxploiteerd, dringt zich namelijk de stopzetting van de betrokken handelingen of activiteiten op (artikel 16.4.7, § 2, 1°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid) (zie ook RvS nr. 236.287 van 27 oktober 2016).
Het is dan ook duidelijk dat huidige vordering tot schorsing van de bestreden beslissing is gekoppeld aan een spoedeisendheid die gerelateerd is aan de feiten. Immers zal de schorsing van de bestreden beslissing tot gevolg hebben dat de gemeente Sint-Pieters-Leeuw zich niet langer gebonden zal weten door de bestreden beslissing en dat geen bestuurlijke maatregelen moeten worden opgelegd voorafgaandelijk aan een beoordeling ten gronde aangaande de bestreden beslissing door Uw Raad.
De spoedeisendheid kan niet worden ontkend. Verzoekende partij kan immers niet het resultaat van de vernietigingsprocedure van de huidige bestreden beslissing afwachten, aangezien zij zich op dat ogenblik in een toestand zal bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen als gevolg van de op te leggen stillegging van de exploitatie. Deze onherroepelijke schadelijke gevolgen kunnen enkel worden vermeden door een schorsing te bevelen van de bestreden beslissing”.
Beoordeling
9. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te
VII-39.984-5/7
brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.
De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
10. Met haar vordering anticipeert de verzoekende partij op de onherroepelijke schadelijke gevolgen die zouden voortspruiten uit een gedwongen “stillegging van de exploitatie”. Het bestreden besluit strekt echter niet tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel waarbij de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten effectief wordt bevolen. Het dossier wordt in toepassing van artikel 67 van het milieuhandhavingsbesluit enkel terugverwezen naar de in eerste aanleg bevoegde instantie om het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen. Daarbij geeft de verwerende partij in de bestreden beslissing aan dat het “niet duidelijk is of verwerende partij [versta: de in eerste aanleg bevoegde instantie] ter plaatse toezicht heeft laten uitvoeren volgend op het verzoek van beroepsindiener” en dat het “op het eerste zicht niet onredelijk was geweest om ter plaatse toezicht uit te oefenen om na te gaan of een bestuurlijke maatregel moest worden opgelegd om te vermijden dat de verhardingen naast de loods verder zouden worden gebruikt in het kader van de helihaven”. Slotsom is dat het volgens de verwerende partij “aannemelijk” is dat er in hoofde van de vermoedelijke overtreder sprake is van een milieumisdrijf. De verzoekende partij baseert haar uiteenzetting dan ook onterecht op de vooronderstelling dat “in essentie reeds de stopzetting van de exploitatie wordt bevolen” wegens het ontbreken van de vereiste milieuvergunning.
De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.
VII-39.984-6/7
11. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
VII. Kosten
12. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
BESLISSING
1. Het verzoek van Bruno Drieskens tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.984-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.244