Court dismisses urgent suspension request as client failed to prove urgent need or irreparable harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of administrative measures against a transport company. The applicant argued that the measures caused irreparable harm by threatening immediate loss of contracts, but the court found this claim unsubstantiated. The court determined the case was not urgent because the applicant could not demonstrate that waiting for the main proceedings would result in irreversible damage.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 17, § 1, 2de lid; Art. 4, § 2; A vordering tot schorsing vereist een concreet bewijs van spoedeisendheid en onherroepelijke schade; de vordering wordt afgewezen indien de verzoekende partij niet aantoont dat het resultaat van de procedure niet kan worden afgewacht.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.243 van 28 september 2017
in de zaak A. 222.155/VII-39.978.
In zake : de BVBA TRANSPORT FREDDY
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Donald Stockmans kantoor houdend te 1760 Roosdaal Ninoofsesteenweg 101
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 8 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 1 maart 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de gemeentelijke toezichthouder van de gemeente Roosdaal van 15 november 2016, houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen aan de BVBA Transport Freddy en Freddy Stevens, ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
VII-39.978-1/8
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Joëlle Gillemot, die loco advocaat Donald Stockmans verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yannick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij exploiteert een transportbedrijf aan de Kerkveldstraat 11 te Roosdaal.
3.2. Bij besluit van 26 juli 1999 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal akte genomen van de melding van de verandering van een klasse 3 ingedeelde inrichting, voortaan omvattende:
“- 3 trekkers en 4 opleggers gestald al dan niet in een overdekte ruimte, rubriek 15.1.1;
- de opslag van 12 500 1 diesel in 2 bovengrondse dubbelwandige tanken, rubriek 17.3.6.1.b;
- één verdeelpomp, rubriek 17.3.9.1;
- de opslag van 400 1 olie, rubriek 17.3.7.1;
- de lozing van bedrijfsafvalwater (hemelwater mogelijks bevuild met koolwaterstoffen na de olie-benzineafscheider), rubriek 3.1.1;
VII-39.978-2/8
- het wassen van voertuigen, rubriek 15.4;
- volgende niet-ingedeelde inrichtingen zoals antigel tot 10 kg en de opslag van corrosief reinigingsmiddel tot 200 kg”.
3.3. Op 29 augustus 2016 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Roosdaal een besluit waarbij “met [het] oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving” aan de verzoekende partij de volgende bijzondere milieuvoorwaarden worden opgelegd:
“- het verbod op het plaatsen van aanhangwagens met koelgroepen ten einde de geluidshinder veroorzaakt door de koelgroepen in werking op de directe omgeving te verhinderen. De maatregel dringt zich op omdat de exploitant er niet in slaagt om het bepaalde in artikel 5.15.0.6 van het Vlarem II na te leven;
- de te gebruiken oppervlakte voor het stallen van transporteenheden beperken tot het geasfalteerde deel vóór de voetweg (Molenweg) zodat het aantal beperkt blijft tot het aantal van 7 (zeven) waarvoor een recht op uitbating bekomen is op basis van de akteneming van 26 juli 1999. Dit beperkt ook de geluidshinder van aankomend en vertrekkend transport”.
Tegen voormelde beslissing heeft de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaak A. 220.760/VII-39.839).
3.4. Op 15 november 2016 richt de gemeentelijke toezichthouder een bevel aan de zaakvoerder van de verzoekende partij ertoe strekkende “de naleving van de regelgeving en de opgelegde bijzondere voorwaarden met spoed uit te voeren, ten laatste 1 maart 2017”. Dit bevel steunt op de motivering dat “de zaakvoerder nog altijd geen gevolg heeft [lees: geeft] aan het naleven van de wetgeving; het stallen van voertuigen en/of aanhangwagens in een aantal dat de draagkracht van het perceel overschrijdt; de ambtshalve opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden door het college van burgemeester en schepenen bij akteneming op 29 augustus 2016 en gelet op de opgestarte herlocalisatie”.
3.5. De verzoekende partij stelt tegen de opgelegde bestuurlijke maatregel beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
VII-39.978-3/8
3.6. Met het thans bestreden besluit van 1 maart 2017 wordt het beroep door de minister ongegrond verklaard en wordt de bestuurlijke maatregel bevestigd.
IV. Onderzoek van de vordering
4. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.
Spoedeisendheid
5. De verzoekende partij staaft de spoedeisendheid van de vordering als volgt:
“[…] Overwegende dat zoals hoger reeds uiteen gezet, het bedrijf van verzoekster op het adres Kerkveldstraat 11 te Roosdaal actief is als transportbedrijf sinds 1975 en bijgevolg reeds van vóór de vastlegging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (KB van 7 maart 1977).
[…] Dat niettegenstaande dit gegeven verzoekster zich veertig jaar later geconfronteerd zag met een proces-verbaal van bouwmisdrijf in datum van 9 maart 2015.
Dat een en ander betrekking had/heeft op de steenverharding op het achtergelegen perceel teneinde dit dienstig te maken als parking voor de vrachtwagens.
Dat verzoekster een regularisatieaanvraag indiende, doch deze werd geweigerd door het CBS ROOSDAAL en vervolgens ook in de berooepsprocedure bij de DEPUTATIE.
Dat momenteel een beroepsprocedure nog hangende is voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
Dat enkel een aantal klachten geuit door een aantal buurtbewoners aan de basis lagen van een en ander.
[…] Dat vervolgens verzoekster „gezocht‟ werd op milieuvlak door het indienen van onterechte klachten over geluidshinder en bodemverontreiniging.
Dat als gevolg van deze klachten er door het CBS ROOSDAAL er bijzondere voorwaarden werden opgelegd, gevolgd door een bestuurlijke
VII-39.978-4/8
maatregel.
Dat het tegen deze hoger reeds uitvoerig omschreven bestuurlijke maatregel dat verzoekster in beroep kwam bij verweerster, die dit beroep afketste als ongegrond, evenwel ten onrechte zoals uit de middelen blijkt.
[…] Dat verzoekster, de pesterijen van de buren beu zijnde er op een bepaald ogenblik voor gekozen heeft om uit te zien naar een andere locatie, dewelke ze ondertussen vond in de industriezone „Begijnenmeers‟ te Liedekerke (zie bijlagen bij de bestuurlijke maatregel).
Dat aldus een grond werd aangekocht en ontdaan van het welig woekerend onkruid.
Dat zowel een stedenbouwkundige vergunning als een milieuvergunning werd aangevraagd, doch dat een en ander nog niet rond is.
Dat pas als de vergunningen afgeleverd worden er daadwerkelijk een aanvang kan genomen worden met de aanleg van het terrein en de oprichting van noodzakelijke bouwwerken.
Dat de raadsman van verzoekster trouwens uitdrukkelijk in zijn schrijven van 8 augustus 2016 aan het CBS te ROOSDAAL én aan de milieuambtenaar - toezichthouder, heeft medegedeeld dat er werk wordt gemaakt van een nieuwe locatie, zodat de herlocalisering eind 2017 zou kunnen aanvangen.
[…] Dat men vanuit het CBS weigert met deze omstandigheden rekening te houden gezien de genomen beslissingen.
Dat zoals hoger reeds uiteengezet bestaat één der voorwaarden er in dat er geen opleggers met koelgroepen mogen geplaatst worden.
Dat de opleggersvloot van verzoekster echter enkel opleggers met koelgroepen telt. Dat verzoekster overwegend verse produkten vervoert.
Dat de normale werking van het bedrijf in het gedrang wordt gebracht door het totaal verbod op het stallen van opleggers met koelgroepen (al dan niet in werking).
Dat het onontbeerlijk is dat de chauffeurs zich voor en na hun rit, naar de maatschappelijke zetel begeven voor de nodige onderrichtingen alsook ter regeling van de administratieve rompslomp.
Dat het bedrijf van verzoekster momenteel volgende personen tewerk stelt:
- 13 vaste chauffeurs.
- 3 chauffeurs die werken met dagcontracten in drukke periodes en in het kader van de opvang van het weekendwerk.
- de zaakvoerder - 1 bediende.
[…] Dat in afwachting van de verhuis naar Liedekerke, is het verzoekster totaal onmogelijk en heeft zij ook geen enkel middel om haar vloot aan trekkers en opleggers elders te stallen.
Dat de recente maatregel van CBS en gemeenteraad bevattende een parkeerverbod in het centrum van Strijtem maakt dat verzoekster zich genoodzaakt ziet om haar wagenpark her en der langsheen de openbare weg te stallen op ettelijke kilometers vandaan van de maatschappelijke zetel.
Dat een en ander voor verzoekster een zeer groot risico op diefstal en vandalisme met zich meebrengt, hetgeen verzoekster ondertussen al concreet aan den lijve mocht ondervinden.
Dat een vaste standplaats voor alle voertuigen van verzoekster quasi
VII-39.978-5/8
onvindbaar is, laat staan betaalbaar.
Dat uit een offerte van de N.V. CAMMAERT blijkt dat de dagelijkse staankost voor een trekker 10,00 EUR. bedraagt en voor een oplegger 15,00 EUR.
Het transportbedrijf van verzoekster beschikt over een vloot van 15 trekkers en 22 opleggers:
15 trekkers x 10,00 EUR. = 150,00 EUR.
22 opleggers x 15,00 EUR. = 330,00 EUR.
Dat men aldus tot een totale dagelijkse stallingkost zou komen van 480,00 EUR. excl. BTW, hetzij op maandbasis maar liefst 144.000,00 EUR.
Daarbij loopt natuurlijk ook de kostprijs van de financiering van de nieuwe locatie.
[…] Dat los van de financiële schade en mede gelet op het totaal verbod van koelgroepen al dan niet in werking, de dagelijkse organisatie van het bedrijf volledig in het honderd dreigt te lopen.
Dat er overdag natuurlijk op het adres van verzoekster tal van opdrachten binnen lopen, soms nog dezelfde dag uit te voeren.
Dat bij een normale organisatie men er natuurlijk enig zicht op heeft wanneer een chauffeur na het volbrengen van zijn opdracht opnieuw beschikbaar is voor een nieuwe opdracht, of een andere chauffeur na de taak van diens collega met dezelfde trekker en oplegger aan een nieuwe opdracht kan beginnen.
Dat dit nu totaal onmogelijk gemaakt wordt aangezien geen enkele oplegger van het bedrijf nog terecht kan op het adres van het bedrijf.
Dat de werknemers van het bedrijf dus naar een andere plaats dienen te rijden om van daaruit zonder trekker en oplegger zich naar het bedrijf te begeven en dit alleen al in het kader van de administratieve verplichtingen die bij een en ander komen kijken.
Dat op dergelijke wijze heel wat kostbare tijd verloren gaat en de aangeboden opdrachten niet langer stipt kunnen uitgevoerd worden.
Dat wanneer dergelijke toestand blijft aanhouden in deze door zeer grote concurrentie gekenmerkte transportsector, verzoekster niet langer concurrentieel zal kunnen blijven functioneren met alle gevolgen van dien voor de toekomst van het bedrijf.
Dat de klachten over geluidshinder die door geen enkele objectieve instantie tot op heden werd gemeten en dus eigenlijk als onbestaande moet beschouwd worden onmogelijk kunnen opwegen tegen de zeer grote ongemakken die het bedrijf tengevolge van de maatregel ondervindt.
Dat verzoekster aldus een moeilijk te herstellen nadeel dreigt te ondergaan aangezien hij tengevolge van de maatregel op korte termijn opdrachtgevers dreigt te verliezen aan de concurrentie omdat zij niet in dezelfde optimale omstandigheden als voorheen deze opdrachten kan uitvoeren”.
VII-39.978-6/8
Beoordeling
6. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
De verzoekende partij moet daarbij concreet aantonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Zij moet eigen, specifieke gegevens aanbrengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
7. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partij blijkt dat zij de nadelen die een schorsingsarrest moet afwenden, stoelt op de omstandigheid dat zij een transportbedrijf exploiteert met “15 trekkers en 22 opleggers” en een personeelsbestand van “13 vaste chauffeurs”. Blijkens de aktename van 26 juli 1999 heeft de verzoekende partij melding gedaan van de exploitatie van een transportbedrijf bestaande uit slechts “3 trekkers en 4 opleggers”. Artikel 4, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat “niemand [...], zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die in de derde klasse is ingedeeld en geen onderdeel is van een inrichting die in de eerste of tweede klasse is ingedeeld, [mag] exploiteren of veranderen”. Het streven om een bestaande onwettige situatie in stand te houden, vormt geen aanvaardbare rechtvaardiging voor een spoedeisende behandeling van de zaak.
De zaak is niet spoedeisend.
VII-39.978-7/8
8. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
V. Kosten
9. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.978-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.243