Court dismisses suspension request for wind turbine permit due to lack of proven urgency and specific damages.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicants' request to suspend the enforcement of a wind turbine permit decision. The applicants argued that the permit's implementation would cause visual nuisance and other harms, but the court found their evidence insufficient to prove irreparable damage. Consequently, the court ruled that the statutory requirements for establishing urgency were not met, leading to the rejection of the suspension plea.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1, second paragraph; Article 17, § 2 of the Coordinated Laws on the Council of State; Article 8, first paragraph, 4° of the Royal Decree of 5 December 1991: A request for suspension is rejected if the applicant fails to demonstrate, with concrete facts, that the enforcement of the contested decision will result in irreparable harmful consequences.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 239.242 van 28 september 2017
in de zaak A. 222.196/VII-39.987.
In zake : 1. Roger BRACKE
wonende te 9080 Beervelde Raveschoot 11
alwaar woonplaats wordt gekozen 2. Nicolas VANRIJCKEGHEM
wonende te 9080 Beervelde Hanselaarstraat 43
alwaar woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV EDF LUMINUS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Blockeel en Jozef Timmermans kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 15 mei 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 13 maart 2017 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 1 september 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV EDF Luminus
VII-39.987-1/7
voor het veranderen van een windturbinepark, gelegen aan het Cootveld, D‟Heystraat en de Raveschoot te Lochristi, ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september 2017.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
De verzoekers, die in persoon verschijnen, advocaat Yannick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jozef Timmermans, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De tussenkomende partij exploiteert een windturbinepark, bestaande uit twee windturbines, te Lochristi.
VII-39.987-2/7
3.2. Op 5 februari 2016 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in om het bestaande park uit te breiden met een derde turbine.
3.3. Bij besluit van 1 september 2016 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunning voor de bijkomende windturbine. De vergunning voor de tijdelijke bronbemaling van grondwater wordt echter geweigerd.
3.4. Zeven omwonenden, waaronder de verzoekers, stellen bij de bevoegde Vlaamse minister bestuurlijk beroep in.
3.5. Met het thans bestreden besluit van 13 maart 2017 wijst de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep als ongegrond af en bevestigt zij de door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen verleende vergunning.
IV. Tussenkomst
4. Met een op 2 juni 2017 ingediend verzoekschrift vraagt de NV EDF Luminus om in het geding te mogen tussenkomen.
Er is grond om dat verzoek in te willigen.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. De verwerende partij, daarin bijgetreden door de tussenkomende partij, betwist de ontvankelijkheid van de vordering.
6. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor
VII-39.987-3/7
schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.
VI. Onderzoek van de vordering
7. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden.
Spoedeisendheid
8. Onder het opschrift “Derde middel: Ernstig en moeilijk te herstellen nadeel” zetten de verzoekers het volgende uiteen:
“De tenuitvoerlegging van de vergunning zou het leefklimaat van de verzoekers en hun beleving van de onmiddellijke omgeving zeer nadelig beïnvloeden ingevolge de bestendige, nooit ophoudende, visuele hinder en geluidshinder die [leiden] tot slaapstoornissen en gezondheidsproblemen.
Zoals reeds aangestipt woont de eerste verzoekende partij zuidwaarts van de inplantingsplaats op een afstand van ongeveer 210 m. Zijn woning is van het gelijkvloerse type en hij zal vanuit zijn slaapkamer en van zodra hij zijn woning verlaat steeds geconfronteerd worden met drie dag-in-dag-uit molenwiekende windturbine die tot 150 m in de lucht zal reiken. Het zal het eerste zijn wat hij ziet wanneer hij „s morgens opstaat en het laatste wanneer hij „s avonds slapen gaat. De rotoren zullen bovendien bestendig zorgen voor supplementaire geluidshinder, die al naar gelang de windrichting sterker zal zijn.
Daardoor zal de nu reeds bestaande geluidsoverlast ingevolge de aanwezigheid van de E17 nog toenemen. Dit vooral tijdens de avonden, nachten en weekends.
De eerste verzoekende partij ziet trouwens al zuidwaarts op 350m een windturbine staan. Deze 3e windturbine komt op slechts 210m ten noorden van zijn woning te staan, met enkel open veld tussen woning en windturbine.
Ook te dezen is het vooral het aspect „voortdurend‟ dat de geluidshinder een bijzonder ernstig en moeilijk te dragen karakter heeft dat, eenmaal ondergaan, niet meer kan goedgemaakt worden.
Verzoekende partijen stellen dat ze een zéér ernstig nadeel ondervinden, dat door een later komend annulatiearrest niet meer kan worden goedgemaakt.
Verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de vernietiging van de
VII-39.987-4/7
milieuvergunning, zonder deze vergunning eerst te schorsen, niet volstaat om een gebeurlijk nadeel in hun hoofde te vermijden”.
Beoordeling
9. Artikel 6 van de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State heeft de schorsingsvoorwaarde van het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”
vervangen door deze van de “spoedeisendheid”.
Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift voortaan “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”.
Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.
De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
10. Het verzoekschrift bevat een uiteenzetting van het “ernstig en moeilijk te herstellen nadeel”. Die uiteenzetting kan slechts in aanmerking worden genomen voor zover daaruit de feiten die de spoedeisendheid van de vordering verantwoorden, op voldoende duidelijke wijze blijken.
VII-39.987-5/7
11. Ofschoon de verzoekers met hun uiteenzetting in redelijkheid doen aannemen dat zij in zekere mate hinder of nadeel dreigen te ondervinden door de met het bestreden besluit vergunde windturbine, tonen zij niet met concrete en overtuigende gegevens aan dat het verstrijken van de tijd in afwachting van een uitspraak ten gronde leidt tot onherroepelijke schadelijke gevolgen.
In zoverre zij, zelfs in hoofdzaak, wijzen op de visuele hinder die door de vergunde windturbine wordt teweeggebracht, is dit ongemak in wezen niet toe te schrijven aan de tenuitvoerlegging van de thans bestreden milieuvergunning, maar wel aan de verleende stedenbouwkundige vergunning. In dit verband verklaren de verzoekers ter terechtzitting dat zij de corresponderende stedenbouwkundige vergunning evenwel niet hebben aangevochten.
De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond.
12. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
VII. Kosten
13. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
VII-39.987-6/7
BESLISSING
1. Het verzoek van de NV EDF Luminus tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-39.987-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.242