Cassation appeal against planning permit revocation dismissed due to lack of factual grounds and improper argument extension.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the cassation appeal filed by Mr. Meert against a ruling that revoked a planning permit for a new house. The appellant argued the lower court incorrectly assessed the need for a derogation and ignored the opposing party's arguments regarding the building's dominance. The court rejected these claims, finding the challenged ruling relied on valid reasons and that the appellant's new arguments lacked factual basis or were improperly extended.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4.4.10 juncto 4.4.13, 4.4.14 and 4.8.2 of the Flemish Spatial Planning Code; A cassation appeal is inadmissible if the challenged ruling is based on valid reasons and the appellant fails to provide factual grounds for their claims or improperly extends arguments.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 239.238 van 28 september 2017
in de zaak A. 220.350/VII-39.802.
In zake : André MEERT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de LEIDEND AMBTENAAR VAN
HET DEPARTEMENT RWO
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1516/1470 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 23 augustus 2016 in de zaak 1314/0720/A/7/0740.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 237.874 van 31 maart 2017 is het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek van de zaak.
VII-39.802-1/10
Auditeur An Van Den Broeck heeft een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2017.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Caroline Zachee, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor verzoeker, en advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Met een besluit van 12 juni 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan de heer Meert “voor het slopen van een bestaande woning en het nieuw bouwen van een eengezinswoning”.
3.2. Het bestreden arrest vernietigt de vergunningsbeslissing van 12 juni 2014 en beveelt de deputatie een nieuwe beslissing te nemen binnen een
VII-39.802-2/10
vervaltermijn van vier maanden.
IV. Onderzoek van het tweede en derde onderdeel van het enige middel
A. Uiteenzetting van het tweede middelonderdeel
4. De heer Meert voert de schending aan van artikel 4.4.10 juncto 4.4.13, 4.4.14 en 4.8.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO):
“DOORDAT de bodemrechter het onderzoek door de deputatie naar de toepasbaarheid van een afwijkingsregeling foutief heeft beoordeeld, de argumentatie in de antwoordnota van verwerende partij volkomen terzijde schuift, en tevens elementen buiten de bestreden beslissing op een foutieve wijze interpreteert, TERWIJL rekening gehouden dient te worden met de feitelijke kwalificatie en met de argumentatie van verwerende partij in haar antwoordnota.
EN TERWIJL de bodemrechter op niet marginale wijze een kwalificatie van de feiten heeft gehouden en hierbij de door de deputatie gemaakte kwalificatie ter zijde heeft geschoven zonder vast te stellen of te motiveren dat deze foutief of kennelijk onredelijk is”.
Hij licht toe dat de deputatie in de vergunningsbeslissing van 12 juni 2014 overweegt dat de inplantingsplaats behouden blijft en in de antwoordnota voor de RvVb stelt dat het aanhalen van artikel 4.4.14 VCRO een materiële vergissing is en dat het bestreden arrest “op geen enkele manier rekening [houdt] met de argumentatie van de [deputatie]”. Het bestreden arrest houdt evenmin rekening met het standpunt van de deputatie in de antwoordnota waaruit duidelijk blijkt “dat de nieuwe woning voor ten minste drie kwart met de bestaande woonoppervlakte overlapt”. Het bestreden arrest is behept met “een foutieve beoordeling” door de voormelde vergunningsbeslissing onjuist te interpreteren en geen rekening te houden met de argumentatie van de deputatie.
Hij stelt voorts dat de RvVb “zonder meer vaststelt dat er uitgegaan dient te worden van een andere feitelijke kwalificatie dan degene die de deputatie gemaakt heeft, zonder vast te stellen dat de gemaakte kwalificatie steunt
VII-39.802-3/10
op foutieve elementen of kennelijk onredelijk is” en bijgevolg “de hem opgedragen bevoegdheid uit art. 4.8.2 VCRO heeft overschreden en zelf een directe kwalificatie van de feiten heeft gemaakt” en artikel 149 van de Grondwet heeft geschonden “nu hij niet aangeeft waarom de kwalificatie van de feiten die gemaakt werd door de deputatie omtrent de afwezigheid van bedrijvigheid onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn en ter zijde kan worden geschoven”.
Hij voegt in de memorie van wederantwoord toe dat “de RvVb tegenstrijdig [is] in [zijn] motieven nu [hij] in [zijn] bestreden arrest beweert dat de bestreden beslissing van de [d]eputatie ‘geen blijk van enig concreet onderzoek’ geeft naar welke afwijkingsregeling van toepassing is, terwijl [hij] zelf in [zijn]
bestreden arrest opneemt dat de [d]eputatie in haar beslissing heeft vastgesteld of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 4.4.13 VCRO”.
Beoordeling
5. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuurrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
In zoverre het middel aanvoert dat het bestreden arrest is behept met “een foutieve beoordeling” door de voormelde vergunningsbeslissing onjuist te interpreteren, noopt het de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf en is het daarom onontvankelijk.
6. Het middel gaat terug op de gegrondverklaring van het eerste onderdeel van het enige middel van de leidend ambtenaar waarin hij onder meer “in essentie [betoogt] dat de [deputatie] niet zorgvuldig heeft onderzocht welke decretale afwijkingsregeling voor zonevreemde woningen van toepassing was”.
VII-39.802-4/10
De gegrondverklaring van dit middelonderdeel van de leidend ambtenaar is met redenen omkleed en voldoet bijgevolg aan de vereiste in artikel 149 van de Grondwet.
7. Het bestreden arrest besluit dat de bestreden vergunningsbeslissing van 12 juni 2014 “geen blijk [geeft] van enig concreet onderzoek naar welke afwijkingsregeling van toepassing is op de aanvraag, en biedt onder meer geen inzicht in de vraag of artikel 4.4.13 dan wel artikel 4.4.14
VCRO diende te worden toegepast” hoewel dit “in het bijzonder relevant [is]
aangezien artikel 4.4.14 VCRO melding maakt van andere voorwaarden” dan artikel 4.4.13 VCRO.
Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “zonder meer vaststelt dat er uitgegaan dient te worden van een andere feitelijke kwalificatie dan degene die de deputatie gemaakt heeft” en “zelf een directe kwalificatie van de feiten heeft gemaakt” mist, gelet op het besluit tot de gegrondverklaring van dat eerste middelonderdeel van de leidend ambtenaar, feitelijke grondslag.
8. Het bestreden arrest overweegt in de beoordeling van hetzelfde eerste middelonderdeel van de leidend ambtenaar dat de deputatie en de heer Meert “in hun respectieve[...] nota’s [bevestigen] dat de [deputatie] wel degelijk artikel 4.4.10, § 1 juncto artikel 4.4.13 VCRO [...] heeft toegepast” en wat de deputatie in haar nota “heeft vastgesteld”.
Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest geen rekening houdt met de argumentatie van de deputatie mist feitelijke grondslag.
9. In zoverre de heer Meert in de memorie van wederantwoord voor het eerst het bestreden arrest tegenstrijdige motieven aanwrijft, breidt hij het tweede middelonderdeel op onontvankelijke wijze uit.
10. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.
VII-39.802-5/10
B. Uiteenzetting van het derde middelonderdeel
11. De heer Meert voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO:
“DOORDAT de bodemrechter geen rekening houdt met de uitgebreide motivatie van de deputatie in zijn geheel, ter beoordeling van artikel 4.3.1 ,§2, eerste lid VCRO en besluit dat de deputatie voor wat betreft een bepaald aspect in haar motivering de loutere stijlformule niet overstijgt, TERWIJL rekening gehouden dient te worden met de gehele motivatie van de deputatie over de ligging van de aanvraag in relatie tot de bouwvolume en de bezetting”.
Hij betoogt dat de motivering van de deputatie met betrekking tot de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening in haar geheel door de RvVb moet worden beoordeeld en dat de RvVb “zich op één enkele zin van de motivatie van [de] deputatie [baseert] om tot de beoordeling te komen dat de motivatie van de deputatie voor wat betreft [het] bouwvolume en bezetting de loutere stijlformule niet overschrijdt”. Hij stelt dat de deputatie “motiveert […] dat de nieuwe woning aansluit op een bestaand woonlint en zich situeert tegenover een omvangrijke woonwijk” en “laat […] noteren dat de aanvraag gesitueerd is in sterk aangetast en achterhaald agrarisch gebied”, dat “[i]ndien de [RvVb] de motivatie van de deputatie in haar geheel had beoordeeld, dient te worden vastgesteld dat deze voldoende argumentatie bevat om op een afdoende wijze de bezetting en het bouwvolume van de aanvraag te verantwoorden” en dat “het bouwvolume door de [RvVb] verkeerd [werd] beoordeeld”.
Hij voegt in de memorie van wederantwoord toe dat het bestreden arrest door “de beoordeling door de [d]eputatie [die] argumenten bevat aangaande de verschijningsvorm, de omgeving, de ligging, het bouwvolume en de bezetting” te citeren “tegenstrijdig [is] in [zijn] motieven door te argumenteren dat deze beoordeling de loutere stijlformule niet overstijgt” en “uit[gaat] van een andere feitelijke kwalificatie zonder te motiveren waarom de beoordeling door de
VII-39.802-6/10
[d]eputatie van de goede ruimtelijke ordening kennelijk onjuist of onredelijk zou zijn”.
Beoordeling
12. Het middel gaat terug op de gegrondverklaring van het derde onderdeel van het enige middel van de leidend ambtenaar waarin hij “in essentie [argumenteert] dat de [deputatie] de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening niet afdoende onderzocht heeft”.
13. Het bestreden arrest verklaart dit middelonderdeel van de leidend ambtenaar gegrond na het aanhalen van het toepasselijke artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO en vervolgens door onder meer te overwegen wat volgt:
“De verwerende partij motiveert de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening als volgt:
‘…
De goede ruimtelijke ordening Voorliggende aanvraag beoogt het slopen van de bestaande bebouwing voor herbouw van een woning dewelke, zoals uit voorgaande komt vast te staan, ressorteert onder het toepassingsgebied van de ‘basisrechten voor zonevreemde constructies’.
In tegenstelling daarmee is de PSA van oordeel dat […].
Het standpunt van de PSA kan niet worden bijgetreden.
De nieuw op te richten woning sluit aan op een bestaand woonlint aan dezelfde zijde van Bosveld en situeert zich tegenover een omvangrijke woonwijk gerealiseerd binnen het woonuitbreidingsgebied.
De aanvraag situeert zich binnen een afgezonderd beperkt agrarisch gebied, dat op historische gronden (omwille van toenmalig aanwezige serres) werd bevestigd in het gewestplan.
De aanvraag bevindt zich dan ook binnen een sterk aangetast en/of achterhaald agrarisch gebied aan de zijde van Bosveld en binnen een omgeving welke mede wordt gekenmerkt door residentiële bebouwing.
De visie van het college van burgemeester en schepenen, als best geplaatste instantie om de plaatselijke aanleg te beoordelen, kan worden bijgetreden voor wat betreft de omstandigheid dat het ontwerp een betere plaatselijke aanleg oplevert.
De aangevraagde nieuwbouw getuigt zowel in zijn concept, als materiaalgebruik van een hoge kwaliteit, welke inpasbaar is in deze omgeving.
VII-39.802-7/10
Omtrent inplanting, bouwvolume, bouwdiepte, bezetting en bouwhoogte van het ontwerp stellen zich niet de minste problemen;
…’ De verwerende partij stelt aldus vast dat:
- de nieuwe woning aansluit op een bestaand woonlint en zich situeert tegenover een omvangrijke woonwijk - de aanvraag gesitueerd is in sterk aangetast en/of achterhaald agrarisch gebied - de visie van het college van burgemeester en schepenen kan worden bijgetreden dat het ontwerp een betere plaatselijke aanleg oplevert - dat de aangevraagde nieuwbouw zowel in zijn concept als materiaalgebruik van hoge kwaliteit getuigt - dat omtrent inplanting, bouwvolume, bouwdiepte, bezetting en bouwhoogte het ontwerp niet de minste problemen oplevert Met de verzoekende partij dient te worden vastgesteld dat het argument van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar wat de dominante verschijningsvorm van de aanvraag en de abstractie van de gangbare stijlen in de omgeving, niet werd ontmoet. Noch de ligging van de aanvraag nabij woonuitbreidingsgebied, noch de aanwezigheid van een omvangrijke woonwijk aldaar zijn van die aard de verenigbaarheid van de schaal van het aangevraagde met het bestaande toestand in de omgeving te kunnen bevestigen.
De vaststelling dat het ontwerp qua bouwvolume en bezetting niet de minste problemen oplevert staat in schril contrast met de vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar dat het gebouw al te dominant is voor de omgeving, en overstijgt de loutere stijlformule niet.
Voor zover de verwerende partij naar de visie van het college van burgemeester en schepenen verwijst, dient te worden vastgesteld dat het college van burgemeester en schepenen de aanvraag weigerde en bovendien in de bestreden beslissing daaromtrent slechts in het kader van de toepassing van artikel 4.4.13 VCRO overwoog dat het ontwerp een betere plaatselijke aanleg oplevert en zich richt op de bebouwingen in de onmiddellijke omgeving, maar niet overwoog dat de aanvraag zich daarom noodzakelijk met de goede ruimtelijke ordening weet te verenigen”.
Het middel dat er van uitgaat dat het bestreden arrest “zich op één enkele zin van de motivatie van [de] deputatie [baseert]” mist feitelijke grondslag.
14. Het bestreden arrest oordeelt dat “het argument van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar wat de dominante verschijningsvorm van de aanvraag en de abstractie van de gangbare stijlen in de omgeving, niet werd beantwoord”, dat “[n]och de ligging van de aanvraag nabij woonuitbreidingsgebied, noch de aanwezigheid van een omvangrijke woonwijk
VII-39.802-8/10
aldaar […] van die aard [zijn] de verenigbaarheid van de schaal van het aangevraagde met [de] bestaande toestand in de omgeving te kunnen bevestigen”
en dat de “vaststelling dat het ontwerp qua bouwvolume en bezetting niet de minste problemen oplevert […] in schril contrast [staat] met de vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar dat het gebouw al te dominant is voor de omgeving”.
Het derde middelonderdeel is niet gericht tegen deze zelfstandige redenen voor de gegrondverklaring van het middelonderdeel van de leidend ambtenaar.
Het derde middelonderdeel dat louter gericht is tegen het voor dit oordeel van de RvVb niet noodzakelijk, dragend motief dat de “vaststelling dat het ontwerp qua bouwvolume en bezetting niet de minste problemen oplevert […] de loutere stijlformule niet [overstijgt]”, kan niet tot cassatie leiden.
15. In zoverre de heer Meert in de memorie van wederantwoord voor het eerst het bestreden arrest tegenstrijdige motieven aanwrijft, breidt hij het derde middelonderdeel op onontvankelijke wijze uit.
16. Het middel dat er van uitgaat dat het bestreden arrest “uit[gaat]
van een andere feitelijke kwalificatie” mist, zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middelonderdeel, feitelijke grondslag.
17. Het derde middelonderdeel wordt verworpen.
VII-39.802-9/10
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-39.802-10/10
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.238