Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.235 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.235 Généré par l'IA

Court annuls environmental permit decision due to insufficient justification of business size and site suitability criteria.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.235
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Flemish Minister's decision partially upholding a waste processing permit application. The applicant argued the decision failed to explicitly justify the classification of the business as medium-sized and did not address the hindrance of activities in the specific zone. The court agreed, ruling that the administrative body's reliance on general economic policy criteria was insufficient for the required urban planning assessment.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 8.2.1.3 of the Planning and Building Act; The administrative authority must explicitly clarify the criteria used to determine the size and nature of activities when granting an environmental permit, as vague references to economic policy do not suffice for urban planning compatibility.

Mots-clés

Généré par l'IA
environmental permit urban planning assessment business size criteria waste processing facility administrative justification medium-sized enterprise site suitability absence de contestation des faits

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Royal Decree of 24 February 1977 establishing the Oudenaarde regional plan
Article 8.2.1.3 of the Planning and Building Act

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Council of State, Case No. 222.849 of 14 March 2013
Council of State, Case No. 230.006 of 29 January 2015
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 239.235 van 28 september 2017

in de zaak A. 213.771/VII-39.227.

In zake : de GEMEENTE NAZARETH

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de BVBA REGIS (in staat van faillissement)

bijgestaan en vertegenwoordigd door curator Jeroen Leaerts kantoor houdend te 9052 Gent Hutsepotstraat 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 22 september 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 juli 2014 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 22 april 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Speed and Quality voor de

VII-39.227-1/13

exploitatie van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Sluis te Nazareth, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 230.006 van 29 januari 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Joëlle Gillemot, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

VII-39.227-2/13

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten werden uiteengezet in tussenarrest nr. 230.006 van 29 januari 2015.

IV. Ontvankelijkheid van de tussenkomst

4. De tussenkomende partij is sinds 15 juli 2016 in staat van faillissement. De aangestelde curator heeft de tussenkomst niet hervat, zodat deze moet worden afgewezen.

V. Onderzoek van de middelen

Eerste middel

Standpunt van de partijen

5. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde, de artikelen 17.6.3, 7.2.0, 8.2.1 en 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), “de verplichting tot stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag, inz. toetsing aan de goede ruimtelijke ordening”, het gezag van gewijsde van het

VII-39.227-3/13

vernietigingsarrest nr. 222.849 van 14 maart 2013 van de Raad van State, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, het redelijkheidsbeginsel, alsook de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag.

De verzoekende partij betoogt dat het bestreden besluit geen afdoende stedenbouwkundige toetsing bevat voor het verlenen van een milieuvergunning aan een industriële afvalverwerkende inrichting op een terrein met als gewestplanbestemming “ontginningsgebied met nabestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO‟s”. Meer bepaald wordt niet afdoende gemotiveerd waarom de inrichting als een KMO kan worden beschouwd en waarom er geen sprake zou zijn van een opslag van afvalproducten van schadelijke aard. Dit terwijl de eerdere milieuvergunningsbeslissing van 10 januari 2011 door de Raad van State bij arrest nr. 222.849 van 14 maart 2013 precies werd vernietigd wegens het ontbreken van de criteria op grond waarvan werd geoordeeld dat de exploitatie verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. In de bestreden beslissing is weliswaar cijfermatig ingegaan op de afmetingen van de geplande inrichting, alsook op de grootte van de gebouwen en de terreinoppervlakten, maar er is geen of minstens geen afdoende beoordeling terug te vinden van de omvang van de inrichting, de aard van de activiteiten en de vereiste buffering.

Voorts wijst zij erop dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat - niettegenstaande het inrichtingsbesluit geen duidelijke criteria dienaangaande bevat - ondernemingen met een industrieel karakter in geen geval vergunbaar zijn binnen een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO‟s. De verwerende partij motiveert in de bestreden beslissing niet waarom zij al dan niet van oordeel was dat het ging om een KMO en niet om een onderneming van industriële aard. Gelet op de aangevraagde rubrieken, zo stelt zij, is het evident dat het niet gaat om een kleine opslagplaats van goederen, gebruikte voertuigen en

VII-39.227-4/13

schroot, aangezien diverse rubrieken worden aangevraagd in functie van een grootschalige verwerking en bewerking van afvalstoffen. Hieruit volgt dan ook dat de activiteiten niet zuiver beperkt zijn tot een opslagplaats, maar duidelijk en in eerste instantie zijn gericht op industriële verwerking. Uit de aard en de schaalgrootte van de activiteiten blijkt dat de inrichting industrieel van aard is en niet te kwalificeren als een ambachtelijke onderneming of KMO. De verzoekende partij benadrukt in dit verband nog dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning niet relevant is voor de stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag.

Ook stelt de verzoekende partij dat uit het bestemmingsvoorschrift a contrario volgt dat grote opslagplaatsen en opslagplaatsen met schadelijke afvalproducten in elk geval uitgesloten zijn in gebieden voor ambachtelijke bedrijven en KMO‟s, en dat niet kan worden ontkend dat, naast de beoordeling van de omvang van de inrichting, ook een afdoende beoordeling van de aard van de activiteiten moet plaatsvinden met bijzondere aandacht voor de schadelijke aard van de opgeslagen afvalproducten. Te dezen heeft de verwerende partij nagelaten oog te hebben voor de hinderlijkheid van de activiteiten. Het bestaan van maatregelen om de schadelijke effecten te voorkomen, wijzigt niets aan de intrinsiek schadelijke aard van de activiteiten; de reglementering inzake afvalstoffen laat de kwalificatie van een afvalstof als zijnde gevaarlijk immers niet afhangen van de maatregelen die in individuele gevallen worden genomen om het gevaar te beperken. Er kan ook niet dienstig verwezen worden naar de begripsinvulling van inerte afvalstoffen om al dan niet de schadelijke aard van de opgeslagen producten te beoordelen. Tot slot kan de loutere verwijzing naar de rubrieken van bijlage I bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) evenmin volstaan om te concluderen dat geen schadelijke afvalstoffen worden opgeslagen.

Volgens de verzoekende partij is de buffering van het vergunde bedrijf evident onvoldoende. De buffer is immers overgenomen uit een aanvraag

VII-39.227-5/13

voor een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van “een loods, burelen, en een conciërgewoning”. Daarbij is geen rekening gehouden met een industriële afvalverwerking of de schaal van de opslag zoals deze voorkomt in de milieuvergunningsaanvraag.

6. De verwerende partij repliceert dat het inrichtingsbesluit noch de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen aangeven wat moet worden begrepen onder “afvalprodukten van schadelijke aard”, dat uit de wijze waarop artikel 8 van het inrichtingsbesluit is opgebouwd blijkt dat daarmee afvalproducten worden bedoeld die wegens hun schadelijke aard moeten worden opgeslagen in gebieden voor vervuilende industrieën ofwel in gebieden voor milieubelastende industrieën, dat de vraag of er opslag plaatsvindt van “afvalprodukten van schadelijke aard”

dan ook gelijkstaat met het onderzoek naar de hinderlijkheid van de opslag, en dat voor de kwalificatie als KMO rekening moet worden gehouden met een aantal feitelijkheden zoals de hinderlijkheid van de activiteiten, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke, zodat de vergunningverlenende overheid op dit vlak over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt.

De verwerende partij haalt de motieven van de bestreden beslissing aan. Uit die motieven zou afdoende blijken dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de planologische voorschriften en past binnen de goede ruimtelijke ordening van het betrokken ambachtelijke gebied. Daarbij werd rekening gehouden met alle relevante hinderaspecten, zoals geluidshinder, stofhinder, verkeershinder, risico‟s op bodem- of grondwaterverontreiniging, om te besluiten dat “de hinder voor mens en milieu en de risico‟s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de gevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”. Volgens de verwerende partij is het daarmee duidelijk dat alle relevante kenmerken van de inrichting bij de beoordeling werden betrokken en dat zij aan de

VII-39.227-6/13

hand van een uitvoerige en deugdelijke motivering heeft aangegeven waarom zij heeft geoordeeld dat de inrichting stedenbouwkundig verenigbaar is. De vergunde activiteiten zouden evenmin strijden met de actuele bestemming als ontginningsgebied omdat de exploitatie slechts mag aanvangen nadat de kleiontginning en de opvulling ervan zullen zijn uitgevoerd.

Tot slot wijst zij erop dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning van 10 augustus 2009 heeft geoordeeld dat de inrichting verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, zodat “vragen [kunnen] gesteld worden bij het belang dat de verzoekende partij heeft bij haar eerste middel”.

7. De verzoekende partij dupliceert dat de - intussen vervallen -

stedenbouwkundige vergunning van 10 augustus 2009 geen toelating inhoudt tot een stedenbouwkundige functiewijziging naar industriële afvalverwerking, dat aangenomen moet worden dat de stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag niet volledig samenvalt met de beoordeling van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en dat het niet is omdat zij op 10 augustus 2009 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het oprichten van burelen, een loods voor opslag van goederen en een conciërgewoning, dat zij daarmee ook de inplanting van een afvalverwerkend bedrijf van de aangevraagde schaalgrootte zou hebben toegestaan. Zij stelt voorts vast dat uit de aangevraagde milieuvergunning blijkt dat het de bedoeling is om de stedenbouwkundige functie te wijzigen, dat daarvoor overeenkomstig artikel 4.2.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) een aanvraag tot functiewijziging moet worden ingediend en dat dergelijke functiewijziging niet was toegelaten door de stedenbouwkundige vergunning van 10 augustus 2009.

8. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij nog dat de definities/criteria inzake KMO‟s van het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote

VII-39.227-7/13

ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten duidelijke indicaties geven over de schaalverhouding tussen bedrijven en dat de vergunde inrichting op grond van die definities en criteria aangemerkt kan worden als een kleine onderneming.

9. De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat de criteria met betrekking tot de tewerkstelling, de bezettingsgraad, de omzet en het zelfstandigheidscriterium van het waarschijnlijk bedoelde artikel 3 van het decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid geen enkele indicatie geven over de impact die een inrichting heeft op de omgeving en derhalve niet toelaten te achterhalen of de activiteiten vergund kunnen worden in een KMO-zone, dan wel thuishoren in een industriegebied voor milieubelastende inrichtingen.

Beoordeling

10. In zoverre de verwerende partij zijdelings opmerkt dat vragen “kunnen” worden gesteld bij het belang van de verzoekende partij bij het middel, gaat het om een loutere bedenking die niet als een formele exceptie onderzocht en beoordeeld moet worden.

11. De vergunde inrichting is volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, gelegen in een ontginningsgebied met nabestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO‟s. Het bestreden besluit acht de inrichting verenigbaar met dit gewestplanvoorschrift op grond van de volgende motieven:

“Overwegende dat een concrete beoordeling van stedenbouwkundige verenigbaarheid en de goede ruimtelijke ordening aan de orde is; dat hierbij in rekening is genomen:

- de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten;

- het verordenend koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, dat geen concrete criteria bevat tot aflijning van het begrip „ambachtelijk/middelgroot‟: een middelgroot bedrijf is ter

VII-39.227-8/13

plaatse wel degelijk toegelaten volgens de planologische zonering;

- de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, die wel een benaderingswijze omvat (kijken naar de feiten dus naar hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke) maar nog geen cijfermatige gegevens;

dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt de hinderlijkheid van het bedrijf ten opzichte van zijn omgeving wordt nagegaan; daarbij worden volgende elementen afgewogen tegen de andere bedrijven in het betrokken gebied:

- de oppervlakte: 20.024 m2;

- de V/T (vloer/terreinverhouding): de loods (burelen) neemt 2120 m2

van de 20024 m2 terreinoppervlakte in, de rest is (weliswaar ommuurd)

een open werkvloer en groenrand;

- de grootte van de buffer:

- aan de westelijke zijde (rand van het gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen) van het bedrijf: 15 meter tussen perceelsgrens en keermuur; deze strook omvat groen, gracht en bedieningsweg;

- naar de Molenbeek: 20m; aan de oostelijke zijde, tegen ander bedrijf : 5 meter;

- de aard der bedrijvigheid: gedefinieerd in de milieuvergunningsaanvraag;

- het aantal werknemers: 5;

- de graad van bereikbaarheid: het eerste, onmiddellijk te bereiken bedrijf vanaf de Grenadierslaan N 452;

- specifiek zijn het materiaalgebruik en de bouwtypologieën gangbaar en verzorgd; er is een geïntegreerde groen- en ruimtelijke afscherming (met akoestische panelen) naar de omliggende gronden;

Overwegende dat binnen het betrokken (nabestemmings)gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen zich volgende kadastrale percelen en hun oppervlakte bevinden:

- perceelnr. 423 m (aanvraag) = 20024 m2;

- perceelnr. 421 e2 + 421 f 2 = 14163m2 + 5375m2 = 19538 m2;

- perceelnr. 421 p = 10730 m2;

- perceelnr. 230 b3 + 231 g = 19538 m2;

- perceelnr. 230 g3 = 13402 m2;

Overwegende dat de loods van 63 op 30 meter, alsmede de ommuurde stapelplaats van 145 meter lengte op 63 tot 70 meter breedte, in gebouwoppervlakte en terreininname van ongeveer dezelfde ordegrootte zijn als de oostelijk aanliggende bedrijven in het betrokken gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; dat er bovendien kan opgemerkt worden dat het terrein slechts 1 perceel, namelijk perceel 423 m, inneemt in het betrokken ontginningsgebied; dat het terrein slechts 75 en verderop 70 meter breed is zonder de groenbuffer mee te rekenen; dat een dergelijk terrein met een vrij smalle toegang (75 meter) geschikt is voor 1 bedrijf; dat aangezien het bedrijf slechts 1 perceelnummer inneemt,

VII-39.227-9/13

geconcludeerd kan worden dat dit bedrijf proportioneel inzake grootte aangepast is aan het ontginningsgebied, zoals het is opgezet inzake perceelverdeling;

Overwegende dat er bijgevolg inzake schaal van gebouwen en terreinoppervlakten geen doorverwijzing naar het industriegebied nodig is: dat het geheel nog steeds als middelgrote onderneming kan worden aangemerkt;

Overwegende dat ter vergelijking het bedrijf NV Bouwmaterialen Van Pelt te Zoersel, Kwikaard een totale oppervlakte van 40.000 m2 had, waarvan 8.000 m2 werd bebouwd; dat dit bedrijf eveneens gelegen is in een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; dat voor dit bedrijf milieuvergunningen werden verleend;

Overwegende dat de exploitant onder meer de volgende activiteiten uitbaat:

- de opslag van maximaal 500 m3 uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing volgens het Vlarebo;

- de maximale opslag van 400 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en de sortering ervan;

- de maximale opslag van 7.875 m3 inerte afvalstoffen en de mechanische behandeling ervan (breken en zeven);

- de maximale opslag van 700 ton groen- en houtafval en het verhakselen ervan;

- de maximale opslag van 100 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en het persen ervan;

- de maximale opslag van 5.000 ton andere niet-gevaarlijke afvalstoffen en het breken en zeven ervan;

- de maximale opslag van 15.000 m3 uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing van het Vlarebo;

Overwegende dat deze activiteiten zoals hierboven vermeld zich beperken tot het kadastraal perceel 423 m; dat de activiteiten inzake grootte en omvang aangepast zijn aan de perceelverdeling van het ontginningsgebied ter plaatse;

Overwegende dat in haar besluit van 31 januari 2003 de Vlaamse Regering, weliswaar binnen haar economisch beleid, definities heeft gegeven van kleine ondernemingen en middelgrote ondernemingen; dat deze criteria in een breder maatschappelijk kader duidelijke indicaties geven van schaalverhouding tussen bedrijven; dat de aanvraag ruim binnen de volgende vereisten blijft:

- kleine ondernemingen: ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria:

- minder dan 50 werkzamen tewerkstellen;

- een jaaromzet hebben van maximum 10 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 10 miljoen euro;

- beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium;

- middelgrote ondernemingen: ondernemingen die voldoen aan alle volgende criteria:

- minder dan 250 werkzamen tewerkstellen;

- een jaaromzet hebben van maximum 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximum 43 miljoen euro;

- beantwoorden aan het zelfstandigheidcriterium;

- en geen kleine onderneming zijn;

Overwegende dat voor betrokken locatie een bouwvergunning werd afgeleverd;

VII-39.227-10/13

Overwegende dat de inrichting gelegen is op een afstand van:

- circa 157 m van een parkgebied;

- circa 215 m van een natuurgebied;

- circa 400 m van een woongebied;

Overwegende dat de inrichting gelegen is op circa 215 m van het dichtstbijgelegen VEN-gebied „De Vallei van de Bovenschelde Noord‟”.

12. Artikel 8 van het inrichtingsbesluit reikt zelf geen criteria aan om uit te maken of een inrichting voor het verwerken van afval al dan niet kan worden beschouwd als een ambachtelijk bedrijf of een KMO. Het komt derhalve aan de vergunningverlenende overheid toe, wanneer zij staat voor de vraag of een inrichting kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO‟s, om aan de hand van pertinente feitelijke gegevens en op afdoende wijze te motiveren waarom zulks volgens haar het geval is. Uit die motivering moet onder meer blijken dat de vergunde activiteiten, ondanks de hinder die zij veroorzaken, toegelaten kunnen worden in het betrokken gebied.

Zoals de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 222.849 van 14 maart 2013 heeft aangegeven, dient de vergunningverlenende overheid wanneer zij haar beslissing stoelt op de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten, de criteria te verduidelijken aan de hand waarvan zij de “opgegeven cijfergegevens en de aard van de te voeren activiteiten” heeft getoetst om tot de vaststelling te komen dat het bedrijf een middelgrote onderneming is.

13. Blijkens de motivering van het bestreden besluit is de verwerende partij van oordeel dat “geen doorverwijzing naar het industriegebied nodig is”, in essentie gelet op de “schaal van gebouwen en terreinoppervlakten”. In dit verband wordt vastgesteld dat de “gebouwoppervlakte en terreininname van ongeveer dezelfde ordegrootte zijn als de oostelijk aanliggende bedrijven in het betrokken gebied” en “het bedrijf slechts 1 perceelnummer inneemt”, zodat het “proportioneel inzake grootte aangepast is aan het ontginningsgebied”. Wat betreft de aangevraagde activiteiten worden deze enkel opgesomd en wordt vastgesteld dat deze “zich beperken tot het kadastraal perceel 423 m” en ze “inzake grootte en

VII-39.227-11/13

omvang aangepast zijn aan de perceelverdeling van het ontginningsgebied ter plaatse”.

Deze motieven zeggen niets omtrent de hinderlijkheid van de vergunde activiteiten en de toelaatbaarheid ervan in het betrokken gebied.

Evenmin vormen ze op zich een afdoende criterium om te besluiten dat de inrichting een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van artikel 8.2.1.3

van het inrichtingsbesluit.

De criteria die voorkomen in de reglementering inzake het “economisch beleid”, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, zijn niet bedoeld en dus ook niet relevant voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag.

Het middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 juli 2014 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 22 april 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Speed and Quality voor de exploitatie van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Sluis te Nazareth, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

VII-39.227-12/13

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro verschuldigd aan de verzoekende partij.

De failliete boedel van de tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Eric Brewaeys

VII-39.227-13/13

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.235