Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.232 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.232 Généré par l'IA

Court dismisses waiver of proceedings due to counsel's lost ID card causing unavoidable procedural error.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.232
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's waiver of proceedings, ordering the case to restart from the interim ruling. The applicant's counsel lost their ID card, preventing access to the electronic platform and causing a failure to file a continuation request within the statutory deadline. The court found this error was not attributable to the applicant, noting the administration's failure to respond to the counsel's earlier request for alternative communication methods created an unavoidable mistake.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 7 of the Council of State Rules; A waiver of proceedings is not established when the failure to act within the deadline results from an unavoidable mistake caused by the administration's failure to accommodate a party's legitimate request for alternative communication.

Mots-clés

Généré par l'IA
waiver of proceedings procedural deadline unavoidable mistake administrative error counsel's incapacity reopening of procedure Council of State Rules liberté de culte

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 7 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 239.232 van 28 september 2017

in de zaak A. 220.590/X-16.774.

In zake: de VZW GURDWARA GURU NANAK SAHIB

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inès Wouters kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 50/3

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de STAD VILVOORDE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 8 november 2016, strekt tot de nietigverklaring 1° van de beslissing van de burgemeester van de stad Vilvoorde van 9 september 2016 om de Sikh-tempel Guru Nanak Sahib, Lange Molenstraat 14 te 1800 Vilvoorde, met onmiddellijke ingang te sluiten en 2° van de beslissing van dezelfde burgemeester van 25 oktober 2016 om de tempel gesloten te houden.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 237.622 van 10 maart 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen.

X-16.774- 1/5

Het genoemde arrest is op 31 maart 2017 aan verzoekster ter kennis gebracht.

Op 12 juni 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoekster de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟.

Verzoekster heeft gevraagd om te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2017.

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Werner Vanparijs, die loco advocaat Inès Wouters verschijnt voor verzoekster, en advocaat Jonas De Wit, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Sofie De Doncker heeft een advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de

X-16.774- 2/5

rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.

4. Verzoekster heeft te dezen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

5. Ter verontschuldiging daarvan worden problemen met de identiteitskaart van verzoeksters raadsvrouw (dossierbeheerder) aangevoerd, waardoor zij geen gebruik meer kon maken van de elektronische procesvoering.

6. Onderzoek van het dossier wijst uit dat deze dossierbeheerder op 2 februari 2017 aan de Raad van State meedeelde dat zij haar identiteitskaart was kwijtgeraakt “waardoor [zij] geen toegang meer [heeft] tot [het] elektronisch platform om de documenten te raadplegen”, reden waarom zij vraagt “deze via mail, fax, ... over te maken”.

Aan die vraag kennelijk tegemoetkomend, brengt de Raad van State de dossierbeheerder per fax op de hoogte van het auditoraatsverslag over verzoeksters vordering tot schorsing en van de beschikking tot vaststelling van die vordering op de terechtzitting van 17 februari 2017. Ter zitting verschijnt voor verzoekster een advocaat loco de dossierbeheerder.

Zonder meer – namelijk zonder dat de dossierbeheerder haar melding van 2 februari 2017 herriep of zonder dat de Raad van State liet weten geen gevolg meer te zullen geven aan die melding – worden het arrest van 10 maart 2017 over de schorsingsvordering evenals de brief aan verzoekster in verband met de voortzetting van het geding, uitsluitend via het elektronisch platform aan verzoekster meegedeeld.

In een faxbericht van 16 juni 2017 herhaalt de dossierbeheerder dat zij haar identiteitskaart verloor: “In afwachting van mijn nieuwe kaart, heb ik

X-16.774- 3/5

geen andere keuze dan het dossier te behandelen via de post, en niet meer elektronisch.”

7. Daargelaten of het verlies van de identiteitskaart door de dossierbeheerder louter op zich overmacht vermag te verantwoorden die van de toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State doet afzien, leveren hoe dan ook de hiervoor beschreven omstandigheden een dwaling op die verzoekster naar het oordeel van de Raad van State niet verwijtbaar is.

Dat de diensten van de Raad van State, na eerst wel op de vraag van verzoeksters dossierbeheerder van 2 februari 2017 te zijn ingegaan, die vraag vervolgens zonder meer zouden negeren, moest en kon door verzoekster redelijkerwijze niet worden voorzien. Aangenomen wordt dat verzoekster het slachtoffer is van een onoverwinnelijke dwaling.

8. Concluderend is de Raad van State van oordeel dat er geen reden is tot toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State.

Integendeel dient de procedure te worden hervat door en vanaf een betekening langs de post van het tussenarrest nr. 237.622 van 10 maart 2017 aan verzoekster.

BESLISSING

1. Er is geen reden om, met toepassing van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, de afstand van het geding vast te stellen.

2. De procedure wordt hernomen met en vanaf een betekening aan verzoekster langs de post van het tussenarrest nr. 237.622 van 10 maart 2017.

X-16.774- 4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.774- 5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.232