Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.229 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.229 Généré par l'IA

Belgian court dismisses urgent stay of school orientation certificate due to lack of procedural grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.229
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected an urgent application to suspend the enforcement of a school board's decision granting Guillaume Vandoorne an orientation certificate C. The applicant argued that the decision caused irreparable harm by preventing him from completing his year, while the school contended the certificate was justified by significant academic deficits in key technical subjects. The court found that the applicant failed to demonstrate the specific procedural conditions required for an urgent stay, noting that the school board had properly analyzed his grades and study attitude.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; An urgent stay of execution requires strict compliance with statutory conditions, which are not met when the applicant cannot prove the irreparable nature of the loss or the absence of alternative remedies.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent stay of execution school orientation certificate procedural conditions irreparable harm administrative justice code academic deficits C-attest suspension échec définitif aux examens

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.229 van 27 september 2017

in de zaak A. 223.143/IX-9135

In zake: Guillaume VANDOORNE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Van Hecke kantoor houdend te 8880 Ledegem Rollegemstraat 176B

tegen:

de VZW PRIZMA

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Verhamme kantoor houdend te 8870 Izegem Gentseheerweg 14

bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Verhaeghe kantoor houdend te 8940 Wervik Nieuwstraat 38

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 18 september 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Prisma, campus VTI, waarbij het aan Guillaume Vandoorne toegekende oriënteringsattest C wordt gehandhaafd.

IX-9135-1/17

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017, om 10.30 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bert Verhaeghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eenslui-

dend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is leerling in het tweede jaar van de derde graad me-

chanische vormgevingstechnieken (TSO).

Het jaarrapport van verzoeker vertoont jaartekorten voor ge-

schiedenis (44,6%), hydropneumatische energieomzettingen (42,1%) en mecha-

nica & labo (45,2%).

Aan het einde van het schooljaar beslist de over verzoeker deli-

bererende klassenraad om hem een oriënteringsattest C toe te kennen.

IX-9135-2/17

3.2. Nadat overleg met de directeur niet resulteert in een nieuwe oproeping van de klassenraad, tekent verzoeker op 11 juli 2017 bezwaar aan bij het schoolbestuur.

Verzoeker wordt gehoord door deze commissie op 24 augustus 2017.

Op 8 september 2017 beslist de beroepscommissie om het C-attest te handhaven.

IV. Ontvankelijkheid van de vordering

Exceptie

4. In de nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat ver-

zoeker zijn belang niet aantoont; zij betwist ook het belang van verzoeker. Het is er verzoeker om te doen “om zijn jaar te redden”; hij “kan dit ook perfect door zijn jaar over te doen en alsnog zijn diploma te halen”. Verzoeker maakt zijn materiële of morele verlies niet concreet, hij kan zich inschrijven in een andere school en toont niet aan in die richting reeds inspanningen geleverd te hebben; hij heeft zelfs nog geen beroep tot nietigverklaring ingediend.

Beoordeling

5. Aan de Raad van State is geen regel bekend die aan een ver-

zoekende partij een bijzondere stelplicht oplegt inzake vermeldingen omtrent het vereiste belang bij haar beroep of vordering.

Veeleer met verbijstering moet voorts op deze exceptie gerea-

geerd worden. Immers is het evident dat het C-attest een voor verzoeker grievende beslissing is waarbij hij alle belang heeft om ze uit het rechtsverkeer verwijderd te zien worden; de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid is daarbij het

IX-9135-3/17

instrument bij uitstek voor verzoeker, die het precies erom te doen is te voorkómen “zijn jaar over te doen”. Wat betreft de mogelijkheid om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen zelfs voordat een annulatieberoep is in-

gediend, wordt de verwerende partij uitgenodigd om artikel 17, § 4, van de ge-

coördineerde wetten op de Raad van State te consulteren.

6. De exceptie mist iedere ernst.

V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

8. Het mag vaste rechtspraak van de Raad van State heten dat het dreigend verlies van een schooljaar, waarop verzoeker zich beroept, een nadeel uitmaakt dat binnen de behandelingstermijn van de gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd.

De verwerende partij is voorts uiterst slecht geplaatst om in haar nota aan verzoeker een gebrek aan diligent optreden te verwijten, omdat deze laatste “een hele week en weekend laat verstrijken” om de vordering in te stellen.

Zij heeft immers zelf méér dan vijf weken nodig gehad om na het instellen van verzoekers beroep een hoorzitting geregeld te krijgen door de beroepscommissie en vervolgens nog eens drie weken om deze commissie een beslissing te laten nemen. Alleszins is “een hele week en een weekend” geenszins een tijdsverloop

IX-9135-4/17

dat de uiterst dringende noodzakelijkheid tegenspreekt. Verzoeker heeft op een voldoende diligente wijze zijn vordering ingesteld.

VII. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting

9. Het eerste middel is genomen uit de schending van het onpartij-

digheidsbeginsel, het onafhankelijkheidsbeginsel en artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO) in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Verzoeker neemt aanstoot aan het feit dat de directeur van de school eerst de delibererende klassenraad voorzit, vervolgens het overleg voert waarbij een nieuwe samenkomst van de klassenraad wordt afgewezen, daarop-

volgend zetelt in de beroepscommissie, op die beroepscommissie een hele uit-

eenzetting geeft “waarbij hij zich duidelijk heeft gekeerd tegen verzoeker” en “na als ware advocaat van de tegenpartij te hebben gepleit tegen verzoeker”, mee oordeelt.

Beoordeling

10. Eén van de oogmerken die de decreetgever in 2014 voor ogen stond bij de hervorming van de beroepsprocedure tegen evaluatiebeslissingen in het secundair onderwijs, was te remediëren aan “het gevoel dat objectiviteit en onafhankelijkheid bij huidige beroepsgangen ontbrak, waardoor in beroep gaan dus weinig zin had” (verklaring van de minister van Onderwijs, Parl.St. Vl.Parl.

2013-14, nr. 2421/6, 5).

IX-9135-5/17

De procedure die hij in de plaats gesteld heeft, heeft tot gevolg dat niet langer zoals voorheen de delibererende klassenraad het laatste woord krijgt over het al dan niet slagen van een leerling.

De decreetgever heeft aan de beroepscommissie, die voorheen enkel een adviserende rol had, voortaan de volle hervormingsbevoegdheid opge-

dragen. Bovendien heeft hij de beroepscommissie een paritaire samenstelling toebedacht tussen zogenaamde „interne‟ en „externe‟ leden, waarbij de voorzitter gekozen moet worden onder de externe leden en deze voorzitter bij staking van stemmen doorslaggevend gewicht krijgt toebedeeld.

De decreetgever is bijgevolg niet zo ver willen gaan om de leden van de klassenraad volledig uit te schakelen in de beroepsprocedure; hij “acht een volledig externe beroepscommissie niet wenselijk” omdat zulks “de afstand tot de leerling” te groot zou maken (verklaring van de minister van Onderwijs, Parl.St.

Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/6, 12). Dat de commissie die van het beroep kennis neemt leden van de klassenraad kan horen volstaat voor de decreetgever niet. Er moeten luidens artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, VCSO “leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad” als interne leden bij be-

trokken worden. Het zijn zij die de leerling en zijn dossier meer van nabij kennen en die, ja ook, de bestreden beslissing kunnen duiden en – onvermijdelijk – zelfs mogen verdedigen bij de externe leden. Deze werkwijze beoogt “een evenwicht tussen respect voor de klassenraad en herstelgericht werken” (ibidem).

Het is daarbij de uitdrukkelijke wil van de regelgever dat de directeur van de school functies combineert: de klassenraad voorzitten (artikel 5, § 2, 1°, a, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ – hierna ook organisatiebesluit), over de genomen evaluatiebeslissing overleggen met de leerling en zijn ouders in geval zij zich er niet mee kunnen verzoenen en over een nieuwe samenkomst van de klassenraad beslissen (artikel 115/6, § 4, tweede lid, VCSO) en ten slotte

IX-9135-6/17

deelnemen als intern lid aan de beraadslaging van de beroepscommissie (artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, VCSO).

De decreetgever heeft prima facie geen reden gezien om een vermoeden van partijdigheid of gebrek aan onafhankelijkheid te doen ontstaan door het gegeven dat de voorzitter van de klassenraad ook lid is van de beroeps-

commissie en dus, met de woorden van verzoeker, “ook de tussenschakel vormt tussen de delibererende klassenraad en de Beroepscommissie”. De kritiek van verzoeker raakt met andere woorden de keuzes van de decreetgever, waarover de Raad van State geen controle uitoefent.

Ten slotte lijkt verzoeker enkel uit structureel oogpunt de ver-

meende (schijn van) partijdigheid op de korrel genomen te hebben en leest de Raad het middel vooralsnog niet als een aanvoeren van enige subjectieve partijdigheid in hoofde van de betrokken directeur.

11. Het middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting

12. Het tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en van de zorgvuldigheidsplicht.

Verzoeker adstrueert:

“II.2.2. Er mag aangenomen worden dat niet op elk argument moet ge-

antwoord worden, maar het moet toch duidelijk zijn, in grote lijnen, waarom een bestuur, zeker oordelende als orgaan van actief bestuur (in de functionele zin van het woord) tot het besluit komt, ondanks de aange-

dragen motieven. Dit is in casu niet echt het geval. Er is in het verzoek onder de feiten, zoals die zijn weergegeven, ingegaan op de persoon zelf van verzoeker.

IX-9135-7/17

Er is onder II.1. ingegaan op alle elementen die relevant zijn bij de be-

oordeling. Daarop wordt er op geen enkele wijze geantwoord.

Elke motivering daaromtrent ontbreekt.

II.2.3. Er is onder II.1. in het verzoek aan de Beroepscommissie een ge-

degen en doorgedreven analyse gemaakt van het schooljaar 2016-2017.

Ook hier blijft elke lezer op zijn honger bij het lezen van de besluitvorming door de Beroepscommissie. Daar wordt volledig aan voorbijgegaan.

II.2.4. Er is onder II.3. van het verzoekschrift aan de Beroepscommissie uiteengezet waarom de behaalde tekorten, want er zijn enkele tekorten, geen oriënteringsattest C wettigen.

Daarop werd deels ingegaan. Aldus wordt onderkend dat het algemeen vak geschiedenis niet as such kan impliceren dat er een C-attest moet worden verleend. Maar op de rest wordt niet naar behoren ingegaan en blijft verzoeker op zijn honger.

Ook met betrekking tot de uiteenzetting technische vakken hydropneumatische energieomzettingen, mechanica en labo, wordt niet op de motivering ingegaan.

II.2.5. Er is verwezen naar art. 3.5.2 van het schoolreglement, onder II.4., inzake het eventueel opleggen van bijkomende proeven, Dit is gemotiveerd vanuit een vraag om zo goed als maar mogelijk het globaal oordeel over de leerling te vormen.

Door puur te poneren dat verzoeker niet veel ziek is geweest, wat juist is, is daar niet op geantwoord. Het is niet omdat hij niet veel ziek is geweest, dat een bijkomende proef niet noodzakelijk zou zijn voor een correct globaal oordeel.

II.2.6. Er is uitvoerig gemotiveerd nopens het gemis aan begeleiding, het gebrek aan waarschuwingsbrief. Minstens zou dit er moeten toe nopen om, constaterende dat de school hier effectief had gefaald, dit mee te betrekken in de overweging nopens een bijkomende proef. Want als de begeleiding niet was naar behoren, dan zou dit kunnen geremedieerd worden, wat in ieders belang is.

II.2.7. Er is onder II.5. uitvoerig verder verwezen naar de toekomstige studierichting.

Hier is puur herhaald wat de directeur heeft aangegeven, wat niet als een afdoende formele motivering kan aanzien worden. En wat de ernst van het eerste middel net ondersteunt.

II.2.8. De formele motivering moet een bepaald niveau bereiken dat mede is gedetermineerd door het verzoekschrift waarmee dit orgaan van actief bestuur is geadieerd.

Er kan dan ook niet genoeg verwezen worden naar het uitvoerig uitgewerkte verzoekschrift dat uiteraard als stuk deel uitmaakt van het dossier dat wordt voorgelegd.

II.2.9. Er is dus in tegenstrijd met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 niet naar behoren geformaliseerd op welke motieven het betwiste besluit berust.

Door aldus ook niet in te gaan op de uitvoerige en pertinent uiteengezette motieven, blijkt ook dat er niet zorgvuldig aan feitengaring is gedaan, niet zorgvuldig is overwogen en niet zorgvuldig is besloten.

IX-9135-8/17

Zorgvuldigheid impliceert dat toch minstens de pertinente bevindingen die aan de Beroepscommissie zijn overgemaakt, onderzocht worden. Tevens is dit meer dan noodzakelijk in een pedagogische context waarbij men ook begrip moet hebben voor de pedagogische bekommernissen en ook grote ontgoochelingen die blijken uit het verzoekschrift. Zorgvuldigheid is dus meer dan noodzakelijk en men dient op een hoog niveau van zorgvuldigheid te ageren. Daarvan is geen sprake.”

Beoordeling

13. Verzoeker betoogt dat de beroepscommissie heeft nagelaten om in de bestreden beslissing uitdrukkelijk te antwoorden op zijn bezwaarschrift. Dit is, zoals verzoeker terecht het middel duidt, een zaak van formelemotiverings-

plicht.

14. Een beroepscommissie is niet verplicht om op alle grieven en opmerkingen afzonderlijk te reageren. Het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen.

Het bestaan en de zin van de georganiseerde administratieve beroepsprocedure vereist wel dat de beroepsinstantie laat blijken met het beroep-

schrift zorgvuldig rekening te hebben gehouden en dat de bezwaarindiener een antwoord krijgt op bezwaren die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze wel in aanmerking zijn genomen, een voor hem gunstiger evaluatiebeslissing konden opleveren.

Wie dan echter de beroepscommissie verwijt te hebben nagela-

ten om te antwoorden op dergelijke bezwaren en argumenten, moet in een proce-

dure waarbij hij de Raad van State uitnodigt om bij uiterst dringende noodzake-

lijkheid kennis te nemen van zijn zaak en ook gelet op het prima facie onderzoek, met de nodige precisie aangeven welke de argumenten zijn die zonder antwoord zijn gebleven en die van aard waren een voor hem gunstiger licht op de zaak te werpen. Het volstaat niet in het algemeen op te merken dat verzoeker “op zijn

IX-9135-9/17

honger” blijft en in zeer algemene bewoordingen te refereren aan wat verzoeker heeft uiteengezet in zijn beroepschrift bij de beroepscommissie.

Zo stelt de Raad van State vast dat wat verzoeker in zijn admi-

nistratief beroep “onder II.1” aanbracht – uiteraard, in die stand van de procedure – kritiek levert op motieven van de klassenraad. Ingevolge het instellen van het georganiseerd beroep is evenwel die klassenraadbeslissing uit het rechtsverkeer verdwenen en vervangen door de beslissing op beroep, die overigens niet minder dan zes bladzijden telt. Op welke wijze de initiële kritiek op de klassenraadbe-

slissing getransponeerd kan worden naar de autonoom oordelende beroepscom-

missie, die in de thans bestreden beslissing een eigen motivering heeft uitge-

schreven, blijft onbelicht. Van de Raad mag niet worden verwacht, zoals verzoeker lijkt te doen, dat hij het middel in de plaats van de verzoekende partij construeert.

Daargelaten nog dat van de Raad evenmin verwacht mag worden dat hij in deze schorsingsprocedure eigener beweging de uiteenzetting “onder II.3”

van het administratief beroep minutieus naleest en ze vergelijkt met hetgeen de beroepscommissie uiteenzet, lijkt deze commissie alleszins te hebben geantwoord op wat verzoeker de “bijzondere situatie” voor het vak labo noemt. Dit antwoord laat verzoeker in huidig verzoekschrift op het eerste gezicht onbesproken. Voorts lijkt wat “onder II.3” is geschreven niet van aard om de toegekende punten en de redelijk uitvoerige analyse ervan in de bestreden beslissing in vraag te stellen, wat meebrengt dat de beroepscommissie mocht steunen op het vermoeden dat de jaartekorten voor de profielbepalende vakken terecht zijn vastgesteld en, alweer bij gevolgtrekking, verzoeker voor die vakken de leerdoelstellingen niet heeft be-

haald. De beroepscommissie vermocht dus de toekenning van het attest formeel te motiveren onder verwijzing naar de vastgestelde jaartekorten.

Daargelaten ten slotte of verzoeker “onder II.5” van zijn admi-

nistratief beroep inderdaad “uitvoerig” heeft “verwezen naar de toekomstige stu-

dierichting” – versta wellicht, “arbeidskeuze”, namelijk “de handel van oldtimers”

– moet worden vastgesteld dat de beroepscommissie dit argument te berde brengt

IX-9135-10/17

in de bestreden beslissing en daarop formeel lijkt te antwoorden met de aanslui-

tende overweging dat verzoeker “zijn kennis van specifieke vakken als hydraulica […] momenteel veel te beperkt [is], wat blijkt uit de duidelijke tekorten”.

Uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht lijkt de bestreden beslissing geen verwijt te treffen – minstens geen verwijt dat verzoeker met de vereiste precisie heeft uitgewerkt in het inleidend verzoekschrift.

15. Wat het antwoord op de vraag naar uitgestelde proeven betreft, lijkt de beroepscommissie niet “puur” geponeerd te hebben dat verzoeker niet veel ziek is geweest:

“De beroepscommissie stelt vast dat Guillaume Vandoorne zelden afwezig is geweest, met slechts twee korte ziekteperiodes van 3 dagen tijdens het schooljaar 2016-2017 en bovendien aan alle examens en de GIP-verdediging heeft deelgenomen. De beroepscommissie oordeelt aldus dat de delibererende klassenraad beschikte over voldoende gegevens om te oordelen welk oriënteringsattest uitgereikt kon worden. Er werden geen elementen weerhouden waardoor bijkomende proeven aangewezen zouden zijn geweest. De situatie waarin de leerling zich bevond was niet uitzon-

derlijk zodat geen nieuwe gegevens noodzakelijk waren.”

De commissie heeft uit een en ander afgeleid dat de klassenraad, en dus ook de beroepscommissie, over alle nodige informatie beschikt om een evaluatiebeslissing te nemen en zij stelt vast dat geen elementen “weerhouden”

zijn waardoor bijkomende proeven aangewezen zouden zijn geweest. Zij merkt ook op dat de situatie van verzoeker niet uitzonderlijk was. Verzoeker mag het daarmee niet eens zijn, uit oogpunt van de in dit middel aangevoerde formelemo-

tiveringsplicht voldoet dit antwoord. Verzoeker kent de redenen die de beroeps-

commissie ertoe hebben gebracht om geen bijkomende proeven op te leggen en hij is in staat zich tegen die motieven in rechte te verweren.

16. Om dezelfde redenen lijkt de beroepscommissie geen onzorg-

vuldigheid verweten te kunnen worden.

IX-9135-11/17

17. Het middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting

18. Het derde middel is geput uit de schending van artikel 123/17, § 2, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs en van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Verzoeker merkt op dat de voorzitter van de beroepscommissie noch het besluit heeft ondertekend, noch de kennisgeving ervan. Uit geen enkel document blijkt dat alle leden hebben meegestemd. Als bij gemis aan welkdanige vermelding ook dat er gestemd is, in opdracht wordt getekend, dan blijkt helemaal niet dat er gestemd is en dat het extern lid als voorzitter heeft opgetreden.

Beoordeling

19. Aan de ondertekening van de kennisgeving van de beslissing kunnen geen conclusies worden verbonden, zo lijkt, met betrekking tot het re-

gelmatig verloop van de beraadslaging zelf.

20. Verzoeker maakt niet duidelijk uit welke bepaling hij afleidt dat een stemming steeds vereist is. Artikel 123/17 VCSO legt op het eerste gezicht alleszins geen stemming op. Artikel 123/17, § 2, tweede lid, 1°, VCSO lijkt enkel voor te schrijven dat “bij stemming”, “het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de be-

roepscommissie gelijk moet zijn”.

Niets belet aldus, zo lijkt, dat een beslissing wordt genomen in consensus. Dit lijkt hier te zijn gebeurd.

IX-9135-12/17

21.1. Uit de bestreden beslissing, en ook uit het verhoorverslag van 24

augustus 2017, mag vooralsnog worden afgeleid dat P.D. onder de externe leden als voorzitter van de beroepscommissie is aangeduid.

Wel is het zo dat de aan verzoeker meegedeelde beslissing is ondertekend door alle leden van de beroepscommissie, maar wat de voorzitter P.D.

betreft “i.o.”, dus in opdracht, door R.M., een ander, intern lid van de commissie.

21.2. Verzoeker betwist niet dat P.D. voorzitter is van de beroeps-

commissie. Uit de notulen van de hoorzitting blijkt alleszins dat de voorzitter aanwezig was op deze hoorzitting. Onderaan de bestreden evaluatiebeslissing wordt P.D. opgesomd bij de externe leden die de beroepscommissie samenstellen welke de beslissing heeft genomen.

Dat die beslissing voor de voorzitter ondertekend is in opdracht, toont tegenover het geheel van deze vaststellingen op het eerste gezicht niet aan dat de voorzitter niet deelgenomen zou hebben aan het beraad of dat de beslissing tot stand zou zijn gekomen zonder zijn goedkeuring. Het laat toe te vermoeden dat hij afwezig was bij de ondertekening – naar de verwerende partij opmerkt op de te-

rechtzitting wegens een hospitalisatie. Die ondertekening is gebeurd “i.o.”. In de huidige stand van de rechtspleging en vaststellende dat verzoeker het stuk voor-

alsnog niet van valsheid lijkt te hebben beticht volgens de daartoe geëigende procedure, neemt de Raad aan dat de bewering alsof de voorzitter de beslissing niet mee zou hebben genomen, niet ernstig is.

22. Het derde middel is niet ernstig.

IX-9135-13/17

D. Vierde middel

Uiteenzetting

23. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 123/17, § 2, VCSO in samenhang met artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit, van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheids-

plicht.

Verzoeker zet uiteen wat volgt:

“II.4.2. De Beroepscommissie dient autonoom de nodige stappen te zetten om tot een beslissing te komen. De Beroepscommissie moet daarbij zorgvuldig en redelijk te werk gaan.

Daarbij dient de Beroepscommissie dezelfde garanties te verlenen als dienen verleend te worden door de delibererende klassenraad. Daarbij wordt overeenkomstig het organisatiebesluit art. 5 § 5 aan de delibererende klassenraad opgelegd door welke concrete gegevens de delibererende klassenraad zich moeten laten leiden.

Waar de Beroepscommissie als orgaan van „functioneel‟ administratief bestuur in beroep oordeelt, dient de Beroepscommissie uiteraard zich te laten leiden door dezelfde gegevens als door de delibererende klassenraad.

Maar er wordt iets meer opgelegd in die zin dat er ook moet gehoord worden, dat er rekening moet gehouden worden met de argumentatie en dat de Beroepscommissie wel degelijk ook bijkomende proeven of opdrachten mag opleggen.

Daaraan is niet voldaan door de Beroepscommissie.

II.4.3. De Beroepscommissie geeft zelf aan dat het niet geslaagd zijn voor het vak geschiedenis, als zodanig niet doorslaggevend is.

Maar dan wordt volstrekt onbegrijpelijk gemotiveerd krachtens welke gegevens er dan toch een C-attest zou moeten verleend worden, dus zelfs zonder een bijkomende proef op te leggen wat expliciet tot de mogelijk-

heden van de Beroepscommissie behoort.

Zo valt niet in te zien hoe de resultaten voor de GIP verenigbaar zouden zijn met een dusdanig negatief oordeel. Al evenmin valt in te zien hoe een score van 57% voor het GIP, dusdanig wordt uiteengezet dat uit een score van toch maar liefst 57%, wordt afgeleid dat er negatief moet geoordeeld worden. Dit is de inconsistentie zelve. Uit 57% gaan deduceren dat er ne-

gatief moet geoordeeld worden en dat de beoordeling van de GIP negatief moet afkleuren. Dit tart elke redelijkheid en dit tart het materieel motive-

ringsbeginsel.

Er wordt uiteengezet dat met wat meer inspanning het bekomen resultaat voor de GIP nog hoger had kunnen zijn. Maar daaruit kan onmogelijker-

IX-9135-14/17

wijze afgeleid worden dat uit een score van 57%, zelf zeggende dat het eigenlijk meer had kunnen zijn en dat er eigenlijk meer in zat, dan negatief over het hele jaar zou moeten geoordeeld worden. Dit is een onbegrijpelijke en volstrekt onredelijke deductie. Dit tart de wetten van de logica.

II.4.4. Niet alleen tart dit wetten van de logica maar het is ook niet fair en niet zorgvuldig.

In het beroepschrift is kort maar toch zeer duidelijk aangegeven wat de emotionele voorgeschiedenis is, waarin een en ander kan geduid worden.

Men heeft er helemaal geen oog voor en dan wordt ongenadig met de bijl geslagen, zonder daarvoor enig oog te hebben, zelfs om een percentage van 57% om te turnen in een beoordeling die negatief zou moeten afkleuren.

Dit is niet correct, dit is niet zorgvuldig, dit mist elke materiële draagkracht.

II.4.5. Eigenlijk wordt het nog onbegrijpelijker waar er wordt uiteengezet hoeveel opmerkingen er op de GIP zijn gemaakt en dit zou dan moeten afkleuren in een compleet negatieve beoordeling. Dit wordt zelfs inge-

roepen als leerbegeleiding en waarschuwingen. Daaruit zou eigenlijk enkel kunnen afgeleid worden dat het GIP wel degelijk goed was, 57%, maar dat het nog beter had gekund. Maar dat het goed was en nog beter had gekund, dit kan qua materiële draagkracht nooit tot een C-attest leiden, a fortiori niet tot een besluit waarbij niet eens een bijkomende proef zou zijn opge-

steld, zou zijn opgelegd, waarbij iemand die 57% had, dan maar zou moeten bewijzen dat hij nog een stuk beter kan.

II.4.6. Buiten deze beschouwingen die helemaal geen materiële draag-

kracht kunnen verlenen aan het betwiste besluit, wordt er eigenlijk zomaar gezegd dat de delibererende klassenraad alles wel overwogen heeft. Maar daarbij wordt natuurlijk de essentie van de taak van de Beroepscommissie over het hoofd gezien, namelijk dat de Beroepscommissie zelve een glo-

bale beoordeling dient te maken.”

Beoordeling

24. De beroepscommissie lijkt het C-attest in wezen toegekend te hebben, na een uitvoerige analyse van verzoekers resultaten en een door verzoeker in huidig verzoekschrift prima facie niet ontkrachte opsomming van de leer-

plandoelstellingen die voor de technische vakken niet zijn bereikt, op grond van “de duidelijke tekorten op twee richtingbepalende vakken” en “een tekortschie-

tende studiehouding, onder meer maar niet beperkt tot belangrijke labo-sessies”.

De beroepscommissie wijst erop dat de omvang van die vakken overeenkomt met de helft van de uren technische vakken en dat de tekorten “als voldoende ernstig worden omschreven”.

IX-9135-15/17

Dit motief lijkt het toekennen van een C-attest voldoende te kunnen onderbouwen.

Zoals verzoeker terecht opmerkt, is het tekort voor het vak ge-

schiedenis voor de beroepscommissie geen dragend motief. Het tekort kan volgens de commissie wel “een bijkomende indicatie […] bieden omtrent de studievoort-

gang en studiehouding”. Verzoeker spreekt dit in zijn uiteenzetting bij dit middel niet tegen.

Het resultaat voor de geïntegreerde proef lijkt geen motief te zijn voor de bestreden beslissing, de beroepscommissie erkent uitdrukkelijk dat het om een slaagcijfer gaat. De commissie haalt enkel sommige elementen uit de “GIP-bundel” aan om haar beoordeling over verzoekers studiehouding kracht bij te zetten. De opmerkingen van verzoeker over de resultaten van de GIP lijken dan ook naast de kwestie en zien ten hoogste op een overtollig motief.

25. Het middel is niet ernstig.

E. Slotsom

26. Er is niet voldaan aan één van de schorsingsvoorwaarden.

VIII. Kosten

27. De verwerende partij vordert in haar nota een verhoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro.

Gelet op het bepaalde in artikel 67, § 2, van het voormelde be-

sluit van de Regent van 23 augustus 1948 is er evenwel aanleiding om de rechts-

plegingsvergoeding te beperken tot het basisbedrag, zijnde 700 euro.

IX-9135-16/17

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 september 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-9135-17/17

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.229