Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.226 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.226 Généré par l'IA

Belgian court dismisses urgent suspension request for student's school grade due to lack of serious grounds.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.226
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected an urgent application to suspend the execution of a school board's decision confirming a student's orientation certificate C. The student argued that the board failed to account for his specific medical condition and provided insufficient remedial support for his failing subjects. The court held that a low median score alone does not invalidate grades and that the school's failure to offer remediation cannot justify changing the results.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Rules; A suspension request based on urgent necessity is rejected if the grounds are not serious, even if the administrative body's motivation is flawed.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent suspension request school orientation certificate insufficient remedial support serious grounds requirement academic grade validity prestation pour la fréquentation d'un cours échec définitif aux examens faute disciplinaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, §§ 1 and 4 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 239.226 van 26 september 2017

in de zaak A. 223.144/IX-9134

In zake: Valon HAXHIJAHA

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nir Zeltzer kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Herentalsestraat 122

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF PROVINCIAAL

ONDERWIJS ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 18 september 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie voor de provinciale scholen voor Tuinbouw en Techniek, campus Boom, van 30 augustus 2017 waarbij het aan Valon Haxhijaha toegekende oriënteringsattest C wordt bevestigd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

IX-9134-1/14

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2017, om 11.30 uur.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Deborah Johnson, die loco advocaat Nir Zeltzer ver-

schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2016-2017 ingeschreven als leer-

ling aan de provinciale technische scholen voor Tuinbouw en Techniek, campus Boom, in het eerste jaar van de tweede graad „elektrische installaties‟ (BSO).

Blijkens het jaarrapport behaalt verzoeker jaartekorten voor lichamelijke opvoeding (36%) en voor drie profielbepalende vakken, namelijk schematekenen (46%), technologie elektriciteit (49%) en praktijk elektrische huishoudelijke installaties (43%). Voor het vak elektriciteit behaalt verzoeker 52%.

De delibererende klassenraad besluit tot een oriënteringsattest C.

IX-9134-2/14

3.2. Overleg met de directeur resulteert niet in een nieuwe oproeping van de klassenraad, zodat verzoeker op 6 juli 2017 beroep instelt bij het school-

bestuur.

3.3. De beroepscommissie hoort verzoeker op 30 augustus 2017. Ter zitting wraakt verzoeker K.D.G., adjunct-directeur van de school en voorzitter van de klassenraad, als intern lid van de commissie omdat zij betrokken was bij een procedure betreffende tuchtfeiten die tijdens het schooljaar 2016-2017 ten opzichte van verzoeker is gevoerd.

Dit verzoek wordt door de beroepscommissie afgewezen met volgende motivering:

“Artikel 123/17, §2, bepaalt dat het schoolbestuur in het secundair onder-

wijs de samenstelling van de beroepscommissie bepaalt, met inachtneming van een aantal in deze paragraaf opgesomde bepalingen, Artikel 123/17, §2, 2° bepaalt daarbij expliciet dat de samenstelling als volgt is: „enerzijds „interne leden‟, zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste eva-

luatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds „externe leden‟, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.‟ Omdat [K.D.G.] de voorzitter is van de delibererende klassenraad die de thans betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, moet zij op grond van voornoemd artikel 123/17, §2, 2° lid zijn van de beroepscommissie.”

3.4. Voorts oordeelt de beroepscommissie als volgt:

“Wat betreft de grond van de zaak stelt de beroepscommissie vast dat de klassenraad aan Valon het oriënteringsattest C toekende vanwege de vele, door hem behaalde tekorten. Zo heeft hij drie jaartekorten behaald op richtingspecifieke vakken, meer bepaald een jaartekort van 43% voor het vak Praktijk elektrische huishoudelijke installaties, een jaartekort van 46%

voor het vak Schematekenen en een jaartekort van 49% voor het vak Technologie elektriciteit. Ook heeft Valon een jaartekort van 36% voor het vak Lichamelijke opvoeding. Daarnaast heeft Valon op de eerste examens voor de vakken Elektriciteit en Technologie elektriciteit respectievelijk 42% en 48% behaald. [Ten slotte] heeft Valon tekorten behaald op dage-

lijks werk voor Praktijk elektrische huishoudelijke installaties (30% DW3

IX-9134-3/14

en 41% DW4), Technologie elektriciteit (48% DW1, 44% DW3 en 48%

DW4), Schematekenen (32% DW1 en 35% DW2), Elektriciteit (DW2 en DW3) en Lichamelijke opvoeding (46% DW1, 40% DW3 en 12% DW4).

De beroepscommissie stelt hierbij vast dat Valon ook in het begin van het schooljaar, voorafgaand aan de periode waarin tegen hem een tuchtpro-

cedure werd gevoerd, tekorten heeft behaald. Dit op zich spreekt reeds tegen dat aan Valon lage cijfers zijn gegeven als doelbewuste „afrekening‟.

De beroepscommissie meent dat er gespreid over het schooljaar voldoende evaluatiemomenten zijn geweest.

Ook meent de beroepscommissie dat de school tijdens het schooljaar de nodige bijsturing aan Valon heeft gegeven zoals blijkt uit de communicatie via Smartschool.

Met toepassing van artikel 123/15, §3, 2° van de Codex Secundair On-

derwijs besluit de beroepscommissie, in voltallige samenstelling en bij unanimiteit, dan ook om op grond van voormelde feiten en overwegingen, het oorspronkelijke evaluatieresultaat te bevestigen.”

IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep

4. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is de initiële klas-

senraadbeslissing ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep uit het rechtsverkeer verdwenen. Het is dan ook correct dat verzoeker zowel op bladzijde 2 van zijn inleidend verzoekschrift als in fine op bladzijde 16 enkel deze beslissing aanwijst als voorwerp van zijn beroep.

Dat hij op bladzijde 10 van het verzoekschrift stelt dat zijn vor-

dering “bij gevolg eveneens” is gericht tegen de initiële klassenraadbeslissing mag als een verschrijving worden opgevat. Zo bevestigt dit ook de raadsvrouw van verzoeker op de terechtzitting.

V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-

stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-

IX-9134-4/14

zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.

VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid

6. Inzake de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid verklaart de verwerende partij zich te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State.

Gelet op zijn vaste rechtspraak aangaande het verlies van een schooljaar, waarop verzoeker zich beroept, kan de Raad het slechts wijs achten om deze voorwaarde als vervuld te beschouwen.

VII. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting

7. Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van be-

stuurshandelingen‟ en van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

De beroepscommissie heeft volgens verzoeker geenszins ge-

antwoord op zijn uitgebreide verzoekschrift. De beroepscommissie somt enkel een aantal resultaten op, doch motiveert niet waarom zij geen rekening houdt met de specifieke omstandigheden en met de niet minder dan tien bezwaren opgeworpen in het verzoekschrift en ter zitting:

“- Er wordt niet geantwoord op de opmerking van verzoekers dat de deli-

bererende klassenraad zich bij haar beslissing enkel heeft laten leiden door de „attitude‟ van Valon en hem niet beoordeeld heeft op al zijn merites.

IX-9134-5/14

- Er wordt door de beroepscommissie niet geantwoord op het feit dat uit de motivering van de delibererende klassenraad niet blijkt dat bepaalde ele-

menten werden betrokken bij de motivering, alhoewel zij bij de motivering moeten betrokken worden, in casu de inhoudelijke analyse van de vakte-

korten.

- Er wordt niet geantwoord op het feit dat er geen rekening werd gehouden met de specifieke omstandigheden in hoofde van Valon (specifieke medi-

sche toestand) met betrekking tot het vak Lichamelijk opvoeding, waardoor dit behaalde resultaat niet kan doorwegen in de beslissing.

- Verzoekers merkten in het beroepsverzoekschrift op dat voor het vak Technologie elektriciteit de mediaan slechts 54% betreft. Op de 2 examens betreft de mediaan slechts 48% (stuk 8.f.). Dit betekent noodzakelijker-

wijze dat een belangrijk gedeelte, zo niet de meerderheid van de leerlingen voor dit vak een jaartekort had, zeker wat de examens betreft.

Verzoekers wierpen reeds in het verzoekschrift voor de beroepscommissie op dat het niet blijkt uit de motivering van de beslissing van de delibere-

rende klassenraad dat, bij de beoordeling van het door Valon behaalde (beperkte) tekort van 49% (doch eigenlijk 49,66% en dus 50% wat geen tekort is), men op enigerlei wijze rekening heeft gehouden met het ab-

normale lage klasgemiddelde voor het vak technologie elektriciteit. De beroepscommissie zelf geeft hier evenmin een antwoord op.

- De beroepscommissie antwoordt niet op het argument dat er door de de-

libererende klassenraad niet „prospectief‟ werd gedelibereerd.

- De beroepscommissie antwoordt niet op het feit dat de delibererende klassenraad zich voor bepaalde vakken heeft laten leiden door verkeerde punten. Op het rapport „Dagelijks werk 3‟ staat dat Valon voor het vak elektriciteit een score van 60% heeft behaald (stuk 8.c.). Op het rapport „Examen 2‟is dit plots slechts een score van 41% (stuk 8.f.). Deze fout kan een grote invloed hebben op het totale resultaat.

- De beroepscommissie antwoordt niet op het feit dat er voor het vak technologie elektriciteit een afronding naar boven had moeten gebeuren, zodat er voor dit vak geen sprake was van een tekort maar van 50%.”

Wanneer de beroepscommissie van oordeel is dat deze elemen-

ten geen invloed hebben, dient zij dit te motiveren. In casu is absoluut niet duide-

lijk of de beroepscommissie al dan niet alle grieven zoals opgenomen in het ver-

zoekschrift in overweging heeft genomen.

Beoordeling

8.1. De beroepscommissie, zoals die in de Codex Secundair Onder-

wijs door de decreetgever is geconcipieerd, is een beroepsorgaan waaraan de volle hervormingsbevoegdheid is opgedragen. Dat beroepsorgaan heeft beslissings-

IX-9134-6/14

macht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het plaatst zijn eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de klassenraadbeslissing en dit op grond van eigen, autonome motieven. De be-

roepscommissie moet daarbij niet verantwoorden waarom zij het eender of anders ziet dan de klassenraad.

Het volstaat dat de beroepscommissie als delibererend orgaan in hoger beroep formeel motiveert hoe zij het zélf ziet en wat háár ertoe brengt op grond van de voorliggende resultaten en overige gegevens van het leerlingendos-

sier de uiteindelijk toegekende evaluatiebeslissing te nemen.

Dit impliceert dat grieven die louter zijn gericht tegen de beslis-

sing van de klassenraad niet ontvankelijk zijn, bij gebrek aan belang. Evenmin heeft verzoeker dan belang om te klagen over het feit dat de beroepscommissie zou hebben nagelaten op die grieven te antwoorden.

8.2. Aldus lijkt verzoeker geen belang te hebben om een antwoord te vragen op de opmerking dat de klassenraad hem niet zou hebben beoordeeld op al zijn merites.

Om diezelfde reden heeft hij geen belang aan te vechten dat de beroepscommissie niet heeft geantwoord op de grief dat de beslissing van de de-

libererende klassenraad niet ervan doet blijken dat bepaalde elementen in zijn beslissing werden betrokken, inzonderheid “het abnormale lage klasgemiddelde”

voor het vak technologie elektriciteit. Hetzelfde geldt voor de grief dat op het argument dat door de klassenraad niet prospectief is gedelibereerd geen antwoord komt.

9. De beroepscommissie antwoordt op het eerste gezicht niet uit-

drukkelijk op het argument dat voor het vak technologie een afronding naar boven moet gebeuren. Verzoeker heeft echter die afronding louter als eigen overtuiging geformuleerd. Hij heeft noch voor de beroepscommissie noch voor de Raad van

IX-9134-7/14

State een rechtsregel of een beginsel ingeroepen dat de beroepscommissie tot deze afronding verplicht. Aangezien de beroepscommissie op het eerste gezicht niet tot afronding is verplicht en dus een cijfer beneden 50% als een tekort mag kwalifi-

ceren, ziet de Raad vooralsnog niet hoe de beroepscommissie, door na te laten hier formeel op te antwoorden, een onregelmatigheid begaat die een invloed kon heb-

ben gehad op de genomen beslissing en, met andere woorden, welk belang ver-

zoeker heeft bij een schorsing van de bestreden beslissing wegens dit falen.

10. Evenmin antwoordt de beroepscommissie uitdrukkelijk, zo lijkt, op de grief dat de punten voor bepaalde vakken verkeerd zijn vastgesteld.

In de nota met opmerkingen geeft de verwerende partij thans de volgende verduidelijking:

“Verder voert verzoeker aan dat de beroepscommissie niet antwoordt op het feit dat de delibererende klassenraad zich heeft laten leiden door ver-

keerde punten, met name een 41% voor dagelijks werk 3 voor het vak Elektriciteit zoals verkeerdelijk vermeld op het rapport bij examen 2, ter-

wijl dat rapportcijfer 60% behoorde te zijn.

De correctie van de quotering voor Elektriciteit, dagelijks werk 3, is te verklaren doordat er op het ogenblik van het [afsluiten] van de puntenlijs-

ten voor deze periode, voorafgaand aan de [opmaak] van het rapport, nog toetsen binnen die periode waren afgenomen die omwille van afwezigheid van de betrokken vakleerkracht niet meer tijdig konden worden ingevoerd.

Eerder dan deze punten dan te transponeren naar de periode dagelijks werk 4, tijdens dewelke zij niet werden afgenomen, is ervoor geopteerd om bij het eerstvolgende rapport het cijfer weer te geven dat werd herberekend met inbegrip van de voormelde toetsen. De gewijzigde punten waren ove-

rigens reeds vóór de uitreiking van dat volgende rapport zichtbaar op SmartSchool.”

Verzoeker was vóór de terechtzitting in het bezit van deze nota met opmerkingen en heeft deze toelichting niet tegengesproken op de terechtzit-

ting, noch zelfs maar in twijfel getrokken. In die omstandigheden gaat de Raad er vooralsnog vanuit dat verzoeker niet in de bestreden beslissing, maar wel op een andere manier – via Smartschool – op de hoogte was van de correcte cijfers. Hoe dan ook, gelet op deze uitleg, lijkt de beslissing gesteund op verklaarbare en cor-

recte cijfers voor het kwestieuze vak en kan een eventuele onregelmatigheid op het

IX-9134-8/14

vlak van de formelemotiveringsplicht niet tot nietigverklaring en dus schorsing leiden aangezien ze geen invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de be-

streden beslissing.

11. Het volstaat, uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht, dat het bestuur de overwegingen expliciteert die aan de beslissing ten grondslag liggen en die afdoende zijn om ze te kunnen verantwoorden.

De uitdrukkelijkemotiveringswet legt aan de overheid niet de verplichting op alle grieven opgeworpen door de betrokkene afzonderlijk te be-

antwoorden. Een lage mediaan volstaat uit zichzelf geenszins om redelijke twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van een toegekend cijfer. Het lijkt dan ook geen grief waarop een uitdrukkelijk antwoord vereist is. De beroepscommissie heeft voor het vak technologie elektriciteit het jaartekort in rekening gebracht en bijgevolg, zo lijkt, impliciet maar zeker gemeend dat een laag mediaanpercentage de betrouwbaarheid van dit cijfer niet doet wankelen.

12.1. De beroepscommissie heeft niet formeel geantwoord op ver-

zoekers grief dat er geen rekening werd gehouden met zijn medische toestand, waardoor het resultaat voor het vak lichamelijke opvoeding “niet kan doorwegen in de beslissing”.

12.2. Met de verwerende partij neemt de Raad van State op grond van de motivering van de bestreden beslissing in overweging dat het jaartekort voor dit vak “duidelijk een ondergeschikte plaats in[neemt] tegenover de jaartekorten en onderliggende tekorten voor de richtingspecifieke vakken”.

Verzoeker heeft immers, zo laat de bestreden beslissing lezen, “drie jaartekorten behaald op richtingspecifieke vakken”. Weliswaar staat er ver-

volgens te lezen dat verzoeker “[o]ok […] een jaartekort” heeft voor het vak li-

chamelijke opvoeding. Hieruit afleiden, zoals verzoeker het doet, dat dit vak heeft doorgewogen voor de toekenning van het oriënteringsattest en dat verzoeker dus

IX-9134-9/14

spijts de vastgestelde drie jaartekorten voor de profielbepalende vakken een gun-

stiger evaluatieresultaat zou behalen dank zij een slaagcijfer voor lichamelijke opvoeding, kan prima facie niet overtuigen.

13. De conclusie van wat voorafgaat is dat het middel niet op grond van een schending van de formelemotiveringsplicht tot de gevraagde schorsing kan leiden.

14. Wat de materiëlemotiveringsplicht betreft, valt de Raad in de huidige stand van de rechtspleging de verwerende partij bij, waar zij opmerkt in haar nota:

“Verwerende partij leest in de uiteenzetting van het middel geen enkele concrete grief die betrekking heeft op een juiste feitenvinding of de inhoud van het leerlingendossier, zodat het middel onontvankelijk is in de mate dat het steunt op de materiëlemotiveringsplicht.”

15. Het middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting

16. Het tweede middel is geput uit de schending van het onpartij-

digheidsbeginsel en het onafhankelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker licht toe:

“Het onpartijdigheidsbeginsel houdt voor de leden van een beraadslagend orgaan onder meer in dat zij zich moeten onthouden van deelname aan een besluitvormingsproces met betrekking tot aangelegenheden waarin zij zelf een rechtstreeks en persoonlijk belang hebben.

Een belang kan ook van morele aard zijn. Dit is het geval wanneer een lid van het beraadslagend orgaan reeds een duidelijk standpunt heeft inge-

nomen en niet zonder gezichtsverlies op zijn standpunt zou kunnen te-

rugkomen.

Het volstaat dat diegenen die onpartijdig behoren op te treden naar buiten toe een schijn van partijdigheid hebben verwekt, dat hun gedragingen een

IX-9134-10/14

gewettigde twijfel hebben doen ontstaan over hun geschiktheid om de zaak van de betrokkene op een onpartijdige wijze te behandelen.

[D.G.], één van de interne leden van de beroepscommissie, was betrokken bij de procedure betreffende tuchtfeiten die tijdens het schooljaar 2016-2017 ten opzichte van Valon werd gevoerd.

Alhoewel zij formeel gezien als voorzitter van de klassenraad deel mocht uitmaken van de beroepscommissie had omwille van het onpartijdigheids-

en onafhankelijksbeginsel iemand anders moeten aangesteld worden. Door dit niet te doen werd een schijn van partijdigheid en vooringenomenheid gewekt.”

Beoordeling

17. De toepassing van de algemene beginselen inzake onpartijdig-

heid en onafhankelijkheid worden onder meer begrensd door uitdrukkelijke wet-

telijke bepalingen.

Voor zover verzoeker met het middel de structurele onpartij-

digheid in vraag stelt, zij vastgesteld dat het de uitdrukkelijke keuze is van de decreetgever, die niet ter beoordeling staat van de Raad van State, dat een directeur de tuchtbeslissingen neemt over leerlingen (artikel 123/10, § 3, VCSO) en dat een directeur als voorzitter van de delibererende klassenraad intern lid is van de be-

roepscommissie (artikel 123/17, § 2, 2°, VCSO).

Het loutere feit dat een directielid in beide functies optreedt, volstaat prima facie dan ook niet om tot (een schijn van) partijdigheid of een ge-

brek aan onafhankelijkheid te besluiten.

18. In de mate waarin het aangevoerde beginsel een ruimere zoge-

naamd „subjectieve‟ component heeft, herinnert de Raad eraan dat subjectieve partijdigheid niet wordt vermoed en slechts mag worden aangenomen indien pre-

cieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die aannemelijk maken dat het bestuur niet onpartijdig heeft gehandeld. Dergelijke overtuigende bewijzen liggen niet voor. Verzoeker overtuigt niet om een persoonlijke animositeit tussen hem en K.D.G. aannemelijk te maken. Overigens is het K.D.G. die met een brief

IX-9134-11/14

van 23 juni 2017 finaal heeft beslist om aan verzoeker “thans geen tuchtmaatregel op te leggen”.

19. Het middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting

20. Het derde middel is genomen uit de schending van het zorgvul-

digheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Verzoeker adstrueert:

“De beroepscommissie verwijst in haar motivering bijkomend ten onrechte naar andere behaalde tekorten tijdens het jaar:

- De beroepscommissie verwijst naar tekorten op de examens voor Elektriciteit (42%) en voor Technologie Elektriciteit (48%) doch verliest uit het oog dat de klasmediaan voor deze vakken op de examens ook zeer laag is: 42% voor Elektriciteit en 48% voor Technologie elektriciteit. Dit is een abnormaal lage mediaan. Bo-

vendien behaalde Valon op zijn eindrapport geen tekort voor het vak Elektriciteit (doch 52%). Zijn dagelijks werk voor elektriciteit steeg zelfs tot 80%.

- De beroepscommissie verwijst naar tekorten voor Schematekenen (DW1: 32% en DW2: 35%) doch verliest uit het oog dat het resul-

taat van Valon in stijgende lijn ging, nl. 60% voor DW3 en 50%

voor DW4.

- De beroepscommissie verwijst andermaal naar tekorten voor Elektriciteit (DW2 en DW3) doch verliest uit het oog dat het DW

van Valon voor elektriciteit steeg tot 80% en hij op het einde van het jaar geen tekort behaalde voor het vak Elektriciteit.

- De verwijzing door de beroepscommissie naar de overige tekorten voor het vak Lichamelijke Opvoeding zijn niet dienstig. Verzoekers wierpen uitdrukkelijk op dat er met de specifieke medische toestand van Valon geen rekening werd gehouden.

Deze verwijzingen door de beroepscommissie naar andere tekorten van Valon zijn motiveringen naast de kwestie, onzorgvuldige motiveringen nu niet gekeken werd naar het globaal beeld, minstens blijkt niet dat de be-

roepscommissie ook met andere aspecten van de persoonlijkheid van Va-

lon rekening heeft gehouden.

IX-9134-12/14

De beroepscommissie meent dat de school tijdens het schooljaar de nodige bijsturing aan Valon heeft gegeven terwijl integendeel bij lezing van de diverse rapporten blijkt dat er met de vakken waarop Valon tekorten heeft met geen woord wordt gerept over een aangeboden remediëring. Aange-

zien het duidelijk is, dat de leerkracht van de „probleemvakken‟ in gebreke is gebleven om remediëring aan te bieden, kan de delibererende klassen-

raad en dus ook niet de beroepscommissie dit element betrokken hebben in haar motivering, minstens niet op deugdelijke wijze.

De beroepscommissie heeft haar beslissing dan ook niet op een zorgvuldige wijze gemotiveerd.”

Beoordeling

21. Zoals reeds hiervóór is opgemerkt, volstaat een lage mediaan niet om de geloofwaardigheid van het toegekende cijfer in twijfel te trekken.

22. Dat verzoeker een slaagcijfer behaalt voor het vak elektriciteit maakt zijn tekorten voor de andere drie profielbepalende vakken niet beter. De beroepscommissie betrekt voorts het jaarcijfer en bepaalde deelresultaten voor dit vak wel degelijk in haar beoordeling, om met het zwakke resultaat (52%) en de tekorten voor DW2 en DW3 aan te geven dat het slaagcijfer voor dit vak niet opweegt tegen de andere vastgestelde tekorten.

23. Het ontgaat de Raad van State hoe, voor het vak schematekenen, een “lijn” van “60% voor DW3 en 50% voor DW4” als stijgend omschreven moet worden.

24. De vaststellingen omtrent het vak lichamelijke opvoeding lijken, zoals hiervóór al opgemerkt, overtollig.

25. Zoals de Raad van State al in tal van arresten heeft geoordeeld, kan een eventueel falen van de school met betrekking tot de aangeboden reme-

diëring relevant zijn om uit te maken wie aan de tekorten schuld of mede schuld heeft, maar vermag dit niet de resultaten beter te maken dan ze zijn, laat staan de toekenning van een A-attest te verantwoorden. Daargelaten of verzoeker de be-

IX-9134-13/14

roepscommissie dus al dan niet terecht verwijt met een gebrekkig remediërings-

aanbod geen rekening te hebben gehouden, het argument faalt in rechte.

26. Het middel is niet ernstig.

D. Slotsom

27. Zonder ernstig middel is niet voldaan aan één van de voor-

waarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 september 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-9134-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.226