Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.221 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.221 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against fine for overloading truck, upholding use of uncalibrated axle weighers.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.221
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Stefan Volders' appeal against a €4,500 administrative fine imposed on him and his company for overloading a truck. The court found that the weighing device used was an automatic axle weigher, which the law requires for such violations, and the defendant failed to prove it was non-compliant. Although the parties argued the scale lacked calibration, the court noted the voluntary biennial metrological control performed by the government service provided sufficient assurance of accuracy.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 3 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; No legal regulation exists for the calibration of axle weighers used to establish violations, and voluntary metrological control by the competent service satisfies the requirement for accuracy.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative fine overloading violation automatic weigher metrological control burden of proof road infrastructure victims compensation calcul de l'amende

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 239.221 van 26 september 2017

in de zaak A. 218.425/XII-8082

In zake: 1. Stefan VOLDERS

2. de NV COOLTRANS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

het VLAAMSE GEWEST

woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20//4

Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Vanempten

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer van 17 december 2015 waarbij in graad van beroep aan Stefan Volders een administratieve geldboete van 4500 euro wordt opgelegd, waarvoor de nv Cooltrans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XII-8082- 1/9

Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Inge Van Den Dorpel, die loco advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord.

Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 13 januari 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Stefan Volders, de eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van de nv Cooltrans, de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg E313 richting Hasselt ter hoogte van Tessenderlo.

Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 2 van de trekker bedraagt de overlading 3.297 kg, hetzij 27,5%. De overschrijding van de maximaal toegelaten massa van de trekker bedraagt 3.964 kg, hetzij 20,9 %.

De overschrijding van de maximaal toegelaten massa van de sleep bedraagt 1.632

kg, hetzij 3,7 %. De oplegger is geladen met betontegels. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1 en 2 van het decreet van 3 mei 2013

XII-8082- 2/9

‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).

3.2. Op 6 maart 2015 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging wordt ingesteld.

3.3. Op 13 mei 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld.

Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

3.4. Op 28 mei 2015 tekenen de verzoekende partijen verzet aan tegen die beslissing.

Op 23 juli 2015 vindt een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de tweede verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer.

Op 6 augustus 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.500 euro op te leggen; de tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen, die woonplaats kozen bij hun raadsman, ter kennis gebracht.

3.5. Op 27 augustus 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.

Op 23 oktober 2015 vindt een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij dient opnieuw een schriftelijke conclusie in.

Op 17 december 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een admini-

XII-8082- 3/9

stratieve geldboete op te leggen van 4.500 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 19, § 2 en § 3, van het voormelde decreet bijzonder wegtransport.

Zij wijzen erop dat deze bepalingen vervaltermijnen bevatten voor het opleggen van de administratieve geldboete na “verzet” en in beroep.

Volgens de verzoekende partijen werden die termijnen niet gerespecteerd.

5. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te “volharden in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

6. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan een voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden.

Bij de omschrijving van de wijze waarop de rechtsregel door het bestreden besluit

XII-8082- 4/9

wordt geschonden, dient de verzoekende partij op een voldoende concrete wijze aan te geven waarom de rechtsregel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.

Te dezen beperken de verzoekende partijen er zich toe in het algemeen te verwijzen naar “artikel 19, § 2 en § 3 van het Decreet Bijzonder Wegtransport” en te stellen dat te dezen “de termijnen niet werden gerespecteerd”.

Dergelijke beknopte en vage uiteenzetting mag niet worden beschouwd als een voldoende concrete uiteenzetting van een middel.

Dit geldt des te meer nu de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord op geen enkele wijze reageren op de omstandige toelichting door de verwerende partij in haar memorie van antwoord waarin deze op concrete wijze uiteenzet op welke wijze de door artikel 19, § 2 en § 3, van het voormelde decreet opgelegde termijnen wel werden gerespecteerd.

7. Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

8. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 12 en artikel 16 e.v. de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen” en uit de schending van “het decreet bijzonder wegtransport inzake de deugdelijke vaststelling van een inbreuk”.

De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift aan dat de asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt en derhalve niet voldoet aan de wet van 16 juni 1970 ‘betreffende de meeteenheden, de

XII-8082- 5/9

meetstandaarden en de meetwerktuigen’, zodat de vraag rijst of dergelijke asdrukweger mag worden aangewend bij de controle op de naleving van het decreet bijzonder wegtransport.

De verzoekende partijen doen gelden dat de gehanteerde asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zijn, die bij gebrek aan ijking niet wettig kunnen worden gebruikt om controles op de naleving van het decreet bijzonder wegtransport uit te voeren. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1994 ‘houdende een nieuwe regeling betreffende de niet-

automatische weegwerktuigen’ wordt onder niet-automatisch weegwerktuig een weegwerktuig verstaan waarbij voor het wegen de tussenkomst van een operator noodzakelijk is. Daar de asdrukwegers die door het Vlaamse Gewest worden gebruikt de tussenkomst van een operator vereisen, kan volgens de verzoekende partijen niet worden betwist dat de asdrukwegers niet-automatische weegtoestellen zijn, die geijkt dienen te worden om controles op de naleving van het aslasten-

decreet te kunnen uitvoeren. Volgens de CE-conformiteitsverklaring van de asdrukwegers gaat het volgens de verzoekende partijen om een niet-automatisch weegtoestel. Ook het bestek op grond waarvan de asdrukwegers werden geleverd, voorzag in de aanschaf van niet-automatische weegtoestellen. Voorts dient het te wegen voertuig te worden bestuurd en met constante snelheid over de asdrukweger te rijden, op grond van de aanwijzingen van de wegeninspecteur, die het toestel dient aan te zetten en de nodige gegevens over het voertuig in de computer dient in te voeren. Laatstgenoemde beschikt daartoe over een lijvige handleiding die overbodig zou zijn indien alles automatisch zou gebeuren.

De verzoekende partijen betogen voorts dat, zelfs indien de asdrukwegers van het Vlaamse Gewest automatische weegtoestellen zouden zijn, dit niet impliceert dat zij niet moeten worden geijkt, nu zij worden aangewend om heffingen en restituties te berekenen. Een administratieve geldboete die wordt opgelegd op grond van het decreet bijzonder wegtransport is volgens de verzoekende partijen een heffing op wegdekbeschadiging, zodat de asdrukwegers die bij dergelijke procedure gebruikt worden, geijkt moeten zijn.

XII-8082- 6/9

In ondergeschikte orde voeren de verzoekende partijen aan dat het onredelijk zou zijn om niet-geijkte asdrukwegers te gebruiken. Zij merken op dat het gebruik van geijkte toestellen wel vereist is in het economisch verkeer, zodat niet valt in te zien waarom een ijking niet noodzakelijk zou zijn wanneer hetzelfde toestel voor gerechtelijke doeleinden wordt gebruikt. Op grond van het adagium ‘in dubio pro reo’ kunnen in het strafrecht immers enkel de strengste standaarden worden gehanteerd. Dit is onder meer het geval voor toestellen die gebruikt worden bij snelheidscontroles en alcoholcontroles zodat het, volgens de verzoekende partijen, dan ook niet meer dan logisch is dat voor de asdrukwegers die worden gebruikt voor de vaststellingen in het kader van het decreet bijzonder wegtransport eveneens de strengste standaarden worden opgelegd, zonder een onderscheid te maken tussen automatische en niet-automatische weegtoestellen.

Volgens de verzoekende partijen is elke redelijkheid zoek wanneer inzake ijking een discriminatoir onderscheid wordt gemaakt tussen wegingen in het economisch verkeer en wegingen voor gerechtelijke doeleinden, enerzijds, en wegingen met automatische weegtoestellen en wegingen met niet-automatische weegtoestellen, anderzijds.

9. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te “volharden in het geformuleerde middel”.

Beoordeling

10. De Raad van State oordeelde reeds meermaals dat het type asweger zoals degene waarmee te dezen de metingen werden uitgevoerd op grond waarvan de inbreuk werd vastgesteld, te weten, een asdrukweger van het merk Central Weighing Limited, type Supaweigh II, een automatisch weegwerktuig betreft, gelet op de definitie van een automatisch weegwerktuig opgenomen in bijlage MI-006 van het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’, zoals van kracht op het ogenblik van de vaststelling van de inbreuk, en gelet op de Internationale Aanbeveling R 134-1 ‘Automatic

XII-8082- 7/9

instruments for weighing road vehicles in motion and measuring axle loads’ van 2006 van de Internationale Organisatie voor Wettelijke Metrologie.

De loutere bewering van de verzoekende partijen dat de CE

conformiteitsverklaring van de betreffende asdrukwegers zou stellen dat het om niet-automatische weegtoestellen zou gaan, wordt door geen enkel stuk gestaafd.

De bewering dat in het bestek op grond waarvan de toestellen werden aangekocht, in de aanschaf van niet-automatische weegtoestellen werd voorzien, wordt evenmin gestaafd.

11. Voorts oordeelde de Raad van State reeds herhaaldelijk dat er geen wettelijke regeling bestaat aangaande de ijking van asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport.

12. In de mate de verzoekende partijen voorts aanvoeren dat het niet redelijk is om niet-geijkte asdrukwegers te gebruiken bij het vaststellen van een inbreuk op het aslastendecreet dient er hen op te worden gewezen dat de verwerende partij meedeelt dat zij op vrijwillige basis de asdrukwegers onderwerpt aan een metrologische controle door de metrologische dienst van de FOD

Economische Zaken en dat deze controle, aldus de verwerende partij, om de twee jaar plaatsvindt, hetgeen strookt met de aanbeveling van de metrologische dienst.

Te dezen blijkt uit het bij het proces-verbaal van 13 januari 2015

gevoegde verslag van metrologische controle dat de betrokken asweger met serie-

nummer 5657 werd onderworpen aan een metrologische controle op 16 december 2014, dit is minder dan een maand voorafgaand aan het vaststellen van de inbreuk.

De verzoekende partijen brengen in hun memorie van wederantwoord geen enkele repliek aan op het verweer van de verwerende partij, laat staan dat zij elementen aanbrengen die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde overigens niet in vraag wordt gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een

XII-8082- 8/9

uitgevoerde weging dan in geval van een bij de wet voorziene ijking. De Raad van State ziet zulks evenmin spontaan in.

13. Het middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 september 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.

De griffier De voorzitter

Silja Doms Johan Bovin

XII-8082- 9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.221