Court dismisses appeal against fine for overloading truck, rejecting claims of weighing errors and procedural violations.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Appeal rejected Pavel Volkov's administrative appeal against a €2,100 fine imposed for overloading a truck. The court found that the weighing equipment was accurate, having undergone voluntary calibration shortly before the inspection, and that the measured overload of 2,341 kg on one axle clearly exceeded the 2,000 kg threshold required for the penalty. Consequently, the court held that the administrative decision was lawful and dismissed the appeal, ordering the parties to split the legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3, paragraphs 1 and 2 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure; The court holds that an administrative fine for overloading is valid when the weighing results are reliable, the equipment has been calibrated, and the measured weight exceeds the statutory threshold, even if minor measurement deviations exist.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 239.220 van 26 september 2017
in de zaak A. 218.716/XII-8108
In zake: 1. Pavel VOLKOV
2. de NV TRUCK- EN TANKCLEANING TACK
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20//4
Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Vanempten
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 8 maart 2016, strekt tot de nietig-
verklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer van 19 januari 2016 waarbij in graad van beroep aan Pavel Volkov een administratieve geldboete van 2.100 euro wordt opgelegd, waarvoor de nv Truck- en Tankcleaning burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8108- 1/8
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Inge Van Den Dorpel, die loco advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 8 april 2015 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Pavel Volkov, de eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van de nv Truck- en Tankcleaning, de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg E313 richting Hasselt ter hoogte van Tessenderlo.
Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 2 van de trekker bedraagt de overlading 2.341 kg, hetzij 18,7%. De over-
schrijding van de maximaal toegelaten massa van de trekker bedraagt 2.897 kg, hetzij 15,1 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1 en 2 van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
XII-8108- 2/8
3.2. Op 11 mei 2015 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
3.3. Op 30 juli 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.100 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.4. Op 6 augustus 2015 tekenen de verzoekende partijen verzet aan tegen die beslissing.
Op 16 september 2015 vindt een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de tweede verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer.
Op 1 oktober 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.100 euro op te leggen; de tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen, die woonplaats kozen bij hun raadsman, ter kennis gebracht.
3.5. Op 22 oktober 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
Op 10 december 2015 vindt een hoorzitting plaats. De tweede verzoekende partij dient opnieuw een schriftelijke conclusie in.
Op 19 januari 2016 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 2.100 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-8108- 3/8
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 19, § 2 en § 3, van het voormelde decreet bijzonder wegtransport.
Zij wijzen erop dat deze bepalingen vervaltermijnen bevatten voor het opleggen van de administratieve geldboete na “verzet” en in beroep.
Volgens de verzoekende partijen werden die termijnen niet gerespecteerd.
5. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te “volharden in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
6. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan een voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden.
Bij de omschrijving van de wijze waarop de rechtsregel door het bestreden besluit wordt geschonden, dient de verzoekende partij op een voldoende concrete wijze aan te geven waarom de rechtsregel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden.
Te dezen beperken de verzoekende partijen er zich toe in het algemeen te verwijzen naar “artikel 19, § 2 en § 3 van het Decreet Bijzonder Wegtransport” en te stellen dat te dezen “de termijnen niet werden gerespecteerd”.
XII-8108- 4/8
Dergelijke beknopte en vage uiteenzetting mag niet worden beschouwd als een voldoende concrete uiteenzetting van een middel.
Dit geldt des te meer nu de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord op geen enkele wijze reageert op de omstandige toelichting door de verwerende partij in haar memorie van antwoord waarin deze op concrete wijze uiteenzet op welke wijze de door artikel 19, § 2 en § 3, van het voormelde decreet opgelegde termijnen wel werden gerespecteerd.
7. Het middel is niet ontvankelijk.
Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
8. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel VIII.43 WER en het KB van 28 september 2010
betreffende de automatische meetwerktuigen”.
De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift aan dat de automatische asdrukweger waarmee de inbreuk werd vastgesteld niet werd geijkt en derhalve niet voldoet aan de vereisten van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de installatie en de delegatie van de herijkverrichtingen van taxameters’, zodat de vraag rijst of dergelijke asdrukweger mag worden aangewend bij de controle op de naleving van het decreet bijzonder wegtransport. Met betrekking tot het verslag van metrologische controle dat door de verwerende partij naar voor kan worden gebracht, merken de verzoekende partijen op dat dit geen ijkingsverslag is zoals voorzien in de regelgeving. Zij wijzen ook op de volgende vermelding in het verslag: “In geval van twijfel moeten de wegingen uitgevoerd worden op een geijkte weegbrug”. De weging met een asdrukweger betreft een 100% automatische technische vaststelling waarbij de verbalisanten zelf niet vaststellen maar dit overlaten aan de computer. De weegbon, die het enige bewijs is dat in deze wordt voorgelegd van de overlading, is puur het product van de automatische weging. De weegresultaten kunnen dan ook niet als wettige resultaten aanvaard worden.
XII-8108- 5/8
9. In de memorie van wederantwoord beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te “ volharden in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
10. De Raad van State oordeelde reeds herhaaldelijk dat er geen wettelijke regeling bestaat aangaande de ijking van asdrukwegers die worden gebruikt met het oog op de vaststelling van inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport. Zoals de verwerende partij aangeeft, heeft de bijlage MI-006 bij het koninklijk besluit van 13 juni 2006 ‘betreffende meetinstrumenten’, zoals van kracht op het moment van de betreffende weging, slechts betrekking op vijf types van automatische weegwerktuigen, te weten:
1. automatische gewichtssorteer- of ettiketeermachines (vangwegers)
2. automatische doseerwerktuigen 3. discontinu totaliserende weegwerktuigen 4. continu totaliserende weegwerktuigen 5. automatische spoorwegbruggen
Dezelfde types van automatische weegwerktuigen worden ook opgesomd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 28 september 2010
‘betreffende de automatische weegwerktuigen’ waarin per type weegwerktuig de voorschriften zijn opgenomen waaraan de automatische weegwerktuigen moeten voldoen om het aanvaardingsmerk bij de herijk en de technische controle te ontvangen – zie artikel 2 van het vermelde koninklijk besluit. Het verweer dat de betreffende asdrukwegers niet onder deze specifieke types van weegwerktuigen worden vermeld, wordt door de verzoekende partijen niet betwist en kan worden bijgevallen. De verzoekende partijen tonen in de gegeven omstandigheden niet aan dat de automatische asdrukwegers onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 28 september 2010 ‘betreffende de automatische weegwerktuigen’.
11. Bovendien kan in ieder geval ook worden vastgesteld dat de betrokken asdrukweger met serienummer 5657 op 16 december 2014, dit is iets minder dan vier maanden voorafgaand aan de uitvoering van de weging, werd onderworpen aan een vrijwillige metrologische controle uitgevoerd door de sectie
XII-8108- 6/8
Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer. De verzoekende partijen brengen geen gegevens aan die eraan doen twijfelen dat een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst, waarvan de bevoegdheid en kunde niet in vraag wordt gesteld, minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een bij wet voorziene ijking. De Raad van State ziet zulks evenmin spontaan in.
12. In de mate de verzoekende partijen stellen dat in het verslag wordt aangegeven dat in geval van twijfel de wegingen moeten worden uitgevoerd op een geijkt weegwerktuig, kan worden vastgesteld dat uit het controleverslag blijkt dat de eventuele meetfouten op de individuele asgewichten en op het totaalgewicht van het voertuig die bij het wegen werden vastgesteld, kleiner waren dan vermeld in de bijlage bij het certificaat. Deze afwijkingen betreffen bijgevolg waarden minder dan of gelijk aan 2% voor het individuele asgewicht en minder dan of gelijk aan 1% voor het totale asgewicht. Gelet op het gegeven dat te dezen een overlading van 2.341 kg voor de as 2 van de trekker werd vastgesteld en een totale overlading van 2.897 kg voor de trekker en gelet op het gegeven dat aan de verzoekende partijen de minimale boete van 2.100 euro – 350 euro vermenig-
vuldigd met de opdeciemen – werd opgelegd die geldt voor een overschrijding vanaf 2.000 kg, tonen de verzoekende partijen niet aan dat er te dezen sprake zou kunnen geweest zijn van twijfel en dat de meetresultaten niet de vereiste betrouwbaarheid zouden vertonen. De in acht genomen overlading, zelfs wanneer zou rekening worden gehouden met de eventuele afwijkingswaarden (2.341 kg –
2% of 2.897 kg– 1%), ligt ruim boven de minimale waarde van overlading om de boete te bepalen (2.000 kg).
13. De verzoekende partijen tonen voorts niet aan op welke wijze artikel VIII.43 WER zou zijn geschonden nu het te dezen geen meting betreft in het economisch verkeer.
14. Het middel wordt verworpen.
XII-8108- 7/8
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 september 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Johan Bovin
XII-8108- 8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.220