Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.193 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.193 Généré par l'IA

Belgian court dismisses appeal against monument protection decree limiting property rights for general interest.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.193
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal against two administrative decisions protecting a farmhouse and welcome trees as monuments. The applicant argued that the imposed servitude violated her property rights, while the state contended the protection served the general interest. The court ruled that limiting property enjoyment does not automatically constitute a violation of the European Convention on Human Rights when justified by public heritage preservation.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 1, § 1, Art. 1, § 2, Protocol No. 1 ECHR; A limitation on the peaceful enjoyment of possessions is not a violation of the Convention if it pursues a legitimate aim in the general interest and strikes a fair balance between individual rights and the public good.

Mots-clés

Généré par l'IA
monument protection property rights general interest European Convention administrative appeal heritage preservation servitude burden protection du patrimoine

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 1, § 1, Protocol No. 1 ECHR
Art. 1, § 2, Protocol No. 1 ECHR
Monument Decree
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 239.193 van 22 september 2017

in de zaak A. 215.848/X-16.228.

In zake : Vera MEERSMAN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem Dries 77

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 13 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van :

a) het besluit van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand van 27 februari 2014 “tot vaststelling van een ontwerp van lijst van als monument te beschermen twee welkomstbomen en boerenhuis in Zottegem (Velzeke-Ruddershove)”;

b) het besluit van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 5 maart 2015 “tot bescherming als monument van de twee welkomstbomen en een boerenhuis in Zottegem (Velzeke-Ruddershove)”.

X-16.228-1/19

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld.

Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jürgen Staercke, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Het aan de Schoolstraat 83 te Zottegem (Velzeke-Ruddershove)

gelegen onroerend goed bestaat uit een vierkantshoeve (hierna: de vierkantshoeve) met omliggende weiden. De helft van dit onroerend goed is in eigendom van Emiel Michiels, de oom van verzoekster. De andere helft was tot

X-16.228-2/19

aan haar overlijden op 16 januari 2015 in eigendom van Zoë Michiels, de moeder van verzoekster die, net als de broer van verzoekster, als domicilieadres Provinciebaan 219 te Zottegem heeft. Ten gevolge van dit overlijden is verzoekster, evenals haar broer en zus, mede-eigenaar geworden van de laatstgenoemde helft.

De noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve bestaat uit een boerenhuis met een breedte van ongeveer 17 meter, met links daarvan, een poortgebouw met een breedte van ongeveer 5 meter. Aan de straatkant van de noordwestelijke vleugel staat links en rechts van de inkomdeur een leilinde.

Ter verduidelijking volgen hierna een schematische weergave van de plaatselijke toestand, evenals een foto van de straatgevel van de noordwestelijke vleugel uit het administratief dossier.

X-16.228-3/19

4. Op 3 oktober 2013 maakt het agentschap Onroerend Erfgoed een nota op waarin wordt voorgesteld om voor de twee leibomen en de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve de procedure voor bescherming als monument te starten (hierna: de motiveringsnota). In de motiveringsnota wordt onder meer het volgende overwogen:

“Het boerenhuis is op traditionele wijze met de erfgevel naar het zuidoosten gericht, de meer gesloten achtergevel bevindt zich aan de straatzijde. Zoals typerend voor de Vlaamse boerenhuisbouw vertoont het boerenhuis een langgerekte rechthoekige plattegrond en telt het één bouwlaag onder zadeldak met mechanische pannen. Het dakschild aan de erfzijde loopt door boven het lagere aanleunende poortgebouw. De woning zelf is zeven traveeën breed met een opstand overeenkomstig de gebruikelijke indeling van de boerenwoning waarbij de vensters in de erfgevel of voorzijde gegroepeerd zijn per twee. De voor- en achterdeur liggen tegenover elkaar verbonden door een gang De ingangsdeur aan de straat is geflankeerd door twee welkomstlinden met een uitzonderlijke vorm als oude leilinden.

Het boerenhuis is geconstrueerd in verankerde baksteenbouw met gecementeerde plint met schijnvoegen; de linker gevelhoek aan de erfzijde vertoont ter hoogte van de plint natuurstenen hoekstenen.

De erfgevel is gewit onder de getrapte bakstenen daklijst. De zijgevel, palend aan het poortgebouw van de hoeve, is tegen het vrijstaande gedeelte voorzien van een cementering met afgeronde uitspringende schijnvoegen;

de geveltop uitlopend op een schoorsteen draagt een groot topanker met krulmotieven. Binnen de doorrit van de poort vertoont het boerenhuis in de geveltop een zolderlaaddeur en een gedicht zoldervenster. Aangepast zoldervenster met houten latei in de andere zijpuntgevel van het boerenhuis.

Uitwendig bewaart het boerenhuis muuropeningen met bouwkenmerken die typerend zijn voor de 18de eeuw. In de erfgevel is de hoge voordeur gevat in een steekboogvormige uitspringende vlakke omlijsting met gebogen druiplijst. Het omlijste ovale bovenlichtje is voorzien van decoratief smeedijzeren traliewerk onder bekronend omlijst beeldnisje met kruisje. De deurdrempel wordt voorafgegaan door een halfronde bakstenen stoep.

De lagere achterdeur aan de bakstenen straatzijde is gevat in een witgeschilderde omlijsting met druiplijstje en op neuten, eveneens vergezeld van een ovaal bovenlichtje met gelijkaardig decoratief smeedijzeren traliewerk De hoge steekboogvensters in de erfgevel zijn uitgevoerd met sponning, luikduimen en gevat in uitspringende vlakke rechthoekige omlijstingen met oren. Het schrijnwerk van de ramen dateert vermoedelijk uit begin 20ste eeuw. Vensterbanken uitgevoerd in hardsteen. In de straatgevel komen kleine bijna vierkante vensteropeningen voor met houten latei, vroeger met luikjes en tralies (enkele ervan met bewaarde luikduimen).

Het interieur bewaart van de oorspronkelijke woning wellicht nog grosso modo de indeling met drie grote kamers aan de voorzijde van het huis

X-16.228-4/19

waaronder de centrale woonkamer en aanpalende opkamer boven tweedelige gewelfde kelder. De geschilderde binnendeuren dateren van omstreeks 1900 of begin 20ste eeuw.

Er werd geen toestemming verleend om het interieur te fotograferen.

[...]

Zeldzaamheid:

De laatste afgelopen decennia is de historische hoevebouw als fenomeen sterk aan het verdwijnen. Het 18de eeuwse boerenhuis met zijn uitgesproken kenmerken voor die periode bezit hierdoor een ontegensprekelijk zeldzaam karakter.

[...]

Herkenbaarheid:

Het boerenhuis bezit een grote herkenbaarheid zowel door zijn typische kenmerken naar volume en uitwerking als naar toegepaste stijlelementen voornamelijk in de omlijstingen van de muuropeningen.

[…]

Gaafheid en authenticiteit:

Afgezien van het in 1904 vernieuwde en aangepaste pannen zadeldak behield het boerenhuis globaal gezien zijn authentiek voorkomen. In de straatgevel werd het oorspronkelijk schrijnwerk van vensters en deur door kunststof vervangen, doch er zijn archieffoto’s voorhanden van de voorgaande toestand ervan.

[...]

Representativiteit:

Het boerenhuis is een representatief exemplaar van het traditionele Vlaamse boerenhuis met kenmerken die duidelijk eigen zijn aan de 18de eeuwse boerenhuisbouw. De langgestrekte bouw van één bouwlaag met zadeldak, zuidoostelijk gerichte erfgevel met per twee gegroepeerde vensters, de toegepaste steekboogvorm voor de muuropeningen in de erfgevel en meer gesloten achtergevel (straatzijde) met kleinere vensters en lagere deur zijn kenmerkend voor dit agrarisch woningtype. De toepassing van een ovale oculus als bovenlicht boven beide deuren is een typerend element voor de 18de eeuw. De toepassing van een omlijste gevelnis in de deurtravee is nog een kenmerkend architecturaal detail in de uitwerking van de erfgevel. Het poortgebouw van de hoeve dat constructief aansluit bij het boerenhuis is typologisch ook representatief voor dit ruraal bouwkundig erfgoed.”

5.1. Op 27 februari 2014 neemt de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand het besluit tot voorlopige bescherming als monument van de twee leibomen en de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve. Dit is het eerste bestreden besluit (hierna: het voorlopig beschermingsbesluit).

X-16.228-5/19

5.2. Op 7 maart 2014 verstuurt de verwerende partij aan het stadsbestuur van Zottegem, het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem en het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen, evenals aan de eigenaars van het betrokken onroerend goed, te weten de oom en de moeder van verzoekster, aangetekende brieven ter kennisgeving van het voorlopig beschermingsbesluit.

5.3. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 april 2014.

6. Tijdens het van 18 maart 2014 tot 16 april 2014 gehouden openbaar onderzoek betreffende de beschermingsprocedure worden geen bezwaarschriften ingediend.

7. In haar als volgt luidend advies van 24 april 2014 suggereert de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen om de bescherming uit te breiden:

“De erfgoedwaarde van de twee welkomstbomen en boerenhuis in Zottegem (Velzeke-Ruddershove) kan onderschreven worden. De deputatie is echter de mening toegedaan dat ernstig overwogen moet worden de voorgestelde bescherming, beperkt tot het woonhuis en twee bomen, uit te breiden met de zich op de site bevindende bijgebouwen.”

8. In een nota aan de minister van 18 juni 2014 reageert het agentschap Onroerend Erfgoed als volgt op het in het vorige randnummer aangehaalde advies:

“voorafgaand aan de bescherming is onderzocht of de bijgebouwen op het erf in aanmerking kwamen voor bescherming. De achterliggende gebouwen verkeren in een zo slechte toestand dat restauratie niet meer mogelijk is. Er kan dan enkel nog sprake zijn van heropbouw. Een aantal gebouwen is zo verbouwd dat de erfgoedwaarde verdwenen is. Bakoven en kapelletje zijn al ingestort.

De waarde van het in oorsprong 18de-eeuwse boerenhuis ligt hoofdzakelijk in de relatie met de welkomstlindes. De 18de-eeuwse configuratie van de hoeve is niet meer als dusdanig herkenbaar. Enkel het boerenhuis en het poortgebouw voldeden aan de beschermingscriteria.”

X-16.228-6/19

9. Op 4 september 2014 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: KCML) een gunstig advies uit.

10.1. Bij besluit van 5 maart 2015 beschermt de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed de twee leibomen en de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve definitief als monument. Dit is het tweede bestreden besluit, waarin het volgende wordt gesteld:

“Het algemeen belang dat de bescherming verantwoordt, wordt door het gezamenlijk voorkomen en de onderlinge samenhang van de volgende intrinsieke waarden gemotiveerd:

Artistieke, in casu esthetische waarde:

De twee welkomstbomen zijn beeldbepalende objecten met een mooie representatieve kunstsnoeivorm. Door de omvang van hun stam behoren ze tot de dikste en oudste leilinden in de regio. De leivorm en standplaats van de bomen ten opzichte van de toegangsdeur van het boerenhuis vormen een ensemble.

Historische, in casu cultuurhistorische waarde:

Het koppel Hollandse linden (Tilia x vulgaris) zijn welkomstbomen en bestaan uit symmetrische, kunstmatig gevormde leibomen.

Een welkomstboom is een afweerboom aangeplant bij de inkom van een erf, in dit geval aan weerszijden van de toegangsdeur van een boerenhuis.

De bomen en het boerenerf vormen samen een historische eenheid.

De twee leilinden getuigen van een welbepaalde beheersvorm uit het verleden waarbij beplantingen werden geleid en geknot. Alle gesteltakken zijn in één verticaal vlak geleid. De bomen zijn symmetrisch geleid ten opzichte van de toegangsdeur van het boerenhuis.

Historische, in casu architectuurhistorische waarde:

Het deels gewitte boerenhuis bewaart globaal gezien zijn authentiek en herkenbaar uitzicht van een rurale woonvorm in baksteenbouw uit de 18de eeuw. Het typische langgerekte volume van één bouwlaag onder zadeldak is eigen aan het traditionele Vlaamse boerenhuis en, opklimmend tot de 18de eeuw, vertegenwoordigt het thans een zeldzamer wordend exemplaar van de historische boerenhuisbouw.

Naar vormgeving en uitwerking verlenen de omlijste steekboogvormige vensters in de zuidoostelijk gerichte erfgevel en beide deuren een grote representativiteit aan de constructie als midden 18de-eeuws boerenhuis met architecturale allure. Zowel de omlijste voor- als achterdeur zijn immers nog bekroond door een gebogen druiplijst onder ovaal bovenlicht met sierlijk gesmeed traliewerk. Een omlijst gevelnisje voor heiligenbeeld beëindigt de deurtravee aan de erfzijde.

Typologisch en constructief vormt het poortgebouw een aansluitend geheel met het boerenhuis. Contextueel, visueel en functioneel is er een onverbrekelijke band tussen het boerenhuis en de twee monumentale leilinden die de toegangsdeur in de straatgevel flankeren.”

X-16.228-7/19

10.2. Met aangetekende brieven van 16 maart 2015 worden de oom van verzoekster en – op het adres Provinciebaan 219 te Zottegem – “Zoë Michiels”, dit is de dan reeds overleden moeder van verzoekster, in kennis gesteld van het tweede bestreden besluit (hierna: het definitief beschermingsbesluit).

10.3. Het definitief beschermingsbesluit wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 april 2015.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

11. Het eerste middel wordt genomen uit de schending van artikel 5, § 2, 1°, van het decreet van 3 maart 1976 ‘tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten’ (hierna: het monumentendecreet).

In het eerste middelonderdeel wordt aangevoerd dat de overmaking van het voorlopig beschermingsbesluit door het voor erfgoed bevoegde bestuur aan het voor ruimtelijke ordening bevoegde bestuur moest gebeuren door middel van een aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs. Er ligt evenwel geen bewijs van een aangetekende zending of ontvangstbewijs voor.

In het tweede middelonderdeel wordt aangevoerd dat het voorlopig beschermingsbesluit is overgemaakt aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem, terwijl het moest zijn overgemaakt aan “het stadsbestuur” van Zottegem.

In het derde middelonderdeel wordt aangevoerd dat uit de postlijst van de aangetekende zendingen niet blijkt dat het voorlopig beschermingsbesluit werd betekend aan Zoë Michiels.

X-16.228-8/19

In het vierde en het vijfde middelonderdeel wordt aangevoerd dat het definitief beschermingsbesluit ten onrechte niet betekend werd aan verzoekster, haar zus en broer. De verwerende partij heeft immers geen rekening gehouden met het overlijden van Zoë Michiels, maar zich louter gesteund op de gegevens die zij had opgezocht naar aanleiding van het voorlopig beschermingsbesluit.

12. Wat het eerste middelonderdeel betreft stelt verzoekster in haar laatste memorie dat het door de verwerende partij neergelegde document waarop gestempeld staat “Ingekomen 12-03-2014 Ruimte O.-Vl.” niet aanzien kan worden als een ontvangstbewijs, daar de ontvangst minstens had moeten bevestigd worden in de vorm van een handtekening van de ontvanger.

Wat het derde middelonderdeel betreft erkent verzoekster in haar laatste memorie dat Zoë Michiels voorkomt op de door de verwerende partij neergelegde postlijst van de aangetekende zendingen maar zij handhaaft het onderdeel omdat het ontvangstbewijs ontbreekt.

Wat het vierde en vijfde middelonderdeel betreft benadrukt verzoekster dat zij benadeeld is door de gebrekkige kennisgeving aangezien zij onrechtstreeks en met vertraging kennis heeft gekregen van het definitief beschermingsbesluit, zodat voor haar een deel van de op 16 maart 2015 gestarte beroepstermijn voor de Raad van State verloren is gegaan.

Beoordeling

13. De kritiek in het eerste middelonderdeel komt er op neer dat op het document waarop het voor de ruimtelijke ordening bevoegde bestuur de ontvangstdatum heeft gestempeld ook een handtekening had dienen voor te komen. Het tweede middelonderdeel komt er op neer dat in de hoofding van de begeleidende brief waarmee het voorlopig beschermingsbesluit is overgemaakt aan de stad Zottegem, de vermelding van het college van burgemeester en schepenen niet had mogen voorkomen.

X-16.228-9/19

Daargelaten de vraag of het effectief gaat om tekortkomingen in de communicatie tussen de bevoegde overheidsdiensten, moet vastgesteld worden dat ze geen invloed hebben uitgeoefend op de draagwijdte van de genomen beslissingen en verzoekster evenmin een waarborg hebben ontnomen. De eerste twee middelonderdelen kunnen dan ook niet tot de vernietiging van de bestreden besluiten leiden.

14. Wat het derde middelonderdeel betreft blijkt verzoekster zich in haar verzoekschrift gesteund te hebben op een via de openbaarheid van bestuur opgevraagde postlijst waarop, omwille van de privacybescherming, de naam van Zoë Michiels onleesbaar is gemaakt. Het door de verwerende partij neergelegde origineel van de postlijst vermeldt wel degelijk Zoë Michiels. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij aan laatstgenoemde met een aangetekende zending kennis heeft gegeven van het voorlopig beschermingsbesluit. Anders dan verzoekster in haar laatste memorie aanneemt, verplichtte het toentertijd geldende artikel 5, § 2, 3°, van het monumentendecreet niet tot een zending tegen ontvangstbewijs.

15. De in het vierde en vijfde middelonderdeel aangevoerde onregelmatigheden bij de kennisgeving van het definitief beschermingsbesluit hebben geen gevolgen voor de wettigheid van de bestreden besluiten zodat ze niet tot de vernietiging ervan kunnen leiden.

In haar laatste memorie gaat verzoekster er ten onrechte van uit dat haar beroepstermijn voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State tegen een besluit dat niet aan haar is betekend zou zijn beginnen lopen vóór de dag waarop ze er kennis van kon hebben.

16. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen.

X-16.228-10/19

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

17. Het tweede middel wordt genomen uit de schending van de artikelen 5, § 7, en 7, van het monumentendecreet.

Verzoekster bekritiseert het feit dat de betekening van het definitief beschermingsbesluit pas op 16 maart 2015 is gebeurd, dit is méér dan twaalf maanden na de betekening van het voorlopig beschermingsbesluit op 7 maart 2014.

Beoordeling

18. Verzoekster leest ten onrechte in de aangevoerde bepalingen dat de betekening van het definitief beschermingsbesluit dient te geschieden binnen de geldigheidsduur van twaalf maanden van het voorlopig beschermingsbesluit.

Het middel wordt verworpen.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

19. Het derde middel wordt genomen uit de schending van artikel 2, 2°, van het monumentendecreet en de schending van “de motiveringsverplichting zoals o.m. vervat in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht”.

In het eerste middelonderdeel wordt aangevoerd dat de bescherming van het poortgebouw slechts gemotiveerd is door de overweging dat het poortgebouw typologisch en constructief een aansluitend geheel vormt met

X-16.228-11/19

het boerenhuis. Het loutere feit dat het poortgebouw constructief zou aansluiten bij het boerenhuis, betekent volgens verzoekster nog niet dat het poortgebouw esthetische, historische en volkskundige waarde heeft.

In het tweede middelonderdeel wordt aangevoerd dat de representativiteit van de beschermde vleugel als 18de-eeuwse hoeve door stukken uit het administratief dossier zelf wordt ondergraven, nu wordt erkend dat het pand in 1904 zwaar geteisterd werd door brand en er geschreven staat dat het boerenhuis “vrijwel zeker tot het derde kwart van de 18de eeuw opklimt”. Alleen al de notie “vrijwel zeker” houdt volgens verzoekster een erkenning in dat een en ander niet zeker is, en dat het huidige gebouw evengoed een grotendeels of misschien wel volledige herbouw is die van na 1904 dateert.

Beoordeling

20. Artikel 2, 2°, van het toentertijd geldende monumentendecreet luidt:

“Dit decreet verstaat onder:

[...]

2. monument: een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen.”

21. In het tweede middelonderdeel gaat verzoekster er aan voorbij dat de motiveringsnota de conclusie dat het gaat om een “18de eeuws[...]

boerenhuis” in de eerste plaats steunt op de actueel waarneembare stijlelementen zoals bijvoorbeeld de ovale oculus als bovenlicht boven beide deuren, het vatten van de hoge voordeur in de erfgevel in een steekboogvormige uitspringende vlakke omlijsting met gebogen druiplijst en het omlijst beeldnisje met kruisje in de erfgevel. Verzoekster slaagt er niet in aan te tonen dat de laatstgenoemde conclusie niet op draagkrachtige motieven zou steunen.

X-16.228-12/19

22.1. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet worden vastgesteld dat de in randnummer 20 geciteerde begripsomschrijving zeer ruim is en het mogelijk maakt een onroerend goed dat bestaat uit meerdere onderdelen of meerdere onroerende goederen in hun geheel als monument te beschermen.

Anders dan verzoekster aanneemt is het niet vereist dat de bescherming van elk onderdeel van het monument verantwoord wordt door alle in het bestreden besluit aangenomen waarden. Het volstaat dat die afzonderlijke waarden van die onderdelen samen de bescherming van het monument in zijn geheel verantwoorden.

22.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve constructief één geheel vormt aangezien het dakschild aan de erfzijde van het boerenhuis doorloopt boven het aanleunende poortgebouw. De opname van het poortgebouw in de bescherming wordt verder in de motiveringsnota als volgt onderbouwd:

“ten opzichte van de welkomstlinden vormen boerenhuis met poortgebouw [...] een eenheid. Aan de straatzijde is het poortgebouw met doorrit afgesloten door een opgeklampte poort met uitgespaarde rechthoekige voetgangersdeur; aan de straatzijde is de poort groen geschilderd, de traditionele kleur voor het houtwerk van hoeves. Aan de erfzijde is het poortgebouw volledig open gewerkt. De aanwezigheid van een poortgebouw als toegang tot het achterliggend boerenerf is eigen aan deze historische rurale woonvorm.”

22.3. Verzoekster kan er niet van overtuigen dat de in het vorige randnummer vermelde motieven de draagkracht zouden missen om de opname van het poortgebouw in de bescherming te schragen.

23. Het middel wordt in zijn beide onderdelen verworpen.

X-16.228-13/19

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

24. In het vierde middel wordt de schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht.

Verzoekster stelt dat het onderzoek naar de bouwfysische toestand niet correct verlopen is. Zij neemt in haar verzoekschrift een foto op die scheuren toont in de rechtergevel van het poortgebouw. Er dreigt instortingsgevaar. Verzoekster vervolgt dat het houtskelet van de bedaking van het poortgebouw door houtrot is aangetast en dat de omlijsting van de voordeur opgelapt werd via een moderne betonbepleistering.

Beoordeling

25. Nergens uit het monumentendecreet kan worden afgeleid dat slechts ongeschonden en in goede (bouw-)fysische toestand verkerende constructies in aanmerking komen voor bescherming als monument. Het beschermingswaardig karakter van een onroerend goed en de toestand waarin het zich bevindt, zijn namelijk twee onderscheiden factoren. Het behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur om uit te maken of ondanks de geschonden of de slechte (bouw-)fysische toestand van een constructie of onderdelen ervan, de bescherming ervan wegens zijn opgegeven waarde van algemeen belang is.

26. Over de fysische toestand van de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve wordt in de motiveringsnota onder meer gesteld:

“Bouwfysisch zijn er geen onmiddellijk zichtbare problemen voor het boerenhuis met poortgebouw. Het houtwerk van de vensters in de erfgevel vertoont wel slijtage. De plintbekleding brokkelt plaatselijk af.

[...]

Gaafheid en authenticiteit Afgezien van het in 1904 vernieuwde en aangepaste pannen zadeldak behield het boerenhuis globaal gezien zijn authentiek voorkomen. In de

X-16.228-14/19

straatgevel werd het oorspronkelijk schrijnwerk van vensters en deuren door kunststof vervangen, doch er zijn archieffoto’s voorhanden van de voorgaande toestand ervan.”

27. Met het auditoraatsverslag kan worden vastgesteld dat de argumenten die verzoekster aanvoert niet van aard zijn aan te tonen dat de verwerende partij van verkeerde feitelijke gegevens zou zijn uitgegaan of dat zij de feitelijke gegevens verkeerd heeft beoordeeld en het kwestieuze gebouw ten onrechte als monument heeft beschermd.

28. Het middel wordt verworpen.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

29. Het vijfde middel wordt genomen uit artikel 5, § 2, 4°, van het monumentendecreet, waardoor de publicatie bij uittreksel van het voorlopig beschermingsbesluit in het Belgisch Staatsblad wordt opgelegd.

Verzoekster voert aan dat de personen die kennis krijgen van een voorlopig beschermingsbesluit via de publicatie in het Belgisch Staatsblad inzake bezwaarmogelijkheden gediscrimineerd worden indien de laatstgenoemde publicatie niet gelijktijdig gebeurt met de individuele kennisgeving aan de eigenaars. Verzoekster meent dat dienaangaande een vraag aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld over artikel 5, § 2, 4°, van het monumentendecreet.

30. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat zij, anders dan door de verwerende partij is aangevoerd en in het auditoraatsverslag wordt aangenomen, wel degelijk belang heeft bij het vijfde middel gelet op hetgeen zij heeft gesteld in het derde onderdeel van het eerste middel.

X-16.228-15/19

Beoordeling

31. Zoals hiervoor vastgesteld (randnr. 14) is het voorlopig beschermingsbesluit rechtsgeldig betekend aan eigenares Zoë Michiels. Terecht merkt de verwerende partij op dat de begeleidende brief bij deze betekening een uitnodiging aan Zoë Michiels bevatte om deel te nemen aan het openbaar onderzoek, zodat zij geenszins diende voort te gaan op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Gelet op de verwerping van het derde onderdeel van het eerste middel hiervoor blijkt niet welk belang verzoekster bij het vijfde middel zou kunnen doen gelden. De verwerende partij voert dan ook terecht aan dat het middel niet ontvankelijk is.

De door verzoekster voorgestelde vraag wordt niet aan het Grondwettelijk Hof gesteld omdat de hiervoor vastgestelde niet-ontvankelijkheid van het middel niet ontleend is aan de norm zelf die het onderwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van de vraag.

Het middel wordt verworpen.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

32. Het zesde middel wordt genomen uit de schending van artikel 1

van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

Verzoekster voert aan dat de waarde die de bestreden besluiten toekennen aan de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve “zeer beperkt”

is. Daartegenover staat dat de beschermde gebouwen zich bevinden op een zeer omvangrijk perceel, waarvan een toekomstige valorisatie in het gedrang komt

X-16.228-16/19

door de bijzonder ongelukkige ligging van deze gebouwen ongeveer halverwege de straatzijde van het perceel. Bovendien blijkt volgens verzoekster uit het administratief dossier genoegzaam dat het interieur niet de minste waarde heeft.

Dit interieur beantwoordt in geen enkel opzicht aan het hedendaags wooncomfort. In de huidige toestand legt de bescherming dan ook een bijzondere en buitensporige last op aan verzoekster.

Hoe dan ook is de aangevoerde bepaling geschonden omdat de verwerende partij niet is nagegaan of de bescherming een bijzondere en buitensporige last oplegt aan verzoekster.

33. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat het middel alleen al gegrond is omdat het administratief dossier geen stuk bevat waarin wordt nagegaan of de bescherming een bijzondere en buitensporige last oplegt aan verzoekster.

Beoordeling

34. Het door artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet gewaarborgde recht op de bescherming van een gezond leefmilieu omvat tevens het recht op een goede ordening van de ruimte, met inbegrip van de zorg voor erfgoed (Grondwettelijk Hof, nr. 132/2015 van 1 oktober 2015, overweging B.12.1). Krachtens deze grondwetsbepaling moeten de decreten die het laatstgenoemde recht waarborgen, zoals het monumentendecreet, rekening houden met “de overeenkomstige plichten” van de burger. De auteurs van het laatstgenoemde decreet hebben de bescherming en het behoud van monumenten, stads- en dorpsgezichten noodzakelijk geacht omdat “de grote bevolkings- en bewoningsdichtheid, de snel voortschrijdende industrialisering en de vlugge verstedelijking van het gehele grondgebied dit patrimonium (het materieel kunstpatrimonium) meer en meer bedreigen” (Memorie van Toelichting, Parl. St., Ned. Cult. R., 1973-1974, 122/1, p. 1).

X-16.228-17/19

35. In het kader van de zorg voor het erfgoed legt het bestreden besluit, met toepassing van het monumentendecreet, een erfdienstbaarheid tot algemeen nut op aan het eigendom van verzoekster. Tijdens het over het voorlopig beschermingsbesluit georganiseerde openbaar onderzoek heeft geen van de eigenaars van de vierkantshoeve gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen. Uit de gegevens van de zaak (randnrs. 7 en 8)

blijkt verder dat de verwerende partij – wat de gebouwen betreft – de bescherming beperkt heeft tot de noordwestelijke vleugel van de vierkantshoeve, waarmee is ingegaan tegen het advies van de deputatie om “de [...] bescherming [...] uit te breiden met de zich op de site bevindende bijgebouwen”.

36. Een beperking van het ongestoord genot van het eigendom is niet ipso facto een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM. Het tweede lid van artikel 1 bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. Het monumentendecreet maakt de bescherming van een onroerend goed mogelijk “dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde”.

Verzoekster kan er de Raad van State niet van overtuigen dat de bestreden besluiten niet kunnen worden ingepast in artikel 1, tweede lid, van het Eerste Aanvullend Protocol.

37. Het middel wordt verworpen.

V. Besluit

38. Daargelaten de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het gericht is tegen het voorlopig beschermingsbesluit moet het, gelet op de

X-16.228-18/19

verwerping van alle middelen hiervoor, hoe dan ook in zijn geheel worden verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.

De griffier De voorzitter

Silvan De Clercq Johan Lust

X-16.228-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.193