Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.189 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.189 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against provincial zoning rules due to conflict with specific local planning regulations.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.189
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the plaintiff's request to annul the provincial zoning ordinance and the minister's approval decision. The plaintiff argued that the provincial rules conflicted with the specific 'Groen Ursel' spatial plan, yet the court found the provincial ordinance to be lex generalis. Consequently, the court ruled that the provincial rules only apply where they do not contradict the specific local plan, which explicitly prohibits new construction in this area.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 159 of the Constitution; Article 15 of the General Administrative Law: A general provincial zoning ordinance prevails over specific local plans only when not in conflict; if a conflict exists, the specific local plan takes precedence, rendering the general ordinance inapplicable to that matter.

Mots-clés

Généré par l'IA
lex generalis lex specialis zoning conflict provincial ordinance spatial planning annulment appeal administrative review zone de maisons de vacances

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 159 of the Constitution
Article 15 of the General Administrative Law
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 239.189 van 22 september 2017

in de zaak A. 217.273/X-16.381.

In zake : Sofie DE WEWEIRE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN

2. het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 oktober 2015 strekt tot de nietigverklaring van:

a) het besluit van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 27 mei 2015 houdende de vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening “weekendverblijven en openluchtrecreatieve terreinen”, en b) het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 13 juli 2015 houdende goedkeuring van de voornoemde provinciale verordening.

X-16.381-1/16

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld.

Verzoekster en de tweede verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 27 januari 2017, zitting waarop de zaak wordt uitgesteld naar de zitting van 21 april 2017.

Auditeur Joke Goris heeft een schriftelijk advies opgesteld.

Verzoekster en de verwerende partijen hebben een aanvullende laatste memorie ingediend.

Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Sven Boullart en Nino Vermeire, die verschijnen voor verzoekster, juristen Johan Klokoĉka en Kaat Van Keymeulen, die verschijnen voor de eerste verwerende partij en advocaten Veerle Tollenaere en Klaas De Pauw, loco Veerle Tollenaere, die verschijnen voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

X-16.381-2/16

III. Feiten

3. Blijkens een akte van 9 oktober 2007 is verzoekster eigenaar van “[e]en perceel bosgrond”, gelegen te Knesselare, Lijsterdreef 6, kadastraal bekend sectie C, nr. 112/h (hierna: verzoeksters perceel), binnen een gebied dat ter plaatse bekend staat als “Groen Ursel”.

Op 30 juli 2008 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Knesselare een vergunning voor het “oprichten van een weekend verblijf (chalet)” op verzoeksters perceel af, waarin onder meer het volgende wordt gesteld:

“Het goed is gelegen binnen lot 92 van een op datum van 17.01.1983

goedgekeurde verkaveling VK 10/1982.”

Verzoeksters perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan “Eeklo-Aalter” gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. Rond het voornoemde gebied voorziet hetzelfde gewestplan in een natuurgebied.

4.1. Met een besluit van 25 april 2012 stelt de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen de provinciale stedenbouwkundige verordening “Weekendverblijven” vast.

Bij besluit van 4 juli 2012 keurt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport deze provinciale verordening goed, met uitsluiting van artikel 2.

4.2. Het door verzoekster ingestelde annulatieberoep tegen de in randnummer 4.1 vermelde besluiten wordt door de Raad van State verworpen bij de arresten nr. 228.818 van 21 oktober 2014 en nr. 232.158 van 10 september 2015 (zaak A. 206.421/X-15.211).

5.1. Met een besluit van 19 december 2012 stelt de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan

X-16.381-3/16

“Reconversie verblijfsrecreatie – groen Ursel” te Knesselare definitief vast (hierna: het PRUP “Groen Ursel”).

Bij besluit van 26 februari 2013 keurt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport het PRUP “Groen Ursel” goed.

5.2. Net als de omliggende bebouwde percelen neemt het PRUP

“Groen Ursel” verzoeksters perceel op in de “Zone voor openluchtrecreatieve verblijven in een beboste omgeving met nabestemming bos/natuur” (art. 3). De omliggende onbebouwde percelen worden door het PRUP tot “Zone voor natuur/bos (bestemmingscategorie: natuur)” (art. 2) bestemd.

De stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP “Groen Ursel” stellen onder meer:

Verordenend voorschrift Toelichting 1 ALGEMENE BEPALINGEN

[...]

1.3 Reliëfwijzigingen Het reliëf binnen het plangebied kan slechts Om de geomorfologische éénmalig worden gewijzigd in functie van de kenmerken in het gebied ontwikkeling ervan. Deze wijziging kan enkel zoveel als mogelijk te toegelaten worden indien bij de aanvraag de behouden, dient omzichtig (bouwtechnische) noodzaak ervan voldoende kan omgesprongen te worden worden aangetoond. met reliëfwijzigingen.

Art 3. Zone voor openluchtrecreatieve verblijven Een openluchtrecreatief in een beboste omgeving met nabestemming verblijf is elke bos/natuur (bestemmingscategorie: tot 1 januari verblijfsvorm die niet is 2020: ‘recreatie’, vanaf 1 januari 2020: ‘natuur’) ontworpen om als vaste volgende bestemmingen zijn binnen deze zone woonplaats te dienen en/of toegelaten: niet als dusdanig wordt - Openluchtrecreatief verblijf, verblijfsrecreatie; gebruikt of mag worden - de instandhouding, de ontwikkeling en het gebruikt.

herstel van bos;

- het behoud en versterken van kleine Herbouw: Een constructie landschapselementen en sloten; volledig afbreken, of méér Er kunnen geen functies plaatsvinden binnen niet dan veertig procent van de hoofdzakelijk vergunde constructies. buitenmuren van een Binnen deze zone is geen dagrecreatie toegelaten. constructie afbreken, en al Het gebied is bestemd voor verblijfsrecreatie. dan niet binnen het

X-16.381-4/16

Nevengeschikt functioneert het gebied eveneens bestaande bouwvolume van in zijn geheel als een bosuitbreidingsgebied. de geheel of gedeeltelijk Bouwmogelijkheden voor openluchtrecreatieve afgebroken constructie een verblijven: nieuwe constructie bouwen.

Nieuwbouw is binnen deze zone uitgesloten. Nieuwbouw: Een 1. Tot 1 januari 2020 kunnen bestaande constructie bouwen daar weekendverblijven verbouwd of herbouwd waar voo[r]dien geen worden conform onderstaande bepalingen: constructie aanwezig was.

- per kadastraal perceel mag slechts één openluchtrecreatief verblijf opgericht worden.

- het is verboden tenten, caravans, mobilhomes, kampeerauto’s en woonauto’s als openluchtrecreatief verblijf te gebruiken op een perceel gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. Het perceel mag niet gebruikt worden als gewoonlijke of tijdelijke staanplaats.

- ingeval het bouwterrein bebost is, mag nooit meer dan de helft van het bouwterrein ontbost worden. Wanneer het bouwterrein bebost is en groter is dan 400m², mag sowieso niet meer dan 200m² worden ontbost. De ontbossing dient te gebeuren op het minst schadelijke deel van het terrein;

- elk openluchtrecreatief verblijf heeft een maximale grondoppervlakte van 60 m², inclusief overdekte terrassen en bijgebouwen. Alle boven- en ondergrondse, toegankelijke constructies hebben samengeteld maximaal een volume van 200 m³.

- een openluchtrecreatief verblijf kan enkel een gelijkvloerse verdieping omvatten. Bijkomende ondergrondse of bovengrondse verdiepingen zijn verboden.

- elk bijgebouw dient bouwfysisch verbonden te zijn met het hoofdgebouw.

Vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegelaten.

- een peil van globale warmte-isolatie (K-peil) van 30 of lager dient behaald te worden. Dit dient aangetoond te worden met een nota gevoegd bij de vergunningsaanvraag. Voor de berekening van het K-peil van een gebouw geldt de formule zoals gegeven in bijlage 3

“transmissie referentie document” van het ministerieel besluit van 1 december 2010

houdende aanpassing van de regelgeving

X-16.381-5/16

inzake het energiebeleid.

- de totale verharde oppervlakte van het openluchtrecreatief verblijf, de terrassen, parkeerplaats en eventuele andere verhardingen inbegrepen, mag niet meer bedragen dan 100m², en wordt in elk geval beperkt tot maximaal de helft van de oppervlakte van het bouwperceel.

- per verblijf mag maximaal 1 autostaanplaats in waterdoorlatend materiaal worden voorzien. Deze staanplaats heeft een maximale oppervlakte van 15m² en moet worden voorzien aan de perceelsgrens die paalt aan de ontsluitingsweg.

- Zwembaden, zwemvijvers, tuinconstructies en tuinverlichting zijn Koppeling of schakeling verboden.

van openluchtrecreatieve - De minimumafstand van de gebouwen verblijven: Het fysiek tot de perceelsgrenzen bedraagt ten minste aaneen bouwen van twee of twee meter. Gekoppelde of geschakelde meer verblijven op hun openluchtrecreatieve verblijven zijn onderscheiden, individuele verboden.

percelen.

- Het hoogste punt van eender welke constructie op een perceel waarop zich een openluchtrecreatief verblijf bevindt, mag, gemeten vanaf het maaiveld, niet meer dan vijf meter bedragen.

- De kroonlijsthoogte van eender welke constructie is beperkt tot maximaal 3m, de nokhoogte tot 5m. Constructieve elementen die - Bij herbouw moet het niet in hout kunnen worden openluchtrecreatief verblijf volledig worden uitgevoerd zijn bijvoorbeeld opgetrokken in hout, met uitzondering van de fundering, vloerplaat, die elementen die technisch niet in hout schouw, dakbedekking en kunnen worden uitgevoerd. goten, ramen,…

- bij herbouw dient het dak van het openluchtrecreatief verblijf als extensief, niet begaanbaar groendak te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de dakbedekking hoofdzakelijk dient te bestaan uit levende planten. Het groendak moet worden gerealiseerd volgens de regels van de kunst. De aanleg van het groendak en de daarvoor noodzakelijke technische vereisten van de (dak-) constructie moeten in een nota bij de vergunningsaanvraag worden aangetoond.

- Het verblijf wordt verplicht uitgevoerd in een in diens natuurlijke omgeving

X-16.381-6/16

passende, donkere kleur.

- er zijn geen ondoorzichtige, dichte afsluitingen toegelaten op een perceel waarop zich een openluchtrecreatief verblijf bevindt, noch op de perceelsgrenzen, noch op enige afstand daarvandaan.

- enkel een open draadafsluiting met een maximale hoogte van 1,5m mag op de perceelsgrenzen worden geplaatst.

- het hemelwater dient zoveel mogelijk op eigen terrein te worden vastgehouden en mag enkel vertraagd worden afgevoerd naar een oppervlaktewater of gescheiden riolering.

- het is verboden vervuild water in het oppervlaktewater te lozen. Er dient verplicht te worden aangesloten op een bestaande riolering. Indien dit niet mogelijk is, dient een systeem van Individuele Behandeling De nabestemming kan van Afvalwater (IBA) of een betonnen worden gerealiseerd door opvangput van 10m³ zonder overloop op vrijwillige afbraak of in eigen terrein te worden voorzien.

geval van 2. Bestaande, niet hoofdzakelijk vergunde verkrotting/verwaarlozing constructies met overtredingen dienen voor kan hiervoor een beleid 1 januari 2020 in overeenstemming gebracht te worden voorzien.

zijn conform bovenstaande bepalingen.

(krotbelasting/ambtshalve Op 1 januari 2020 treedt de nabestemming “zone afbraak van verkrotte voor bos/natuur” in werking. Bestaande gebouwen).

hoofdzakelijk vergunde constructies kunnen in stand gehouden worden;

5.3. Voor het deelplan 3 “Groen Ursel”, waarin verzoeksters perceel gelegen is, toont het grafisch plan van het PRUP “Groen Ursel” een lappendeken van percelen die ingekleurd zijn ofwel als “Zone voor natuur/bos” (art. 2), ofwel als “Zone voor openluchtrecreatieve verblijven in een beboste omgeving met nabestemming bos/natuur” (art. 3). Uit de vastgestelde voorschriften volgt dat in geen van beide zones - en dus nergens in het betrokken deelplan - de aanleg van nieuwe toegangswegen ter ontsluiting van openluchtrecreatieve verblijven toegelaten is.

5.4. Het door verzoekster ingestelde annulatieberoep tegen de in randnummer 5.1 vermelde besluiten wordt door de Raad van State verworpen bij

X-16.381-7/16

de arresten nr. 231.230 van 19 mei 2015 en nr. 235.502 van 15 juli 2016 (zaak A. 209.087/X-15.480).

6. Op 29 januari 2015 beslist de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen tot de opmaak van een provinciale stedenbouwkundige verordening “weekendverblijven en openluchtrecreatieve terreinen”.

7. Op 10 maart 2015 geeft de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening een voorwaardelijk gunstig advies over de ontwerpverordening “weekendverblijven en openluchtrecreatieve terreinen”.

8.1. Op 27 mei 2015 neemt de provincieraad van de provincie Oost-

Vlaanderen het eerste bestreden besluit.

8.2. Op 13 juli 2015 neemt de voor ruimtelijke ordening bevoegde Vlaamse minister het tweede bestreden besluit, waarvan het bestaan wordt vermeld in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2015.

8.3. De bestreden provinciale stedenbouwkundige verordening “weekendverblijven en openluchtrecreatieve terreinen” luidt:

“HOOFDSTUK I Normen voor weekendverblijven Afdeling 1 Algemene bepalingen Art. 1.1.1.

§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op openluchtrecreatieve verblijven die gelegen zijn in bestemmingsgebieden waar verblijfsrecreatie is toegestaan maar permanent wonen niet toegestaan is. Een openluchtrecreatief verblijf is elke verblijfsvorm die niet is ontworpen om als vaste woonplaats te dienen en/of niet als dusdanig wordt gebruikt of mag worden gebruikt.

§ 2. Dit hoofdstuk is, onverminderd de bepalingen van §1, ook van toepassing op loten binnen de grenzen van een van kracht zijnd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan en binnen bestaande verkavelingen, tenzij de bepalingen van het hoofdstuk expliciet strijdig zouden zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg en uitvoeringsplannen, of de verkavelingsvoorschriften. Bij strijdigheid hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de bijzondere plannen van aanleg en ruimtelijke uitvoeringsplannen en de verkavelingsvoorschriften voorrang.

X-16.381-8/16

§3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op openluchtrecreatieve terreinen. Een openluchtrecreatief terrein is een uitgerust en afgebakend terrein in centraal beheer waarop gekampeerd of verbleven wordt in openluchtrecreatieve verblijven of dat daarvoor bestemd of ingericht is.

‘Openluchtrecreatief terrein’ moet geïnterpreteerd worden volgens het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies, en latere wijzigingen, en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Art. 1.1.2.

Definities. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1° groepsbouwproject: een project waarvan de stedenbouwkundige aanvraag voorziet in de gezamenlijke en gelijktijdige oprichting van een aantal openluchtrecreatieve verblijven door één en dezelfde bouwheer en dat dusdanig is geconcipieerd en, na het oprichten van de openluchtrecreatieve verblijven, zodanig wordt beheerd dat een afsplitsing van individuele loten niet in de bedoeling van de bouwheer of beheerder ligt;

2° nieuwbouw: een constructie bouwen daar waar er voordien geen constructie aanwezig was;

3° herbouw: een constructie volledig afbreken of meer dan veertig procent van de buitenmuren van een constructie afbreken en al dan niet binnen het bestaande bouwvolume van de geheel of gedeeltelijk afgebroken constructie een nieuwe constructie bouwen;

4° koppeling of schakeling van openluchtrecreatieve verblijven: het fysiek aaneen bouwen van twee of meer verblijven op hun onderscheiden, individuele percelen.

Afdeling 2 Normen voor het openluchtrecreatief verblijf, de nutsvoorzieningen, de inplanting en de toegangswegen Art. 1.2.1.

§1. Behoudens in het geval van een groepsbouwproject mag per perceel slechts één openluchtrecreatief verblijf opgericht worden.

§2. Het is verboden tenten, caravans, mobilhomes, kampeerauto’s en woonauto’s als openluchtrecreatief verblijf te gebruiken op een perceel gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. Het perceel mag niet gebruikt worden als gewoonlijke of tijdelijke standplaats.

Art. 1.2.2.

§1. Bij het oprichten van een nieuw openluchtrecreatief verblijf mag, ingeval het bouwterrein bebost is, nooit meer dan de helft van het bouwterrein ontbost worden. Wanneer het bouwterrein bebost is en groter is dan 400 m², mag sowieso niet meer dan 200 m² worden ontbost.

§2. Het natuurlijk reliëf van het bouwperceel dient behouden te blijven.

Elke vorm van reliëfwijziging is verboden.

Art. 1.2.3.

§1. Elk openluchtrecreatief verblijf heeft een maximale grondoppervlakte van 60 m², inclusief overdekte terrassen en bijgebouwen.

Alle boven- en ondergrondse, toegankelijke constructies hebben samengeteld maximaal een volume van 200 m³.

§2. Een openluchtrecreatief verblijf kan enkel een gelijkvloerse verdieping omvatten. Bijkomende ondergrondse of bovengrondse verdiepingen zijn verboden.

X-16.381-9/16

§3. Elk bijgebouw dient bouwfysisch verbonden te zijn met het hoofdgebouw. Vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegelaten.

§4. Bij nieuwbouw en herbouw dient een peil van globale warmte-

isolatie (K-peil) van 30 of lager behaald te worden. Dit dient aangetoond te worden met een nota gevoegd bij de vergunningsaanvraag.

Voor de berekening van het K-peil van een gebouw geldt de formule zoals gegeven in bijlage 3 ‘transmissie referentie document’ van het ministerieel besluit van 1 december 2010 houdende aanpassing van de regelgeving inzake het energiebeleid.

Art. 1.2.4.

§1. De totale verharde oppervlakte van het openluchtrecreatief verblijf, de terrassen, parkeerplaats en eventuele andere verhardingen inbegrepen, mag niet meer bedragen dan 100 m², en wordt in elk geval beperkt tot maximaal de helft van de oppervlakte van het bouwperceel.

§2. Per verblijf mag maximaal 1 autostandplaats in waterdoorlatend materiaal worden voorzien. Deze standplaats heeft een maximale oppervlakte van 15 m² en moet worden voorzien aan de perceelsgrens die paalt aan de ontsluitingsweg.

§3. Zwembaden, zwemvijvers, vaste tuinconstructies en tuinverlichting zijn verboden.

Art. 1.2.5.

De minimumafstand van de gebouwen tot de perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2 m. Gekoppelde of geschakelde openluchtrecreatieve verblijven zijn verboden.

Art. 1.2.6.

Het hoogste punt van eender welke constructie op een perceel waarop zich een openluchtrecreatief verblijf bevindt, mag, gemeten vanaf het maaiveld, niet meer dan 5 m bedragen.

De kroonlijsthoogte van eender welke constructie is beperkt tot maximaal 3 m, de nokhoogte tot 5 m.

Art. 1.2.7.

§1. Bij nieuwbouw of herbouw moet het openluchtrecreatief verblijf volledig worden opgetrokken in hout, met uitzondering van die elementen die technisch niet in hout kunnen worden uitgevoerd.

§2. Bij nieuwbouw of herbouw dient het dak van het openluchtrecreatief verblijf als extensief, niet-begaanbaar groendak te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de dakbedekking hoofdzakelijk dient te bestaan uit levende planten. Het groendak moet worden gerealiseerd volgens de regels van de kunst.

De aanleg van het groendak en de daarvoor noodzakelijke technische vereisten van de (dak)constructie moeten in een nota bij de vergunningsaanvraag worden aangetoond.

§3. Het verblijf wordt verplicht uitgevoerd in een in diens natuurlijke omgeving passende, donkere kleur.

Art. 1.2.8.

Er zijn geen ondoorzichtige, dichte afsluitingen toegelaten op een perceel waarop zich een openluchtrecreatief verblijf bevindt, noch op de perceelsgrenzen, noch op enige afstand daarvandaan.

Enkel een open draadafsluiting met een maximale hoogte van 1,5 m mag op de perceelsgrenzen worden geplaatst.

X-16.381-10/16

Art. 1.2.9.

Alle nieuwe toegangswegen die meerdere openluchtrecreatieve verblijven ontsluiten, hebben een minimale hindernisvrije breedte van 4 m en zijn voorzien van een elektriciteitsnet. De aard en breedte van de eventuele verharding, die wordt uitgevoerd in waterdoorlatende materialen, wordt bepaald in functie van de plaatselijke noodwendigheden.

Art. 1.2.10.

§1. Het hemelwater dient zoveel mogelijk op eigen terrein te worden vastgehouden en mag enkel vertraagd worden afgevoerd naar een oppervlaktewater of gescheiden riolering.

§2. Het is verboden vervuild water in het oppervlaktewater te lozen. Er dient verplicht te worden aangesloten op een bestaande riolering. Indien dit niet mogelijk is, dient een systeem van Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA) of een betonnen opvangput van 10 m³ zonder overloop op eigen terrein te worden voorzien.

Afdeling 3 Bijkomende normen van toepassing op een groepsbouwproject of een voor de plaatsing van openluchtrecreatieve verblijven bestemde verkaveling […]

HOOFDSTUK II Normen voor openluchtrecreatieve terreinen […].”

8.4. De in het vorig randnummer geciteerde artikelen 1.2.1 tot 1.2.10 zijn identiek aan de artikelen 4 tot 13 van de provinciale stedenbouwkundige verordening “Weekendverblijven” van 25 april 2012

(randnr. 4.1), die door artikel 1 van de bestreden verordening wordt opgeheven.

IV. Ontvankelijkheid

Standpunt van de partijen

9. In het verzoekschrift stelt verzoekster dat zij “op grond van [haar hoedanigheid van] eigenaar van een onroerend goed gelegen in de zone Groen Ursel [...] in beginsel [doet] blijken van het rechtens vereiste belang bij het bestrijden van de verordening die de stedenbouwkundige voorschriften voor haar eigendom vaststelt”.

10. In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op. De eerste verwerende partij stelt dat verzoekster geen belang heeft bij het beroep omdat haar perceel gelegen is in

X-16.381-11/16

het toepassingsgebied van het PRUP “Groen Ursel” en meer bepaald in “de Zone voor openluchtrecreatieve verblijven in een beboste omgeving met nabestemming bos/natuur”. De eerste verwerende partij benadrukt dat, zoals blijkt uit artikel 2.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimteljke Ordening (hierna: VCRO) de voorschriften van een PRUP voorrang hebben op die van een verordening. Die voorrang wordt bovendien bevestigd in artikel 1.1.1, § 2, van de bestreden verordening.

Volgens de eerste verwerende partij zou de bestreden verordening voor verzoekster enkel relevant kunnen zijn voor zover ze bepalingen zou bevatten over aspecten die niet geregeld worden in het PRUP

“Groen Ursel”. Een vergelijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP “Groen Ursel” en van de verordening leert echter dat dat niet het geval is.

Alle bepalingen van de verordening die relevant kunnen zijn voor de zone waarin verzoeksters perceel gelegen is, zijn ook reeds opgenomen in het PRUP.

De eerste verwerende partij besluit dat een vernietiging van de verordening geen enkel gevolg voor verzoekster zou hebben. Bijgevolg heeft zij geen belang bij het bestrijden van die verordening.

11.1. In de memorie van wederantwoord antwoordt verzoekster vooreerst dat zij wel degelijk beschikt over het vereiste belang bij haar beroep daar zij een annulatieberoep heeft ingesteld tegen het PRUP “Groen Ursel” en -

in de hypothese dat de Raad van State dit PRUP vernietigt - de voorschriften van de bestreden verordening “vanzelfsprekend niet (automatisch) mee vernietigd worden”.

11.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt verzoekster vervolgens dat de bestreden verordening “weldegelijk aspecten bevat die niet geregeld worden in het PRUP [‘Groen Ursel’] of althans in het licht van artikel 2.3.3 VCRO er niet strijdig mee zijn”. Daarbij haalt verzoekster twee voorbeelden aan. Vooreerst houdt artikel 1.2.2, § 2, van de bestreden verordening een absoluut verbod op reliëfwijziging in, terwijl het stedenbouwkundig

X-16.381-12/16

voorschrift 1.3 van het PRUP een éénmalige reliëfwijziging in functie van de ontwikkeling van het plangebied toelaat. Ten tweede bevat artikel 1.2.9 van de bestreden verordening een voorschrift inzake nieuwe toegangswegen, “daar waar het PRUP dienaangaande een stilzwijgen bewaart”.

11.3. Tot slot wordt in de memorie van wederantwoord aangevoerd dat “het perfect mogelijk is dat verzoekende partij in het kader van een concrete betwisting tot [h]et bekomen van een stedenbouwkundige vergunning, bij de bevoegde rechter (bvb. de Raad voor Vergunningsbetwistingen) opwerpt dat het PRUP [‘Groen Ursel’] (en dit los van een vernietigingsberoep bij uw Raad tegen dat PRUP) met onwettigheden is behept en daarom met toepassing van artikel 159 G.W. buiten toepassing moet worden gelaten in het concrete geschil.

In dat geval en voor zover die rechter artikel 159 G.W. toepast, zal verzoekende partij geconfronteerd kunnen worden met de toepassing van de bestreden [v]erordening”.

12. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster dat zij over het rechtens vereiste belang beschikt, aangezien zij eigenaar is van een perceel dat onderworpen is aan de bestreden verordening.

Beoordeling

13. Zoals hiervoor vermeld (randnr. 5.4) heeft de Raad van State het beroep van verzoekster tegen het PRUP “Groen Ursel” verworpen. De hypothese van de annulatie van dit PRUP, waarvan verzoekster in eerste instantie uitgaat (randnr. 11.1), doet zich niet voor, zodat zij er geen argument aan kan ontlenen.

14. Artikel 2.3.3, VCRO, stelt:

“De voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen heffen, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de bepalingen van de bestaande stedenbouwkundige verordeningen die daar strijdig mee zijn, van rechtswege op [...].”

X-16.381-13/16

Artikel 1.1.1, § 2, van de bestreden verordening stelt:

“[Hoofdstuk 1 is] ook van toepassing op loten binnen de grenzen van een van kracht zijnd [...] ruimtelijk uitvoeringsplan [...], tenzij de bepalingen van het hoofdstuk expliciet strijdig zouden zijn met de stedenbouwkundige voorschriften van [het ruimtelijk uitvoeringsplan]. Bij strijdigheid hebben de stedenbouwkundige voorschriften van [het ruimtelijk uitvoeringsplan] voorrang.”

15. Uit de in het vorig randnummer geciteerde bepalingen volgt dat de bestreden verordening, die vanwege haar gelding voor de hele provincie een lex generalis is, slechts een aanvullend karakter kan hebben ten aanzien van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP “Groen Ursel”, die een lex specialis voor het betrokken gebied zijn. Meer bepaald sluit de toepasselijkheid van dit PRUP de toepasselijkheid van de verordening uit wanneer, voor eenzelfde aangelegenheid, de verordening een regeling bevat die strijdig is met de regeling in het PRUP.

16. Zowel de hier relevante bepalingen van hoofdstuk 1 van de bestreden verordening als het PRUP “Groen Ursel” beperken, voor dezelfde aspecten zoals de grondoppervlakte, het aantal verdiepingen en het te gebruiken bouwmateriaal, de ruimtelijke impact van openluchtrecreatieve verblijven.

Terecht merkt de eerste verwerende partij op dat alle in de verordening opgenomen aspecten ook geregeld zijn in het PRUP. Bijgevolg hebben hoofdstuk 1 van de bestreden verordening en het PRUP “Groen Ursel” betrekking op eenzelfde aangelegenheid.

Inhoudelijk zijn de voorschriften van hoofdstuk 1 van de bestreden verordening op meerdere essentiële punten strijdig met de voorschriften van het PRUP “Groen Ursel”. Zo blijkt dat:

- de bestreden verordening nieuwbouw toelaat, terwijl artikel 3 van het PRUP

“Groen Ursel” nieuwbouw expliciet verbiedt en enkel tot 1 januari 2020 het verbouwen en herbouwen van bestaande openluchtrecreatieve verblijven toelaat;

X-16.381-14/16

- de bestreden verordening (art. 1.2.9) de aanleg van nieuwe toegangswegen ter ontsluiting van openluchtrecreatieve verblijven toelaat, doch het PRUP “Groen Ursel” niet (randnr. 5.3);

- de bestreden verordening (art. 1.2.2, § 2) elke vorm van reliëfwijziging verbiedt, terwijl het PRUP “Groen Ursel” (art. 1.3) een éénmalige reliëfwijziging “in functie van de ontwikkeling” toelaat.

17. Het besluit is dat, anders dan verzoekster voorhoudt, haar perceel niet onderworpen is aan de bestreden verordening, aangezien die verordening, voor eenzelfde aangelegenheid, een regeling bevat die inhoudelijk expliciet strijdig is met de toepasselijke voorschriften van het PRUP “Groen Ursel”.

18. In het licht van de verwerping van het beroep van verzoekster tegen het PRUP “Groen Ursel” (randnr. 5.4) en bovendien van haar mogelijkheid om ook ten aanzien van de bestreden verordening artikel 159 van de Grondwet in te roepen, kan zij uit de in randnummer 11.3 geciteerde hypothese geen voldoende rechtstreeks belang putten.

19. De exceptie is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.

X-16.381-15/16

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.381-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.189