Court dismisses urgent suspension request for school board's C-orientation certificate due to lack of serious grounds.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request to suspend the school board's decision granting a C-orientation certificate. The applicant argued that frequent absences and a lack of rapport with the class head caused study difficulties, but failed to cite specific legal provisions violated by the decision. Consequently, the court found no serious grounds to meet the cumulative requirements for granting an urgent suspension under the relevant procedural rules.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, §§ 1 and 4 of the coordinated laws on the Council of State; An urgent suspension request requires the simultaneous fulfillment of cumulative conditions, including the presence of serious grounds, which were not met here.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 239.130 van 18 september 2017
in de zaak A. 223.082/IX-9131
In zake: Nick VAN BAEL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Corstjens kantoor houdend te 2440 Geel Gasthuisstraat 31 A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS MOL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Forier kantoor houdend te 3680 Maaseik Bleumerstraat 48
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1.1. De vordering, ingesteld op 12 september 2017, strekt vooreerst tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing genomen op 30 juni 2017 door de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege te Mol, 4 Handel, waarbij aan [Nick Van Bael] een oriënteringsattest C werd toegekend”.
In fine van zijn verzoekschrift vraagt verzoeker tevens om “de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie dd. 25.08.2017 tot het toekennen van een oriënteringsattest C te schorsen”.
IX-9131-1/17
1.2. Bijkomend vraagt verzoeker “te zeggen voor recht dat [de deli-
bererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege te Mol] binnen de acht dagen vanaf de uitspraak dient samen te komen om de beslissing te heroverwe-
gen”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2017, om 10.00 uur.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Wim Corstjens en An Taelemans, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Frank Goossens, die loco advocaat Luc Forier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2016-2017 leerling van het tweede jaar van de tweede graad Handel in het Sint-Jan Berchmanscollege te Mol.
Hij behaalt een jaarresultaat van 52%, met jaartekorten voor wiskunde (32%), natuurwetenschappen (49%) en informatica (41%).
IX-9131-2/17
3.2. De over verzoeker delibererende klassenraad beslist op 30 juni 2017 om verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen.
De notulen van de vergadering van de delibererende klassenraad vermelden de volgende motivering van deze beslissing:
“Ondanks de dispenserende maatregelen (zie LVS) blijven er drie tekorten in de jaartotalen over voor - Wiskunde 32%
- NW 49%
- Informatica 41%
Daarenboven de lage jaartotalen van - Frans 52%
- Nederlands 54%
remediëring - Wiskunde: niet ingegaan op aanbod herhalingsoefeningen, niet invullen van toetsen, stelt geen vragen wanneer leerkracht langskomt tijdens proefwerk - Nederlands: gaat niet in op afspraak om proefwerk mondeling toe te lichten, stappenplan niet bij zich op proefwerk - informatica: slechts eenmalig ingegaan op aanbod extra uitleg, stelt geen vragen wanneer leerkracht langskomt tijdens proefwerk.”
Dit is de eerste bestreden beslissing.
De klassenraad adviseert verzoeker om “niet te dubbelen in deze richting” en om “in te zetten op gesprekken met het CLB om dan samen met hen op zoek te gaan naar de juiste studierichting en een vorm van onderwijs aangepast aan [zijn] noden”.
3.3. De moeder van verzoeker vraagt vervolgens een gesprek met de voorzitter van de delibererende klassenraad. Dit gesprek heeft plaats op 29 juni 2017.
Een dag later deelt de directie van de tweede graad van het Sint-Jan Berchmanscollege schriftelijk aan de ouders van verzoeker mee:
“De voorzitter van de klassenraad is van mening dat er geen doorslagge-
vende bijkomende elementen zijn aangebracht. Daarom zal er geen nieuwe
IX-9131-3/17
bijeenkomst van de delibererende klassenraad zijn en blijft de uitspraak van de klassenraad gelden.”
3.4. Met een aangetekende brief van 3 juli 2017 reageert de moeder van verzoeker. Zij stelt dat de ouders niet akkoord gaan met het toegekende C-attest en dat zij beroep willen instellen bij de beroepscommissie van het schoolbestuur.
Met een aangetekende brief van 26 juli 2017 legt de raadsman van verzoeker een “addendum” neer met grieven tegen de beslissing van de deli-
bererende klassenraad. Die grieven betreffen onder meer de schending van de zorgvuldigheidsplicht, de motiveringsplicht, het evenredigheidsbeginsel en de “schadebeperkingsplicht”.
3.5. Op 25 augustus 2017 heeft de hoorzitting voor de beroepscom-
missie plaats.
De beroepscommissie beslist dezelfde dag nog het aan verzoeker toegekende oriënteringsattest C te handhaven.
Deze beslissing steunt voornamelijk op de volgende motieven:
“De delibererende klassenraad heeft een discretionaire bevoegdheid met in rechte als enige grens de redelijkheid.
De voorliggende deliberatiebeslissing en de beslissing van de voorzitter van de klassenraad om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen, is volgens de beroepscommissie gedragen door rechtens aanvaardbare motieven, waarvoor in het voorliggende dossier voldoende bewijzen aangeleverd zijn.
De beslissing is niet onredelijk en is voldoende gestaafd op basis van concrete gegevens.
De formele motiveringsverplichting strekt er toe om de bestuurder (rechtsonderhorige) een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing, dat hij, ten aanzien van die motieven, in staat is om met kennis van zaken voor zijn rechten op te komen. Dit betekent concreet dat de rechtson-
derhorige uit een bestuursbeslissing moet kunnen opmaken waarom de beslis-
sing op deze of gene wijze werd genomen en waarom zijn gebeurlijk verweer werd verworpen.
IX-9131-4/17
Gezien het feit dat er meerdere formele contacten zijn geweest tijdens het schooljaar voorafgaand aan het gevraagde onderhoud met de voorzitter van de klassenraad ontkracht dit ons inziens de geponeerde stelling van schending van het motiveringsbeginsel.
De aangehaalde motivering bestaat in die zin dan ook niet uit loutere stan-
daardformules met name de opsomming van de ondermaats gepresteerde vak-
ken, maar is wel degelijk toegespitst op concrete gegevens eigen aan de speci-
fieke situatie van Nick met name de vermelding van de onderling afgesproken stimulerende en vooral dispenserende maatregelen. Deze zijn voor alle partijen zichtbaar in het leerlingvolgsysteem onder de noemer ‘acties’.
Ook de toelichtingen tijdens het gesprek van 29 juni jl. waren duidelijk. De vraag in deze blijft of de draagkracht van de school niet overschreden werd?
Zoals ook aangegeven in het gesprek bij het uitreiken van het Kerstrapport 2212/2016) en vermeld in de beslissing van de delibererende klassenraad in de commentaar bij het eindrapport. Vandaar de opmerking bij de eindbeslissing om samen met het CLB op zoek te gaan naar de juiste studierichting en een vorm van onderwijs aangepast aan Nick’s persoonlijke noden.
Gezien de vele afwezigheden, gezien de verregaande dispenserende maatrege-
len, gezien de uiteindelijk behaalde resultaten stelt zich terecht de vraag of het regulier secundair onderwijs voor Nick nog haalbaar is?
Het zorgvuldigheidsbeginsel dient eveneens door de verdediging te worden gerespecteerd.
Het eigen addendum dd 26 juli 2017 werd niet op een correcte manier aange-
tekend verzonden. De eigen aangehaalde argumenten werden onvoldoend[e]
getoetst op waarheid en relevantie. Daardoor werden een aantal argumenten tijdens de hoorzitting volledig ontkracht.
Citaten uit alle arresten van de Raad van State waren niet letterlijk overgeno-
men.
Gezien de hoge mate van al maar toenemende stimulerende en dispense-
rende maatregelen is er volgens de commissie wel degelijk redelijk geoordeeld:
ondanks alle dispenserende maatregelen bleven er 3 tekorten in jaartotalen over.
De leerling werd tijdens de delibererende klassenraad beoordeeld vanuit zijn gehele dossier (zie leerlingvolgsysteem): zijn globale vorming, het totaal van zijn talenten en aanleg.
In die zin kan deze klassenraad dan ook op het einde van een schooljaar een advies formuleren, een advies dat volgens de commissie te rechtvaardigen is.
De school heeft de ouders en de leerling tijdig en regelmatig gesproken en gewaarschuwd. Uit het dossier blijkt ook dat er voldoende aandacht (en aanbod)
is geweest voor (en van) remediëring en begeleiding.
De aangehaalde motieven voor een C-attest met name 3 tekorten in de jaartotalen (wiskunde 32% – niet ingaan op aanbod herhalingsoefeningen, niet invullen van toetsen, stelt geen vragen wanneer leerkracht langskomt tijdens het proefwerk; NW 49 %; Informatica 41 % – slechts eenmalig ingegaan op aanbod extra uitleg, stelt geen vragen wanneer leerkracht langskomt tijdens het proefwerk) en daarenboven de lage jaartotalen van Frans (52%) en Nederlands (54%) (gaat niet in op afspraak om proefwerk mondeling toe te lichten, stap-
penplan niet bij zich op proefwerk) en dit ondanks de dispenserende maatre-
IX-9131-5/17
gelen (zie leerlingvolgsysteem), rechtvaardigen volgens ons een C-attest voor een richting Handel in het tweede leerjaar van de tweede graad TSO.
Ook het bijgevoegde advies is in deze zin duidelijk en terecht.”
Dit is de tweede bestreden beslissing.
IV. Aanduiding van de verwerende partij
4. Verzoeker vermeldt in zijn verzoekschrift ten onrechte ook de delibererende klassenraad van het Sint-Jan Berchmanscollege te Mol als verwe-
rende partij in de zaak, naast de vzw Katholiek Secundair Onderwijs Mol.
5. Zowel de delibererende klassenraad als de beroepscommissie, die respectievelijk de eerste en de tweede bestreden beslissing hebben genomen, hebben bij het nemen van deze beslissingen gehandeld als orgaan van de vzw Katholiek Secundair Onderwijs Mol.
De Raad van State heeft de voornoemde rechtspersoon dan ook als de enige verwerende partij in de voorliggende zaak aangewezen.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
6. In de huidige stand van de rechtspleging kan met de verwerende partij worden vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing, genomen door de over verzoeker delibererende klassenraad op 30 juni 2017, ingevolge de devolutieve werking van het beroep dat door verzoeker met toepassing van artikel 123/15 van de Codex Secundair Onderwijs daartegen werd ingesteld bij de beroepscommissie, werd opgeslorpt door de tweede bestreden beslissing. De beslissing van de be-
roepscommissie van 25 augustus 2017 is aldus in de plaats gekomen van de be-
slissing van de delibererende klassenraad. Deze laatstgenoemde beslissing heeft dan ook geen rechtskracht meer.
IX-9131-6/17
Dit impliceert alvast dat de vordering niet ontvankelijk is inge-
steld tegen de beslissing van de delibererende klassenraad van 30 juni 2017.
7. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over andere ontvankelijkheidsexcepties, die door de verwerende partij in haar nota worden opgeworpen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min-
stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood-
zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
VII. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
9. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoeker, die stelt aan een leerstoornis te lijden, laat gelden dat het individueel begeleidingsplan dat door de verwerende partij voor hem werd opgesteld en de concrete afspraken die met hem werden gemaakt om zijn tijd op school vlotter te laten verlopen en zijn studie thuis te ondersteunen, niet werden
IX-9131-7/17
nageleefd, wat bij hem verwarring en stress heeft veroorzaakt, met een gebrek aan concentratie en blokkades tot gevolg.
Verzoeker somt op:
- de afspraak dat elke leerkracht voor zijn of haar vak nota’s zou bezorgen, werd slechts door één leerkracht nageleefd; voor andere vakken heeft verzoeker kun-
nen rekenen op een klasgenoot;
- verzoeker heeft nooit de opvolgkaart gekregen die vanaf januari was aangekon-
digd voor het vak wiskunde, net zo min als herhalingsoefeningen;
- de directeur is teruggekomen op zijn beslissing dat verzoeker mee op uitstap zou mogen gaan naar Nicaragua, zonder de ouders van verzoeker daarbij te betrek-
ken;
- de afspraak dat alle taken en toetsen in de smartschoolagenda zouden worden ingeschreven, werd geenszins nageleefd door alle leerkrachten;
- de afspraak dat verzoeker zijn plaats in de klas mocht kiezen, is plots vervallen zonder dat de reden daarvoor aan verzoeker werd meegedeeld, terwijl commu-
nicatie voor iemand als verzoeker zo belangrijk is;
- de afspraak dat voor verzoeker zou worden voorzien in taken of actieve op-
drachten tijdens studies werd somtijds niet nageleefd.
Beoordeling
10. In het middel verwijt verzoeker aan de verwerende partij dat zij het individuele begeleidingsplan en de afspraken die ten behoeve van verzoeker werden gemaakt in functie van zijn leerstoornis, geheel of ten dele niet heeft na-
gekomen.
11. Zoals de Raad van State reeds in tal van arresten heeft overwo-
gen, is het, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van hem ver-
langde kennis en kunde te bezitten en een andere zaak – als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten – wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste zou eventueel
IX-9131-8/17
diegene kunnen zijn die hem heeft begeleid en voorbereid op het examen en daarbij in gebreke is gebleven. Maar zelfs indien een leerling de school terecht zou ver-
wijten een overeengekomen begeleidingsplan en gemaakte afspraken op het vlak van studiebegeleiding niet te hebben nagekomen, dan kan dit hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld heeft aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling. Dit eindresultaat wordt daardoor evenwel niet in die zin beïnvloed dat het gunstiger wordt.
Wat een verzoekende partij aanvoert met betrekking tot een gebrek aan begeleiding of de niet-nakoming van een individueel begeleidingsplan, kan met andere woorden eventueel aantonen dat de school mede aansprakelijk is voor het minder gunstige studieresultaat, maar niet dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd.
Om uitzondering te genieten op dit beginsel dat het inroepen van falende begeleiding geen nuttig rechtsmiddel is omdat dit hoogstens een (me-
de)schuldige aanwijst maar niet vermag de punten beter te maken dan ze uitein-
delijk zijn, is vereist dat de verzoekende partij met de nodige precisie aantoont dat de school is tekortgeschoten in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken die in een rechtstreeks oorzakelijk verband kunnen worden gebracht met de haar toegekende punten of de wettigheid van de door haar bestreden beslissing – te denken valt bijvoorbeeld aan situaties waarbij, tegen gemaakte afspraken in, geen extra tijd is gegeven om een opdracht te maken of niet in een apart lokaal is voorzien om het examen af te leggen, mondeling in de plaats van schriftelijk examen mocht worden afgelegd of omgekeerd en daaraan niet is tegemoetgekomen, schrijffouten in strijd met het begeleidingsplan niet door de vingers zijn gezien, en zo meer.
12. In dit geval geldt ook voor verzoeker dat de verwijten die hij op het vlak van het niet-nakomen van gemaakte afspraken richt tot de verwerende partij – daargelaten of ze feitelijk juist zijn – hoe dan ook niet kunnen teweeg-
brengen dat zijn resultaten beter worden of als gunstiger moeten worden be-
schouwd dan ze zijn, zelfs in die mate dat hij in aanmerking zou komen voor een
IX-9131-9/17
evaluatiebeslissing waarbij hij geacht wordt het tweede jaar van de tweede graad Handel met vrucht te hebben beëindigd.
Verzoeker toont voorts niet aan dat voor hem uitzonderlijk van het hiervóór sub 11 vermelde beginsel moet worden afgeweken, omdat de school is tekortgeschoten in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken die onmiskenbaar in een rechtstreeks oorzakelijk verband staan met de behaalde resultaten en aldus met de wettigheid van de betwiste evaluatiebeslissing. De door verzoeker opgesomde voorbeelden van naar zijn oordeel misgelopen afspraken laten geen dergelijk verband blijken.
13. Het eerste middel is derhalve niet ernstig.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
14. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de motiveringsplicht.
Hij stelt dat de delibererende klassenraad krachtens artikel 5, § 8, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de orga-
nisatie van het voltijds secundair onderwijs’ de verplichting heeft om elk advies of beslissing afdoende te motiveren. De delibererende klassenraad moet daarbij re-
kening houden met alle elementen van het specifieke dossier.
Volgens verzoeker is de beslissing van de delibererende klas-
senraad in dit geval echter zeer summier gemotiveerd en bestaat ze voornamelijk uit een opsomming van de ondermaats gepresteerde vakken.
Wat het vak wiskunde betreft, herhaalt verzoeker dat geen op-
volgkaart en herhalingsoefeningen werden aangeboden. De leerstof voor het
IX-9131-10/17
examen informatica was volgens verzoeker dan weer gerelateerd aan bedrijfs-
economie, waarvoor hij was “gedispenseerd”, zodat met het tekort voor dit examen geen rekening mag worden gehouden. Het vak natuurwetenschappen is geen hoofdvak en zijn tekort was slechts een licht tekort, zo stelt verzoeker.
Verzoeker laat voorts gelden dat de lage jaartotalen voor Frans en Nederlands hoe dan ook geen argument zijn om het toegekende C-attest te rechtvaardigen.
Verzoeker betwist ook de argumentatie van de delibererende klassenraad met betrekking tot het “niet [ingaan] op aanbod herhalingsoefenin-
gen”, het “niet invullen van toetsen” en het niet stellen van “vragen wanneer leerkracht langskomt tijdens proefwerk”. Hij herhaalt dat geen herhalingsoefe-
ningen voor wiskunde werden aangeboden. Indien dat wel zou zijn gebeurd en hij daar niet op inging, dan hadden zijn ouders daarover moeten worden gecontac-
teerd. Toetsen heeft hij niet ingevuld, omdat hij de antwoorden niet kende en niet omdat hij niet wilde meewerken. Ook het niet stellen van vragen aan de leerkracht tijdens het proefwerk wijst niet op een gebrek aan medewerking, maar op een gebrek aan communicatief vermogen dat leidt tot stresspieken en blokkades. De school is volgens verzoeker veeleer tekortgekomen in het verschaffen van een aangepaste begeleiding aan leerlingen met een leerstoornis zoals de zijne.
Ten slotte benadrukt verzoeker dat de delibererende klassenraad geen rekening heeft gehouden met alle elementen van het dossier, zoals zijn moeilijke thuissituatie, zijn leerstoornis, zijn vele afwezigheden, zijn enorme inzet en zijn prestaties in het verleden, toen hem telkens een A-attest werd toegekend.
Beoordeling
15. Verzoeker bekritiseert in de uiteenzetting van het middel in zijn inleidend verzoekschrift uitdrukkelijk en uitsluitend de motivering of het gebrek eraan van de beslissing van de delibererende klassenraad van 30 juni 2017.
IX-9131-11/17
Zoals hiervóór sub 6 werd uiteengezet, werd deze beslissing echter opgeslorpt door de beslissing die na verzoekers beroep op 25 augustus 2017
door de beroepscommissie werd genomen en is de vordering niet ontvankelijk voor zover ze tegen de beslissing van de delibererende klassenraad is gericht.
De motivering van de beslissing van de delibererende klassen-
raad van 30 juni 2017 is aldus niet meer dienstig, in die zin dat de eventuele ge-
breken daarvan als zodanig niet tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie kunnen leiden. De beroepscommissie heeft immers, na ver-
zoekers beroep gezien en gehoord te hebben, een eigen beoordeling van verzoekers evaluatiedossier gemaakt en daarover een eigen beslissing genomen die op eigen motieven steunt.
De beroepscommissie heeft, om de redenen die haar eigen zijn en waarin zij een antwoord beoogt te geven op de grieven die door verzoeker voor haar werden aangevoerd, op 25 augustus 2017 beslist om het oriënteringsattest C te handhaven. Haar redengeving blijkt uitdrukkelijk uit de beslissing die zij heeft genomen, zoals hiervóór sub 3.5 weergegeven. Die redengeving valt in rechte niet samen met de motieven van de delibererende klassenraad.
Verzoeker bekritiseert in zijn inleidend verzoekschrift de moti-
vering van de beslissing van de beroepscommissie als zodanig niet. Hij beperkt er zich wezenlijk toe de grieven te herhalen die hij eerder in zijn “addendum” met betrekking tot de motivering van de beslissing van de deliberende klassenraad heeft aangevoerd voor de beroepscommissie, zonder oog te hebben voor de be-
oordeling van die grieven door de beroepscommissie.
16. Het tweede middel is daarom evenmin ernstig.
IX-9131-12/17
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
17. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel en de “schadebeperkingsplicht”.
Volgens verzoeker heeft de delibererende klassenraad niet enige redelijkheid aan de dag gelegd en heeft hij geen oog gehad voor het belang van de student om niet langer dan strikt noodzakelijk op de schoolbanken te vertoeven.
Verzoeker stelt dat de delibererende klassenraad een waaier aan opties heeft, maar uiteindelijk heeft gekozen voor de maatregel met de meest verregaande en schadelijke gevolgen. Minder ingrijpende maatregelen werden niet in overweging genomen. De delibererende klassenraad had daarbij kunnen kiezen voor een A-attest met een waarschuwing voor bepaalde vakken, een A-attest met remediëringsmaatregelen, een uitgestelde beslissing met een herexamen of een B-attest.
Volgens verzoeker staat de toekenning van een C-attest niet in verhouding tot de schadelijke gevolgen die hij zal ondergaan. Hij zal immers een extra jaar op de schoolbanken moeten zitten en hij zal het nut van zijn zware in-
spanningen en enorme inzet voor de school niet meer inzien. Zijn vertrouwen in de school en de begeleiders zal volledig geschonden zijn en hij zal mogelijk in een neerwaartse spiraal terechtkomen.
Beoordeling
18. Het derde middel, zoals het in het inleidend verzoekschrift is uiteengezet, is gericht tegen de beslissing van de delibererende klassenraad van 30 juni 2017.
IX-9131-13/17
Zoals hiervóór sub 6 vermeld, is de vordering niet ontvankelijk voor zover ze tegen die beslissing is gericht.
19. Anders dan het geval is bij het tweede middel, kan dit derde middel, dat de evenredigheid van het toegekende C-attest betwist, evenwel zonder enige moeite ook worden betrokken op de bestreden beslissing van de beroeps-
commissie, die ten aanzien van verzoeker de opgelegde maatregel heeft gehand-
haafd, zij het op grond van de motieven die haar eigen zijn.
20. De vraag naar de evenredigheid van de maatregel behelst de vraag naar het bestaan van een redelijke verhouding van de opgelegde maatregel tot de vaststaande motieven.
21. In dit geval blijkt verzoeker een jaarresultaat van 52% te hebben behaald, met drie jaartekorten, namelijk voor wiskunde (32%), natuurweten-
schappen (49%) en informatica (41%). Uit deze becijferde studieresultaten ver-
mocht de beroepscommissie in beginsel af te leiden dat verzoeker het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd en met ander woorden niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt en aldus niet be-
kwaam kan worden geacht zijn studies in het volgende leerjaar voort te zetten.
Verzoeker brengt geen gegevens aan die tot een andere conclusie nopen. Zoals reeds gesteld bij de beoordeling van het eerste middel, kunnen zijn grieven met betrekking tot de verstrekte begeleiding, indien ze gegrond zouden zijn, hoogstens betekenen dat de school schuld of medeschuld heeft aan de be-
haalde resultaten, maar niet dat deze resultaten beter worden dan ze zijn.
Luidens artikel 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ wordt het oriënteringsattest C uitgereikt wanneer de leerling het leerjaar niet met vrucht heeft beëindigd, zoals de beroepscommissie in het geval van verzoeker heeft mogen aannemen.
IX-9131-14/17
Verzoekers bewering dat hij ingevolge het toegekende oriënte-
ringsattest “een extra jaar op de schoolbanken [zal] moeten zitten”, dat hij “het nut van zware inspanningen en een enorme inzet voor school niet meer [zal] inzien”, dat “zijn vertrouwen in de school en begeleiders volledig geschonden [zal] zijn, waardoor hij mogelijk in een neerwaartse spiraal terechtkomt” is een grotendeels hypothetische toekomstbespiegeling die de onevenredigheid van het toegekende C-attest ten aanzien van de werkelijk behaalde studieresultaten niet vermag aan te tonen.
Uit de bestreden beslissing van de beroepscommissie blijkt dat deze commissie de toekenning van een C-attest in de gegeven omstandigheden verantwoord vindt. Verzoeker brengt geen overtuigende reden aan die voor de beroepscommissie aanleiding had moeten zijn om minder ingrijpende maatregelen in overweging te nemen.
22. Het derde middel is evenmin ernstig.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
23. Verzoeker formuleert in een vierde middel “[a]ndere bezwaren”.
Hij zet uiteen dat hij naar het einde van het schooljaar toe zeer vaak afwezig was, waardoor hij de lessen niet meer kon bijwonen. Hij beschouwt dit als “het gevolg van het feit dat er geen klik was met de klastitularis” door wie hij zich “niet begrepen, maar vooral niet gesteund” voelde. Hij voegt eraan toe dat cursussen studeren zonder de lessen gevolgd te hebben niet evident is.
Hij merkt nog op dat hij de studierichting Toerisme wil gaan volgen, die slechts in twee uren wiskunde per week voorziet in de plaats van in vier
IX-9131-15/17
uren en in dewelke geen bedrijfseconomie en natuurwetenschappen dienen te worden gevolgd.
Beoordeling
24. Verzoeker formuleert overwegingen in verband met zijn vele afwezigheden op de school en de moeilijkheid die ze hebben opgeleverd om te studeren. Hij geeft ook aan dat hij een andere studierichting wil gaan volgen, maar dat de delibererende klassenraad daarmee geen rekening heeft gehouden.
Hij vermeldt daarbij evenwel geen enkele rechtsregel of rechts-
beginsel dat door de beslissing van de beroepscommissie van 25 augustus 2017
geschonden zou zijn. Hij voert aldus geen rechtsmiddel aan zoals bedoeld in arti-
kel 16, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’.
25. Het vierde middel is evenmin ernstig.
VIII. Slotsom wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de gevorderde voorlopige maatregel betreft
26. Aangezien verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is niet vol-
daan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd.
27. Alleen al om dezelfde reden kan ook geen gunstig gevolg wor-
den gegeven aan de door verzoeker bijkomend gevorderde voorlopige maatregel.
IX-9131-16/17
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 september 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Bert Thys, staatsraad, wnd. voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Bert Thys
IX-9131-17/17
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.130