Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.108 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.108 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed due to late submission of counter-memorandum violating statutory time limits.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.108
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the cassation appeal because the applicant failed to submit the required counter-memorandum within the statutory deadline. Although the applicant argued for the benefit of doubt regarding the receipt date of the opposing party's memorandum, the court found concrete evidence proving receipt on February 15, 2016. Consequently, the late submission rendered the appeal inadmissible, depriving the applicant of the necessary legal interest to pursue the nullification request.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 21, second paragraph; Article 15, paragraph 1 of the Rules of Procedure of the Council of State; the requirement to observe strict time limits for submitting a counter-memorandum precludes the application of the benefit of doubt when concrete evidence proves late receipt, thereby depriving the applicant of the necessary legal interest.

Mots-clés

Généré par l'IA
cassation procedure counter-memorandum time limits benefit of doubt legal interest inadmissibility Council of State procédure d'asile

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 21, second paragraph of the Rules of Procedure of the Council of State
Article 15, paragraph 1 of the Royal Decree of 30 November 2006
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.108 van 14 september 2017

in de zaak A. 217.475/XIV-36.754

In zake : XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Brecht De Schutter kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61, bus 5

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 november 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 153.751 van 30 september 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.773 van 15 september 2016 is het debat heropend en is de zaak verwezen naar de gewone rechtspleging in cassatie.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.754-1/4

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Brecht De Schutter, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Tijdigheid van de memorie van wederantwoord

A. Vooraf

3. Bij tussenarrest nr. 235.773 van 15 september 2016 is het debat heropend en is de zaak naar de gewone rechtspleging in cassatie verwezen om de vraag over de tijdigheid van de memorie van wederantwoord definitief te beantwoorden.

XIV-36.754-2/4

B. Beoordeling

4. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt.

Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier te dezen melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ .

Op 12 februari 2016 heeft de griffie van de Raad van State de memorie van antwoord ter kennisgeving aan de verzoekende partij gestuurd met een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding. De roze kaart die zich in het rechtsplegingsdossier bevindt is getekend voor ontvangst doch zonder vermelding van een datum. Uit het onderzoek door het auditoraat blijkt echter dat volgens de gegevens van het systeem “e-tracker” van bpost op 15 februari 2016 voor ontvangst van de bewuste aangetekende brief is getekend. Ter terechtzitting vraagt verzoeker dat twijfel over de datum van ontvangst in zijn voordeel zou gelden en in ondergeschikte orde gedraagt hij zich “naar de wijsheid” van de Raad van State.

5. Uit het bovenstaande blijkt dat de kennisgeving van de memorie van antwoord wel degelijk met een aangetekende brief met ontvangstmelding is gebeurd. Verzoeker ontkracht met een algemene verwijzing naar het voordeel van de twijfel niet de concrete gegevens van het systeem “e-tracker” volgens dewelke hij de aangetekend met ontvangstmelding verstuurde kennisgeving van de memorie van antwoord heeft ontvangen op 15 februari 2016 en op die datum ook voor ontvangst heeft getekend. De op 17 maart 2016 verstuurde memorie van wederantwoord is derhalve laattijdig ingediend.

Met toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van

XIV-36.754-3/4

30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde nietigverklaring te verkrijgen, ontbreekt.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.754-4/4

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.108