Court dismisses foreign worker's appeal against business card denial, ruling no discrimination exists between consultancy and product promotion activities.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Alexander Syshchikov's appeal against the Flemish Minister's refusal to renew his professional card. The applicant argued that the administrative body discriminated against his consultancy-focused business model compared to product promotion, claiming a violation of EU free movement rules. The court found no grounds for discrimination because the administrative decision correctly noted that physical presence in Belgium was not required for consultancy work, which can be performed remotely from Russia.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 16.1 of Directive 2006/123/EC; The Council of State holds that a refusal to renew a professional card based on the nature of consultancy services does not constitute discrimination under EU law when the activity can be performed without physical presence in the host state.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.107 van 14 september 2017
in de zaak A. 219.073/XIV-37.008
In zake: Alexander SYSHCHIKOV
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen: het VLAAMS GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 22 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing dd. 15 februari 2016 van de […] Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, waarbij het beroep van verzoeker tegen de weigeringsbeslissing [van het departement Werk en Sociale Economie] van 6 augustus 2015 inzake het toekennen van een beroepskaart ongegrond wordt verklaard”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld.
XIV-37.008-1/15
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Eva Lewyllie, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor verzoeker, en advocaat Evelien Verbruggen, die loco advocaat Dirk De Greef verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker dient op 15 april 2015 een aanvraag in tot het hernieuwen van een beroepskaart voor vreemdelingen, meer bepaald voor “consultancy - optimalisatie van de samenwerking van Belgische ondernemingen met Russische partners; promotie van Belgische producten op de Russische markt”.
Met een beslissing van 6 augustus 2015 weigert het departement voor Werk en Sociale Economie de gevraagde beroepskaart.
XIV-37.008-2/15
Op 7 september 2015 stelt verzoeker administratief beroep in tegen de voormelde beslissing.
De Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen (hierna: de REOV) geeft op 23 oktober 2015 een ongunstig advies.
Op 15 februari 2016 beslist de Vlaamse minister van Werk, Innovatie en Sport “om het beroepschrift ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde beroepskaart niet toe te kennen”. Dit is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep - belang
Standpunt van de partijen
4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Zij stelt dat verzoeker sedert 22 juni 2015
geen verblijfsrecht meer heeft in België. Volgens de verwerende partij mag de beroepskaart naar luid van artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 ‘betreffende de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen’ (hierna: de wet van 19 februari 1965) slechts worden gegeven aan de vreemdeling die een vergunning heeft gekregen om in België te verblijven of er zich te vestigen, zodat verzoeker niet beschikt over het vereiste belang bij zijn beroep.
5. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat hij nog steeds belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing vermits hij overeenkomstig artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 bij het indienen van zijn aanvraag nog in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning. Bovendien vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat de beroepskaart geldt als voorwaarde voor de verlenging van het verblijf, zodat de verwerende partij bezwaarlijk een gebrek aan het vereiste belang kan inroepen.
XIV-37.008-3/15
Beoordeling
6. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.
Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.
Het belang waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem een concreet voordeel oplevert.
Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH
30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
7. Het wordt niet betwist dat verzoeker in het bezit was van een verblijfsvergunning, geldig tot 22 juni 2015. Het administratief dossier bevat een e-mail van 13 augustus 2015 van de dienst Vreemdelingenzaken aan de dienst Economische Migratie van het departement Werk en Sociale Economie waarin wordt gesteld dat de voorwaarde voor de verlenging van de A-kaart is “een geldige beroepskaart en betaling van sociale lasten en van BTW”.
XIV-37.008-4/15
De voornaamste voorwaarde voor de verlenging van verzoekers verblijfsrecht is dus de toekenning van de beroepskaart. Het is bijgevolg niet omdat er geen regelmatig verblijf meer is op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, dat de beroepskaart kan worden geweigerd. In die omstandigheden beschikt verzoeker over het vereiste belang bij het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing.
De exceptie wordt verworpen.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
8. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de materiëlemotiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
Verzoeker voert aan dat overeenkomstig zowel de bestreden beslissing, het advies van de REOV als de weigeringsbeslissing van 6 augustus 2015, het economisch belang wordt beoordeeld “in termen van economisch nut, meer bepaald het beantwoorden aan een economische behoefte, het scheppen van werkgelegenheid, nuttige investeringen, economische meerwaarde voor onder-
nemingen in België, het bevorderen van de export, vernieuwende of gespecialiseerde activiteiten of een sociale, culturele of sportieve meerwaarde”. In die beslissingen en dat advies zijn “de economische meerwaarde voor de ondernemingen in België” en “het scheppen van werkgelegenheid” onderzocht, doch zijn “de economische behoefte” en het scheppen van “nuttige investeringen”
slechts in geringe mate onderzocht en zijn “het bevorderen van de export” en “vernieuwende of gespecialiseerde activiteiten” niet onderzocht. Volgens verzoeker “vergeet” men in de beslissing van 6 augustus 2015 deze laatste twee
XIV-37.008-5/15
criteria in aanmerking te nemen om het economisch belang te bepalen. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift “het zeer specifieke van zijn activiteit” als consultant in een internationale context benadrukt, waarbij hij in 2015 een relatie heeft opgebouwd met twee Scandinavische bedrijven die hulp en advies vragen om hun producten in België op de markt te brengen en er eventueel een afdeling op te starten. In het advies van de REOV en in de bestreden beslissing wordt echter met geen woord gerept over het bevorderen van de export noch over vernieuwende of gespecialiseerde activiteiten. De bijkomende vermelding in de bestreden beslissing dat de aangevoerde elementen “niet aantonen dat de aanvraag beantwoordt aan de voorwaarden voor de toekenning van de beroepskaart en meer specifiek aan de voorwaarde inzake economisch nut, zoals hierboven omschreven”, doet geen afbreuk aan de voorliggende schending van de materiëlemotiveringsplicht.
Verzoeker acht ook de formelemotiveringsplicht geschonden door de vage en algemene bewoordingen betreffende enkele beoordelingscriteria voor het economisch belang. Uit die motivering kan hij niet afleiden waaruit de toetsing precies bestond. Zo wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom de in het verleden gemaakte investeringen niet als “nuttige investeringen”
kunnen worden beschouwd. Er blijkt ook niet of rekening is gehouden met verzoekers argumentatie dat hij pas op 14 juli 2014 zijn activiteiten kon starten en met zijn beschrijving van de marktomstandigheden die hem in 2012 ertoe noopten zijn activiteiten in België te organiseren. De verwijzing in de bestreden beslissing naar de algemene en oppervlakkige motivering in het advies van de REOV volstaat daartoe volgens verzoeker niet.
9. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker toe dat een discretionaire bevoegdheid niet betekent dat deze op een willekeurige of ongemotiveerde wijze mag worden uitgeoefend. Uit de motivering van onder meer de bestreden beslissing blijkt dat de omschrijving “termen van economisch nut”
een limitatieve opsomming vormt van zeven als evenwaardig te beschouwen begrippen. Er kan niet in redelijkheid worden gesteld dat de twee genegeerde
XIV-37.008-6/15
begrippen, het “bevorderen van de export” en “vernieuwende of gespecialiseerde activiteiten”, geen verdere motivering behoeven.
10. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat het feit dat de wetgeving geen criteria bevat en dat deze criteria uit de praktijk naar voor zijn gekomen, niet betekent dat deze criteria niet kunnen worden gehanteerd. Dit geldt des te meer nu zeven criteria worden opgesomd in de bestreden beslissing, waarvan er slechts vijf in de motivering worden vermeld zodat twee relevante en toepasbare criteria overblijven die niet worden beoordeeld noch vermeld.
Beoordeling
Wat de formele motivering betreft
11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de admini-
stratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
De formelemotiveringsplicht houdt niet in dat de overheid uitdrukkelijk moet antwoorden op ieder door de aanvrager van een beroepskaart in het beroepschrift opgeworpen argument, maar wel dat impliciet of expliciet moet
XIV-37.008-7/15
blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en dat daaruit minstens impliciet kan worden afgeleid waarom die argumentatie in het algemeen niet werd aanvaard.
Aan de formelemotiveringsplicht kan worden voldaan door een verwijzing naar een advies, op voorwaarde dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen aan de rechtszoekende ter kennis is gebracht, dat dit advies zelf afdoende is gemotiveerd, dat het wordt bijgevallen in de uiteindelijke beslissing en dat er geen tegenstrijdige adviezen zijn.
12. In de bestreden beslissing wordt eerst de motivering van de weigeringsbeslissing van 6 augustus 2015 geciteerd. Vervolgens wordt (grotendeels) de motivering van verzoekers beroepschrift overgenomen met daarin de verwijzing naar de bij dat verzoekschrift gevoegde documenten. Hierna wordt het advies van de REOV weergegeven waarna wordt beslist de gevraagde beroepskaart niet toe te kennen omdat “na onderzoek blijkt dat de elementen die men aanvoert in het kader van onderhavig beroep niet aantonen dat de aanvraag beantwoordt aan de voorwaarden voor de toekenning van de beroepskaart en meer specifiek aan de voorwaarde inzake economisch nut, zoals hierboven omschreven”.
In de aanvankelijk bestreden beslissing en in het advies van de REOV, waarnaar in de bestreden beslissing dus wordt verwezen en waarvan de motivering wordt geciteerd, wordt overwogen dat de wet van 19 februari 1965
geen criteria bevat waaraan het bestuur een aanvraag tot het verkrijgen of verlengen van een beroepskaart voor het uitoefenen van een zelfstandige activiteit door een vreemdeling moet toetsen, zodat het bestuur daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. De aanvraag voor een beroepskaart berust op drie criteria, namelijk het recht op verblijf, het naleven van de reglementaire verplichtingen met betrekking tot de activiteit en het economisch belang van het project voor België. Het economisch belang wordt zowel in de aanvankelijk bestreden beslissing als in het advies van de REOV beoordeeld “in termen van economisch nut, meer bepaald het beantwoorden aan een economische behoefte,
XIV-37.008-8/15
het scheppen van werkgelegenheid, nuttige investeringen, economische meerwaarde voor de ondernemingen in België, bevorderen van export, vernieuwende of gespecialiseerde activiteit of een sociale, culturele, artistieke of sportieve meerwaarde”.
De voornoemde opsomming vormt een omschrijving van de elementen die volgens het bestuur aan bod kunnen komen bij de beoordeling van het gehanteerde criterium van economisch nut of belang. Ze houdt als dusdanig niet in dat ieder element afzonderlijk moet worden onderzocht noch dat er uitdrukkelijk over moet worden gemotiveerd. Enkel uit het feit dat geen afzonderlijke motivering is gewijd aan de elementen “bevorderen van de export”
en “vernieuwende of gespecialiseerde activiteit” kan derhalve geen schending van de formelemotiveringsplicht worden afgeleid.
13. Met de beslissing van 6 augustus 2015 werd verzoekers aanvraag in concreto geweigerd omdat verzoeker “tot op heden nauwelijks economische activiteit had” met voor 2014 een inkomen van 4.380,02 euro, daar waar hij in zijn eerste aanvraag een inkomen van respectievelijk 39.406,34 euro en 50.065,15 euro had voorzien voor het eerste en het tweede jaar. Er werd vermeld dat verzoeker geen personeel had aangenomen en geen extra investeringen aantoonde. Verder werd overwogen dat er geen bewijs is dat in Vlaanderen vraag is naar verzoekers diensten vermits men geen Vlaamse of Belgische ondernemingen terugvindt bij zijn cliënten en dat in het dossier slechts enkele contracten aanwezig zijn met buitenlandse partners waarbij onduidelijk is hoeveel inkomen verzoeker daaruit zal genereren, zodat de leefbaarheid van de onderneming niet is aangetoond. Tot slot werd overwogen dat uit de contacten met Flanders Investment Trade geen concrete samenwerking is voortgevloeid en dat er geen significant bewijs is van financieel beterschap of economische meerwaarde naar de toekomst toe.
In zijn beroepschrift liet verzoeker met betrekking tot zijn inkomsten gelden dat hij in 2014 drie contracten kon afsluiten en dat hij in 2015
contracten heeft afgesloten in vijf Europese landen. Hij had in zijn businessplan
XIV-37.008-9/15
reeds meegedeeld dat de eerste twee jaar geen personeel zou worden aangeworven.
Wat de nood aan zijn diensten in Vlaanderen betreft, wees verzoeker op zijn contacten met een aantal ondernemingen die weliswaar aarzelden, doch ook op de interesse van andere ondernemingen in Europa en in Rusland, die interesse betonen in de Vlaamse markt. Verzoeker stelde ook dat hij nog steeds contacten heeft met Flanders Investment Trade en dat hij in 2015 een relatie heeft opgebouwd met twee Scandinavische bedrijven die willen uitbreiden naar EU-landen en die geïnteresseerd zijn in samenwerking met verzoeker, onder meer om hun producten op de Belgische markt te brengen.
De REOV overweegt in zijn advies, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, dat een vaste aanwezigheid van verzoeker in België niet noodzakelijk is voor de beoogde activiteit vermits hij niet zozeer de promotie van Belgische producten in Rusland nastreeft maar zich vooral wil richten op consultancy. Meer specifiek blijkt uit de voorgelegde financiële documentatie onvoldoende welke persoonlijke inkomsten verzoeker op korte en lange termijn uit de beoogde activiteit kan genereren gelet op de beperkte omzet tot heden. De REOV besluit dat de vraag naar verzoekers diensten volgens de stukken zeer gering is en nog maar tot zeer weinig concrete afspraken heeft geleid.
Met de voornoemde overweging wordt geantwoord op verzoekers argumentatie betreffende zijn inkomsten. De verwijzing naar “zeer weinig concrete afspraken” en naar de beperkte vraag naar verzoekers diensten vormt een antwoord op verzoekers argumentatie dat hij een relatie heeft opgebouwd met twee Scandinavische ondernemingen. Hieraan wordt gekoppeld dat een vaste aanwezigheid in België niet nodig is voor de consultancy-activiteiten van verzoeker, die niet zozeer op de promotie van Belgische producten in Rusland zijn gericht. Verzoeker kan daaruit afleiden op grond waarvan zijn beroep wordt afgewezen en deze motivering heeft een afdoend karakter.
14. Het eerste middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft.
XIV-37.008-10/15
Wat de materiële motivering betreft
15. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
16. In het licht van de door verzoeker bijgebrachte gegevens, die bestaan uit een beperkt aantal contacten met een aantal ondernemingen zonder noemenswaardige concrete afspraken, is het niet in strijd met de feitelijke gegevens van de zaak of met de regelgeving, noch onredelijk, om op grond van de beperkte omzet, het gebrek aan bewijs van persoonlijke inkomsten en de zeer geringe vraag naar verzoekers diensten te besluiten dat de economische meerwaarde van zijn zelfstandige activiteit niet meer is aangetoond en om zich aan te sluiten bij de vaststelling in de weigeringsbeslissing van 6 augustus 2015 dat de leefbaarheid van verzoekers onderneming niet wordt aangetoond.
17. Het eerste middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft.
XIV-37.008-11/15
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
18. Verzoeker werpt in een tweede middel, waaraan hij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegt, de schending op van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids-
beginsel.
Verzoeker voert aan dat de schending van het zorgvuldigheids-
beginsel blijkt uit de vage en algemene bewoordingen van de bestreden beslissing, het niet vermelden van een aantal uitdrukkelijk omschreven beoordelingscriteria en het feit dat de argumenten uit zijn beroepschrift niet daadwerkelijk in rekening zijn genomen. Hij acht het volstrekt onredelijk dat hij zijn inspanningen voor een succesvolle opstart plots zou moeten staken, zeker omdat hij aantoont dat het aantal afgesloten contracten in 2015 gestaag toenam. De rechtszekerheid en verzoekers vertrouwen in de standvastigheid van het bestuur en om zijn activiteiten in een financiële crisistijd te ontwikkelen vanuit België worden ernstig aangetast.
Bovendien wordt in de weigeringsbeslissing en in het advies van de REOV slechts rekening gehouden met de door verzoeker verwezenlijkte inspanningen en de hierdoor geleverde meerwaarde voor de Belgische economie. Verzoeker is voor zijn consultancy-activiteiten per definitie aangewezen op internationaal gerichte bedrijven doch zijn inspanningen in andere landen van de Europese Unie lijken voor de bestreden beslissing niet of nauwelijks in aanmerking te zijn genomen.
Beoordeling
19. In het auditoraatsverslag wordt het tweede middel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen.
Voor wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel betreft, kan worden verwezen naar de behandeling van
XIV-37.008-12/15
het eerste middel waaruit blijkt dat de bestreden beslissing niet onredelijk is. Het is ook niet onredelijk enkel rekening te houden met de in België aangegane contracten aangezien de beroepskaart wordt afgegeven voor het Belgische grondgebied.
De omstandigheid dat verzoekers vertrouwen is geschonden in enige standvastigheid van het bestuur om zelf nog een weloverwogen risico te nemen en zijn activiteiten in tijden van economische crisis vanuit België te organiseren, toont niet aan dat het bestuur enige concrete toezegging heeft gedaan om zijn beroepskaart na een termijn van twee jaar te hernieuwen.
20. Verzoeker betwist deze conclusies niet. Hij verzuimt immers in zijn laatste memorie nog inhoudelijk te reageren op de bevindingen van het auditoraatsverslag en beperkt zich ertoe te volharden in het tweede middel.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
21. Verzoeker werpt in een derde middel, waaraan hij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegt, de schending op van “de Europese regelgeving en meer bepaald het vrij verkeer diensten”.
Verzoeker verwijst naar artikel 16.1 van richtlijn 2006/123/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 ‘betreffende de diensten op de interne markt’ en voert aan dat de Europese regelgeving is geschonden door de weigering van de hernieuwing van zijn beroepskaart op basis van de door hem geleverde inspanningen ten aanzien van de Belgische
XIV-37.008-13/15
ondernemingen zonder op evenwaardige wijze de inspanningen te betrekken die verzoeker heeft geleverd ten aanzien van bedrijven uit andere Europese lidstaten of landen waarvan België het vrij verkeer van diensten moet eerbiedigen. Het loutere gegeven dat verzoeker zich voornamelijk wil richten op consultancy en niet zozeer op promotie van Belgische producten in Rusland, houdt een discriminatie in ten aanzien van de beoogde promotie van producten ten overstaan van andere lidstaten.
Beoordeling
22. In het auditoraatsverslag wordt het derde middel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen.
Verzoekers kritiek heeft betrekking op de met de bestreden beslissing onderschreven overweging in het advies van de REOV dat een vaste aanwezigheid in België niet noodzakelijk is voor de beoogde zelfstandige activiteit, temeer daar verzoeker niet zozeer de promotie van Belgische producten in Rusland nastreeft maar zich vooral wil richten op consultancy. Met die overweging wordt enkel gesteld dat verzoeker niet in België aanwezig moet zijn vermits hij zich voornamelijk op consultancy richt en deze activiteit ook vanuit Rusland kan gebeuren. Daarmee wordt geen onderscheid gemaakt tussen de promotie van Belgische producten in Rusland en de promotie door verzoeker van producten uit andere lidstaten.
23. Verzoeker betwist deze conclusies niet. Hij verzuimt immers in zijn laatste memorie nog inhoudelijk te reageren op de bevindingen van het auditoraatsverslag en beperkt zich ertoe te volharden in het derde middel.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.
XIV-37.008-14/15
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig-
verklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-37.008-15/15
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.107