Belgian State Court dismisses tax debt suspension appeal due to applicant's lack of good faith regarding hidden assets.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the taxpayer's appeal against the refusal of an unlimited suspension of tax collection. The applicant argued that his financial hardship justified the suspension, but the court found he failed to disclose participations in companies and a specific bank account used to offset other debts. Consequently, the court ruled that the applicant lacked the required good faith, which is a mandatory condition for granting such relief.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100 of the Code of Taxation; An unlimited suspension of tax collection may only be granted to taxpayers who demonstrate good faith, and failure to disclose relevant assets or financial arrangements constitutes a lack of good faith, thereby precluding the suspension.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.099 van 14 september 2017
in de zaak A. 216.393/XIV-36.551
In zake : Patrick STAELRAEVE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Speecke kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 8 A/0001
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën Rechtskundige dienst FOD Financiën North Galaxy - Toren B, 26ste verdieping met kantoren te 1030 Brussel Koning Albert II-laan 33, bus 15
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie Onbeperkt uitstel van de Invordering directe belastingen van 5 mei 2015 waarbij werd besloten om het beroep ingesteld door verzoeker te verwerpen en de beslissing van de adviseur generaal - gewestelijk directeur van het regionaal invorderingscentrum te West-Vlaanderen van 12 maart 2015 te bekrachtigen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XIV-36.551-1/17
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Liesbeth Saelen, die loco advocaat Johan Speecke verschijnt voor verzoeker en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 17 december 2014 dient de raadsman van verzoeker een verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen in. Uit het bij het verzoek gevoegde feitenrelaas blijkt dat verzoeker als gevolg van het faillissement en vereffening van verschillende ondernemingen niet in staat is om zijn schuldenlast terug te betalen. Het pensioen van verzoeker laat niet toe om de belastingschuld af te betalen. Hij is bereid om maandelijkse afbetalingen te verrichten van 250, 00 euro.
XIV-36.551-2/17
3.2. Op 4 februari 2015 brengt de ontvanger van de directe belastingen Kortrijk 2 een genuanceerd advies uit.
3.3. Bij aangetekende brief van 12 maart 2015 verwerpt de gewestelijke directeur invordering van het Regionaal Invorderingscentrum West-Vlaanderen van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering van de FOD Financiën te Brugge de aanvraag van verzoeker. Deze weigeringsbeslissing is gesteund op de volgende overwegingen:
“[…]
Het is echter zo dat de gunst enkel kan worden verleend aan belastingschuldigen die ongelukkig en ter goeder trouw zijn en zich in een moeilijke financiële situatie bevinden onafhankelijk van hun wil en deze toestand hen niet toelaat om de verschuldigde belastingen integraal te vereffenen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de bovenvermelde aanslagen het voorwerp hebben uitgemaakt van een geschil met de fiscus. Dat geschil werd beslecht op 08.10.2013 door het Hof van Beroep te Gent (nr.2010/AR/1371): uw grieven en het hoger beroep werden integraal ongegrond verklaard. Nu de schuld zeker en vaststaand is kan niet opnieuw over de grond van de zaak worden gedebatteerd.
In hoofdorde wordt gesteld dat uw inkomen is herleid sinds u met pensioen ging. Dat beperkte inkomen moet u klaarblijkelijk aanwenden ter betaling van de huurkosten, het dient ook te volstaan om te voorzien in het levensonderhoud van uw vrouw en uzelf. Er wordt tevens verklaard dat uw toestand niet meer zal verbeteren aangezien u, onder meer, evenmin uitzicht hebt op een erfenis.
Zonder nader onderzoek zou inderdaad blijken dat u niet in staat kan worden geacht om de belastingschuld in kwestie te betalen.
Er is echter gebleken dat uw huidige echtgenote, mevrouw [E.V.H.] destijds een aantal onroerende goederen heeft gerealiseerd. Alhoewel zij niet kan worden aangesproken ter betaling van deze voorhuwelijkse schuld is zij wel gehouden om haar aandeel in de kosten van het gezin te dragen overeenkomstig haar vermogen, lijkt het niet meer dan normaal dat zij de opbrengst van deze goederen daartoe aanwendt. Eén en ander heeft tot gevolg dat u niet alleen moet instaan voor de betaling van alle lasten.
Het bankonderzoek wees uit dat u minstens ook als titularis wordt aangemerkt van twee rekeningen bij de KBC Bank nv. De rekeningen met de nummers: BE03
7370 3175 XXXX en BE35 7470 3137 XXXX hebben weliswaar een saldo op heden van 0,00 EUR maar er kan worden vastgesteld dat er na de verkoop van obligaties en andere effecten in de loop van 2012, een totaal bedrag van 311.775,18 EUR op de rekening met het nummer BE03 7370 3175 XXXX stond geparkeerd. Alhoewel dit bedrag naderhand op een andere rekening werd overgeschreven kan niet worden getwijfeld aan het gegeven dat u de vragenlijst onvolledig hebt ingevuld terwijl eveneens moet worden getwijfeld aan uw onvermogen en uw bewering als zou u over geen andere reserves beschikken.
Voormeld bedrag volstond namelijk om een belangrijk deel van de verschuldigde belastingen te vereffenen wat u pertinent hebt nagelaten.
Er wordt ook vastgesteld dat u als zaakvoerder van S.P.E. Advies cva over een aantal deelbewijzen beschikt. Volgens de laatste neergelegde jaarrekening
XIV-36.551-3/17
d.d. 12.08.2014 beschikt deze vennootschap over een geplaatst kapitaal van 70.000
EUR en bezit ze terreinen en gebouwen voor een totale boekwaarde van 332.500
EUR en rollend materieel t.b.v. 220.833 EUR. Op naam van deze vennootschap werd op 03.03.2011 nog een Mercedes SLSAMG ingeschreven; zoals blijkt heeft deze uitzonderlijke wagen ook een exuberante prijs.
Uit nazicht van uw bankuittreksels blijkt verder dat u maandelijks, na betaling van de huur, het saldo van uw pensioen overschrijft op rekening van S.P.E. Avies cva.
Rekening houdende met wat voorafgaat kan niet voor absolute waarheid worden aangenomen dat u over onvoldoende middelen zou beschikken om de belastingschuld te delgen. Het is zelfs zo dat u sinds geruime tijd en stelselmatig, een belangrijk deel van uw vermogen wegmaakt zodat het kan worden onttrokken aan de fiscus als schuldeiser wat in strijd is met de bepaling opgenomen in artikel 413bis, § 2,1° WIB 92. Aangezien u ook onjuiste of op zijn minst, onvolledige informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen kan geen gunstig gevolg worden gegeven aan uw verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen in toepassing van artikel 413bis e.v. WIB 92.”
3.4. Bij aangetekende brief van 7 april 2015 dient verzoeker een administratief beroep in tegen de beslissing van de gewestelijke directeur. In het beroepsschrift worden de verschillende motieven van de in eerste aanleg genomen administratieve beslissing bekritiseerd en nadere toelichting verstrekt omtrent de financiële achtergrond van verzoeker.
3.5. De beroepscommissie verricht een onderzoek naar de vermogenstoestand van verzoeker en via verschillende kanalen wordt informatie ingewonnen. Er wordt informatie ingewonnen bij de KBC-Bank aangaande de rekeningen van verzoeker. Tevens wordt informatie ingewonnen bij Infobase aangaande de werkelijke en de oude mandaten van verzoeker. In dit verslag wordt gesteld dat verzoeker vennoot is in ABM Europe bvba en Computer Software &
Management bvba en hij tevens zaakvoerder is bij SPE Advies.
3.6. Op 5 mei 2015 wordt verzoeker in het bijzijn van zijn raadsman gehoord.
3.7. Op 5 mei 2015 beslist de Beroepscommissie Onbeperkt uitstel van de Invordering directe belastingen om het beroep ingesteld door verzoeker te verwerpen en de beslissing van de adviseur generaal - gewestelijk directeur van het
XIV-36.551-4/17
regionaal invorderingscentrum te West-Vlaanderen van 12 maart 2015 te bekrachtigen. De beroepscommissie steunt op de volgende overwegingen:
“[…]
Overwegende dat de Heer STAELRAEVE Patrick momenteel volgende aanslagen inzake personenbelasting verschuldigd blijft:
Ontvangkantoor Aanslagjaar Kohierartikel Saldo in hoofdsom Kortrijk 2 1992 450151 14.171,33€ Kortrijk 2 1993 900037306 73.021,15€ (750836731)
Kortrijk 2 1994 900084867 74.705,54€ (767550981)
TOTAAL 161.898,02€
[…]
Overwegende dat overeenkomstig artikel 413bis, § 2, WIB 92, een verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering enkel ontvankelijk is voor zover :
o de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen;
o de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering heft verkregen binnen de vijfjaar voorafgaand aan het verzoek;
Overwegende dat het onbeperkt uitstel van de invordering een bijzondere regeling is voor belastingplichtigen te goeder trouw die omwille van tegenslagen, niet meer in staat zijn om op een duurzame wijze, hun fiscale schulden te betalen;
Overwegende dat het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen tegelijk ook de belastingschuldige, die ongelukkig en te goeder trouw is, een fresh start moet bieden, die hem in staat moet stellen opnieuw deel te nemen aan het maatschappelijk leven (Kamer, 2004-2005, Memorie van Toelichting, doc. 511437/001 — 1438/001, p. 205 en 206);
Overwegende dat een gebrek aan goede trouw, vereist voor het verlenen van de gunst het onbeperkt uitstel, in hoofde van verzoeker moet vastgesteld worden;
Overwegende dat dit gebrek aan goede trouw onder andere blijkt uit het feit dat de Heer STAELRAEVE Patrick niet alleen de vragenlijst uiterst summier heeft ingevuld, zodat een degelijk nazicht onmogelijk is, maar dat hij ook relevante informatie wetens en willens heeft verzwegen;
Overwegende dat de Heer STAELRAEVE Patrick, in zijn verzoekschrift wel melding maakt van diverse vennootschappen waarin hij in het verleden heeft geparticipeerd en van het feit dat deze participaties in die vennootschappen tot financiële problemen hebben geleid, maar tegelijkertijd op geen enkele manier verwijst naar de drie vennootschappen waarin hij op heden wèl nog steeds participeert: met name ABM EUROPE BVBA (KBO-nr. 425.692.319), COMPUTER SOFTWARE & MANAGEMENT BVBA (KBO-nr. 454.134.994)
en SPE ADVIES Comm. VA (KBO-nr. 443.743.524).
Overwegende dat, wanneer in de bestreden directoriale beslissing sprake is van SPE ADVIES Comm. VA en van het feit dat, volgens de laatste neergelegde
XIV-36.551-5/17
jaarrekening d.d. 12.08.2014, deze vennootschap over een geplaatst kapitaal van 70.000 EUR beschikt en terreinen en gebouwen voor een totale boekwaarde van 332.500 EUR en rollend materieel t.b.v. 220.833 EUR bezit, daarop in het beroepsschrift wordt geantwoord dat met deze activa geen rekening moet worden gehouden, want dat voormelde vennootschap een schuld heeft aan de heer en mevrouw Paelinck en dat die schuld binnenkort zal vereffend worden door middel van de verkoop van de terreinen en het gebouw.
Overwegende eveneens dat in de rubriek Bankrekeningen van de vragenlijst enkel rekeningnummer BE48 8601 1877 XXXX wordt vermeld met een saldo van 40,00 €.
Overwegende dat bankonderzoek evenwel uitwees dat de Heer STAELRAEVE
Patrick eveneens titularis is van twee rekeningen bij de KBC Bank nv met de nummers BE03 7370 3175 XXXX en BE35 7470 3137 XXXX.
Overwegende dat deze rekeningen op heden een saldo hebben van 0,00 EUR
maar dat kan worden vastgesteld dat er na de verkoop van obligaties en andere effecten in de loop van 2012, een totaal bedrag van 311.775,18 EUR op de rekening met het nummer BE03 7370 3175 XXXX stond geparkeerd.
Overwegende dat, alhoewel voormeld bedrag volstond om minstens een deel van de verschuldigde belastingen te vereffenen, de Heer STAELRAEVE Patrick — opnieuw volgens hetgeen hijzelf te kennen geeft in zijn beroepsschrift — er de voorkeur aan heeft gegeven de schulden van S.P.E. Advies cva t.o.v. KBC Bank te voldoen;
Overwegende dat verzoeker aldus niet alleen onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt om het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen, maar dat hij er telkenmale de voorkeur aan geeft andere niet-fiscale schuldeisers te betalen boven - en uiteindelijk - ten koste van de fiscus;
Overwegende dat vanaf de indiening van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering der directe belastingen nochtans volstrekte openheid verwacht wordt en dat de verzoeker spontaan alle relevante informatie met betrekking tot zijn vermogen moet verschaffen en volledige medewerking verlenen;
Overwegende dat op grond van artikel 413septies, WIB 92, de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering verliest wanneer hij onder andere onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering te verkrijgen, zodat moet aangenomen worden dat dit tevens aanleiding kan geven tot het verwerpen van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen;
[…]”
Dit is de bestreden beslissing.
3.8. Bij brief van 8 mei 2015 stelt de raadsman van verzoeker dat de informatie van Infobase niet accuraat is. Bij dat schrijven voegt hij een aantal overtuigingsstukken. Hij vraagt om de debatten te heropenen daar deze feiten “niet naar voor kwamen in de beslissing van de heer Gewestelijk Directeur te Brugge”.
Er wordt niet op ingegaan.
XIV-36.551-6/17
IV. Onderzoek van het enig middel
Standpunt van de partijen
4. In zijn verzoekschrift roept verzoeker een schending in van het “algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van materiële motivering in samenhang gelezen met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van zorgvuldigheid”
omdat de bestreden beslissing is gebaseerd op feitelijk onjuiste motieven en een normaal voorzichtige en redelijke overheid, in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst, zijn beslissing zorgvuldig zou hebben voorbereid en zich afdoende zou hebben geïnformeerd om met kennis van zaken een beslissing te nemen.
Verzoeker brengt twee inhoudelijke kritieken uit op de bestreden beslissing. Hij stelt vooreerst dat het niet klopt dat verzoeker op heden participeert in de vennootschappen ABM Europe bvba en Computer Software & Management bvba, zoals de beroepscommissie ten onrechte aanhaalt als motief voor haar afwijzende beslissing. Tijdens de hoorzitting wordt verzoeker hiermee voor het eerst geconfronteerd. Na onderzoek van dit argument blijkt dat deze vermeende feitelijkheden manifest onjuist zijn. Uit het aandelenregister van de vennootstap Computer Software & Management bvba blijkt duidelijk dat verzoeker zijn aandelen in deze vennootschap al in het jaar 1995 heeft overgedragen. Uit de jaarrekeningen van de vennootschap ABM Europe bvba blijkt dat deze vennootschap 750 aandelen heeft uitgegeven. Uit de aanwezigheidslijst van de jaarvergadering van 27 februari 2010 van de laatstgenoemde vennootschap blijkt dat alle 750 aandelen van de vennootschap in handen zijn van J. V. E.. Het is bijgevolg duidelijk dat verzoeker geenszins vennoot is van één van beide vennootschappen. Verzoeker is wel nog actief in de Comm. V.A. Advies. De beroepscommissie erkent echter in haar beslissing dat met de activa van deze vennootschap geen rekening kan worden gehouden. Zijn tweede inhoudelijke kritiek betreft de rekening met nummer BE03 7370 3175 XXXX, waarop een bedrag van 311.775,18 EUR heeft gestaan. Die rekening is een pandrekening ten voordele van KBC Bank. Verzoeker had bijgevolg nooit de keuze om de gelden op
XIV-36.551-7/17
die rekeningen aan te wenden voor het vereffenen van zijn belastingschuld, zoals de beroepscommissie ten onrechte vermeldt in haar beslissing. Verzoeker vermeldde reeds uitdrukkelijk in zijn beroepsschrift dat deze rekening een effectenpandrekening uitmaakt ten voordele van KBC Bank met het oog op de waarborging van de verbintenissen van S.P.E.A (het huidige S.P.E. Advies).
Aangezien de kredieten op naam van S.P.E.A. per 27 juli 2012 werden opgezegd door KBC Bank en het opeisbaar schuldsaldo op dat moment 361.652,84 euro bedroeg, is KBC Bank overeenkomstig artikel 8, §1, van de wet van 15 december 2004 ‘betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten’ (hierna: de wet van 15 december 2004) overgegaan tot de realisatie van dit effectenpand.
Voorts wil verzoeker “[t]en overvloede” nog benadrukken dat de belastingschulden op dat ogenblik door hem nog steeds werden betwist zodat ze bijgevolg (nog) niet opeisbaar waren. De belastingschulden zijn slechts definitief geworden na berusting van verzoeker in het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 oktober 2013.
In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan nog toe dat Infobase slechts een particuliere bron is zonder enig officieel karakter.
De databank bevat geen informatie die afkomstig is van rechtstreekse of onrechtstreekse contacten met het bedrijf en is enkel gebaseerd op wettelijk gepubliceerde gegevens. Zo blijkt expliciet uit de informatie vanwege Infobase dat voornoemde informatie inzake de vennootschappen Computer Software &
Management BVBA en A.B.M. Europe BVBA is gebaseerd op de stichtingsaktes van deze vennootschappen, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De referentie die Infobase vermeldt, is immers de publicatiedatum en het publicatienummer van de stichtingsaktes van beide vennootschappen in het Belgisch Staatsblad. Vennootschapsrechtelijk is er geen wettelijke publicatieverplichting ten aanzien van het aandelenregister. Bijgevolg werd de overdracht van aandelen na de oprichting van de vennootschappen niet opgenomen
XIV-36.551-8/17
in de databank Infobase. De motivering van de beroepscommissie voor de afwijzende beslissing van 18 mei 2015 als zou verzoeker op heden participeren in de vennootschappen ABM Europe BVBA en Computer Software & Management BVBA en dit doelbewust verzwegen hebben, is manifest onjuist. Wat de vereffening van de schuld van de Comm. V.A. Advies betreft waardoor geen rekening kan worden gehouden met de activa van deze vennootschap, kan hieruit niet worden afgeleid dat verzoeker de voorkeur geeft aan het betalen van andere schulden boven zijn fiscale schulden. Hieruit blijkt dat de verwerende partij de hoedanigheid van verzoeker verwart met de hoedanigheid van de Comm. V.A. Spe Advies. De rechtspersoon Comm. V.A. SPE Advies kan niet worden aangesproken voor de persoonlijke schulden van haar zaakvoerder, dit is verzoeker. Het feit dat de Comm. V.A. SPE Advies haar schuldeisers terugbetaalt, kan dan ook de stelling van verweerder dat verzoeker de voorkeur zou geven aan het betalen van andere schulden boven zijn fiscale schulden niet onderbouwen.
In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker wat hij reeds eerder in zijn verzoekschrift en memorie van wederantwoord heeft uiteengezet.
5. De verwerende partij antwoordt dat de gunst van het onbeperkt uitstel aan verzoeker werd geweigerd niet alleen omdat hij voorrang geeft aan het vereffenen van andere schulden boven zijn fiscale schulden, maar ook en vooral omdat uit nader onderzoek naar de vermogenstoestand van verzoeker bleek dat hij doelbewust bepaalde informatie heeft verborgen van de administratie teneinde de gunst van het onbeperkt uitstel te verkrijgen. De raadsman van verzoeker moet uiteindelijk toegeven dat de financiële toestand van verzoeker een kluwen is waarover hij geen overzicht heeft. De informatie dat verzoeker niet meer actief is in verschillende vennootschappen waarvan sprake in de bestreden beslissing omdat hij de aandelen heeft overgedragen aan derden, wordt tegengesproken door de informatie die de administratie heeft ingewonnen. Uit de recent opgevraagde gegevens uit Infobase blijkt dat verzoeker nog steeds optreedt als vennoot in de vennootschappen bvba ABM Europe en bvba Computer Software & Management en als bestuurder in de vennootschap bvba SPE Advies. Bovendien betreffen de
XIV-36.551-9/17
door verzoeker neergelegde stukken, stukken uit 1995 en 2010, terwijl de gegevens waarover de verwerende partij beschikt, meer recente gegevens bevatten. Wat de stelling betreft dat de beroepscommissie zou erkennen dat met de activa van de vennootschap Comm. V.A. Spe Advies geen rekening kan worden gehouden, berust dit op een verkeerde lezing. In de bestreden beslissing wordt benadrukt dat verzoeker in zijn verzoekschrift op geen enkele manier melding maakt van de 3 vennootschappen waarin hij participeert. Deze verwijzing kadert in de vaststelling van het gebrek aan goede trouw bij verzoeker en is opgenomen in de beslissing omdat daarmee eens te meer wordt aangetoond dat verzoeker wel degelijk de voorkeur geeft aan het betalen van andere schulden boven zijn fiscale schulden. Wat de effectenrekening ten voordele de nv KBC Bank betreft, toont de inpandgeving van de effecten op zich al dat verzoeker de voorkeur geeft aan het betalen van andere schuldeisers dan verweerder. Tot slot, vermeldt de bestreden beslissing een aantal anomalieën in de aanvraag van verzoeker. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat er daarnaast een onduidelijkheid blijft bestaan over de juiste woonplaats van verzoeker, over de juiste toedracht van de schuld van de Comm. V.A. Spe Advies ten opzichte van de echtgenote van verzoeker voor een bedrag van 1.181.204 euro, over het gebruik van een bankkaart van een vennootschap die niet meer kredietwaardig zou zijn. Verzoeker kan derhalve niet in redelijkheid volhouden dat zijn aanvraag volledig en waarheidsgetrouw is.
In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij wat zij eerder in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet en resumeert dat het “dit gebrek aan openheid over zijn werkelijke financiële toestand [is], en niet het bestaan van een effectenpandrekening of een aandeelhouderschap op zich dat aanleiding heeft gegeven tot de hier aangevochten beslissing”. Volgens de verwerende partij kon verzoeker “aan dit euvel eenvoudig tegemoetkomen door alle informatie mee te delen bij zijn aanvraag, of door eventuele vergetelheid later toe te lichten, wat hij nagelaten heeft”. Zij stelt nog dat daar de door verzoeker ingeroepen grief geen betrekking heeft op de motieven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing, het annulatieberoep dient te worden verworpen.
XIV-36.551-10/17
Beoordeling
6. Bij artikel 332 van de programmawet van 27 december 2004
wordt in Titel VII, Hoofdstuk VIII, van het WIB ‘92, een afdeling IVbis betreffende het onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen, ingevoegd. Aan de belastingadministratie is aldus de bevoegdheid verleend om onbeperkt uitstel te verlenen van de invordering van de directe belastingschulden ten voordele van natuurlijke personen die duurzame betalingsmoeilijkheden hebben. Het verlenen van het onbeperkt uitstel heeft een dubbele doelstelling.
Deze maatregel laat eensdeels aan de belastingplichtige die ongelukkig en te goeder trouw is, toe om een nieuwe start te nemen waarbij hij wordt aangemoedigd zich te onttrekken aan zijn moeilijke situatie. Anderdeels wordt de Staat als bevoorrecht schuldeiser verzekerd om een deel van de schuldvordering in ontvangst te nemen. De begunstigde kan immers pas van het onbeperkt uitstel genieten als hij de voorwaarde heeft nageleefd bestaande uit de betaling van het door de directeur vastgestelde bedrag. De toekenning van deze gunst houdt in dat de aanvrager definitief is bevrijd van de invordering van de aanslagen waarvoor hem uitstel is verleend (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 51-1437/001, 207). Het aldus bij artikel 332 van de programmawet van 27 december 2004 ingevoegde artikel 413bis, § 2, WIB ’92 bepaalt dat het verzoek tot onbeperkt uitstel enkel ontvankelijk is, indien is voldaan aan twee voorwaarden. Ten eerste moet een verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich in een toestand bevinden waarin hij niet in staat is om op duurzame wijze zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen. Deze ontvankelijkheidsvereiste laat aan de bevoegde administratie een appreciatiemarge toe. Ten tweede mag de belastingplichtige verzoeker geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering hebben verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bevoegdheid om onbeperkt uitstel te verlenen van de directe belastingschulden een “uitzonderlijke gunstmaatregel”
betreft (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 51-1437/001, 209).
XIV-36.551-11/17
7. Verzoekers enig middel is, samengevat, gesteund op een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel, in samenhang gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betwist de deugdelijkheid van twee motieven, namelijk eensdeels de beweerde participatie van verzoeker in de vennootschappen ABM Europe bvba en Computer Software & Management bvba en anderdeels dat de beroepscommissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat de rekening met het nummer BE03 7370 3175 XXXX een pandrekening betreft zodat de verwerende partij niet deugdelijk kon beslissen dat verzoeker er de voorkeur aan heeft gegeven om de schulden van Comm. V. A. SPE advies t.o.v. KBC Bank te voldoen, hoewel dit bedrag volstond om minstens een deel van de verschuldigde belastingen te vereffenen.
8. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur dat te dezen, dit is bij de beoordeling van de motieven om het gevraagde onbeperkt uitstel al dan niet toe te staan, over een ruime discretionaire beoordelingsmarge beschikt. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de
XIV-36.551-12/17
feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
9. Waar de verwerende partij kan worden bijgetreden in zoverre zij stelt dat de bestreden beslissing is gesteund op het gebrek aan openheid van verzoeker over zijn werkelijke financiële toestand, kan zij niet worden bijgetreden in haar standpunt dat de door verzoeker ingeroepen grief geen betrekking heeft op de motieven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. De verwerende partij geeft aldus een selectieve lezing aan de bestreden beslissing. Uit de motieven van de bestreden beslissing die hiervoor zijn weergegeven (punt 3.7.), blijkt immers dat verzoeker een gebrek aan goede trouw wordt verweten in essentie omdat hij relevante informatie wetens en willens zou hebben verzwegen. Die relevante informatie blijkt in wezen betrekking te hebben eensdeels op zijn vermeende deelname in een aantal vennootschappen en anderdeels het gegeven dat hij eraan de voorkeur zou hebben gegeven derden te vergoeden ten nadele van zijn fiscale schulden waarbij wordt gerefereerd aan “[d]e rekeningen met de nummers BE03 7370 3175 XXXX en BE35 7470 3137 XXXX die “[op heden] weliswaar een saldo van 0,00 EUR [hebben] maar er kan worden vastgesteld dat er na de verkoop van obligaties en andere effecten in de loop van 2012, een totaal bedrag van 311.775,18 EUR op de rekening met het nummer BE03 7370 3175 XXXX
stond geparkeerd”.
10. Verzoeker maakt aannemelijk, anders dan de bestreden beslissing vermeldt, dat het niet klopt dat hij nog participeert in de vennootschappen ABM Europe bvba en Computer Software & Management bvba.
Uit het administratief dossier blijkt dat de beroepscommissie zich daartoe steunt op een rapport opgesteld door Infobase. Als bewijs dat verzoeker vennoot is van ABM Europe bvba wordt in het rapport van Infobase verwezen naar de referentie 1984/1625-15. Als bewijs dat hij vennoot is van Computer Software & Management bvba wordt in het rapport verwezen naar referentie 1995/01/13-0114. Evenzo maakt verzoeker aannemelijk dat deze
XIV-36.551-13/17
referenties vermoedelijk verwijzen naar de publicatiedatum en het publicatienummer van de stichtingsaktes van beide vennootschappen in het Belgisch Staatsblad en deze informatie niet meer actueel is. Vooreerst blijkt uit de vennootschapswetgeving zoals die van toepassing is op het voorliggende geschil immers niet dat er een publicatieverplichting geldt voor de overgang van de aandelen van een bvba, zoals geldt bij de oprichting van een Belgische vennootschap zodat refereren aan het aandeelhouderschap bij de oprichting van een rechtspersoon op zich niet volstaat om aan te tonen dat verzoeker nog participeert in die rechtspersoon. Voorts blijkt uit de door verzoeker bijgebrachte stukken die hij heeft gevoegd bij zijn in punt 3.8. vermelde brief van 8 mei 2015
dat hij niet langer aandeelhouder is in de hiervoor vermelde vennootschap Computer Software & Management bvba. Uit het uittreksel van het aandelenregister Computer Software & Management bvba volgt immers dat de verzoeker zijn 125 aandelen heeft overgedragen op 1 februari 1995. Hieruit kan worden afgeleid dat verzoeker niet langer participeert in deze bvba. Uit de neergelegde jaarrekeningen van de bvba ABM Europe voor de boekjaren 2013-2014 en 2009-2010 die verzoeker in het door hem neergelegde stukkenbundel heeft bijgebracht, blijkt dan weer dat het aantal aandelen van deze vennootschap 750 bedraagt. Uit de aanwezigheidslijst van de jaarvergadering van 27 februari 2010 die verzoeker met zijn schrijven van 8 mei 2015 had bijgebracht, blijkt dat de heer J. V. E. deze 750 aandelen aanhoudt. Deze bewijsmiddelen maken aannemelijk dat verzoeker niet langer participeert in de bvba ABM Europe.
De verwerende partij lijkt dat in haar procedurestukken overigens niet te betwisten.
Integendeel, stelt zij in haar laatste memorie dat “niet het bestaan van [...] een aandeelhouderschap op zich aanleiding heeft gegeven tot de hier aangevochten beslissing”. De verwerende partij kan niet louter op basis van de gegevens die volgen uit de gepubliceerde stichtingsaktes aannemen dat verzoeker nog steeds aandeelhouder is van desbetreffende vennootschappen.
11. In zijn beroepschrift van 7 april 2015 in het kader van het georganiseerd bestuurlijk beroep argumenteert verzoeker dat de bankrekeningen BE35 7470 3137 XXXX en BE03 7370 3175 XXXX (effecten)pandrekeningen
XIV-36.551-14/17
zijn. Het effectenpand werd aangegaan ter waarborging van de verbintenissen van de Comm. V.A. SPE Advies. De kredieten aan de Comm. V.A. SPE Advies werden opgezegd en om de schuld te zuiveren is KBC Bank overgegaan tot realisatie van het volledige effectenpand.
Desgevraagd, verklaart de raadsman van verzoeker op de terechtzitting dat de in het door hem bijgebrachte stuk 9 vermelde pand(effecten)rekeningen met de nummers BE35 7470 3137 XXXX, 479-07225XX-XX en BE03 7370 3175 XXXX zouden zijn geopend op 27 februari 2010, 30 september 2010 en op 11 juni 2008, dit is ruim vóór het opeisbaar worden van de fiscale schuld. De verwerende partij verwijst naar stuk nr. 5 van het administratief dossier en stelt dat de schulden reeds dateren van 1992, 1993 en 1994 terwijl 2 rekeningen veel later werden geopend.
Daargelaten de vraag wanneer precies de rekeningen werden geopend, in pand gegeven en of uit die feiten een gebrek aan goede trouw in hoofde van verzoeker is af te leiden, dient te worden vastgesteld dat er in de bestreden beslissing louter op wordt gewezen dat er op de rekening BE03 7370 3175 XXXX
311.775,18 euro stond “geparkeerd” en dat verzoeker er de voorkeur aan heeft gegeven om de schulden van Comm. V. A. SPE advies t.o.v. KBC Bank te voldoen, hoewel dit bedrag volstond om minstens een deel van de verschuldigde belastingen te vereffenen. Uit de bestreden beslissing, noch uit andere stukken van het administratief dossier blijkt dat de beroepscommissie op enigerlei wijze rekening heeft gehouden met het feit dat het om een pandrekening gaat, noch op welk tijdstip die pand(effecten)rekening(en) werd(en) geopend of in pand gegeven.
Eénmaal de effectenrekeningen in pand worden gegeven aan de bank, kunnen deze effectenrekeningen niet langer worden aangewend om andere schulden, zoals belastingschulden aan te zuiveren. De bestreden beslissing gaat hieraan volledig voorbij.
Om te besluiten tot verzoekers gebrek aan goede trouw, door de verwerende partij in wezen afgeleid uit het verzwijgen van zijn participaties in
XIV-36.551-15/17
beide voornoemde vennootschappen en het feit dat op de rekening met het nummer BE03 7370 3175 XXXX een bedrag van 311.775,18 EUR stond “geparkeerd” en dat verzoeker er de voorkeur aan heeft gegeven om de schulden van Comm. V. A.
SPE advies t.o.v. KBC Bank te voldoen hoewel dit bedrag volstond om minstens een deel van de verschuldigde belastingen te vereffenen, heeft de verwerende partij zich gebaseerd op niet actuele noch accurate gegevens zodat het gebrek aan goede trouw op grond daarvan niet, minstens onvoldoende kan worden geschraagd.
Bovendien heeft verzoeker van deze verwijten pas kennis kunnen nemen op de hoorzitting van 5 mei 2015, dit is de dag waarop de bestreden beslissing werd genomen. Hij kon, anders dan de verwerende partij laat gelden, op dit euvel niet anticiperen in zijn aanvraag. Van verzoeker kan redelijkerwijze niet worden verwacht dat hij in zijn verzoekschrift tot onbeperkt uitstel van 17 december 2014, wat zijn financiële toestand betreft, nog gewag zou maken van zijn deelname in vennootschappen die reeds geruime tijd voordien werden beëindigd of van een effectenpandrekening waarvan de begunstigde ervan, namelijk KBC Bank reeds in 2012, conform artikel 8, § 1, van de wet van 15 december 2004, is overgegaan tot realisatie van het volledige effectenpand om de bestaande schuld tot waarborg waarvan het pand strekt, aan te zuiveren. Noch kon hij zoals de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden, aan dit euvel tegemoet komen - althans niet vooraleer de bestreden beslissing is tussengekomen - door die vergetelheid later toe te lichten, wat hij volgens de verwerende partij nagelaten heeft te doen. Immers heeft verzoeker pas van deze verwijten inzake zijn deelname in de genoemde vennootschappen en de (pand)rekeningen kennis kunnen nemen op de door de beroepscommissie georganiseerde hoorzitting van 5 mei 2015, dit is de dag van de bestreden beslissing zoals door verzoeker is uiteengezet in zijn brief aan de verwerende partij van 8 mei 2015.
Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het beroep.
XIV-36.551-16/17
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.551-17/17
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.099