Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.094 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.094 Généré par l'IA

Court annuls asylum board ruling for imposing three-year entry ban without specific duration justification under immigration law.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.094
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Partiellement admis (Partially Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Asylum Board's decision regarding the imposition of a three-year entry ban on the applicant. The Board failed to provide specific factual circumstances justifying the maximum duration of the ban, merely citing the non-compliance with a previous departure order. Consequently, the Court held that the administrative body violated the statutory duty to motivate the specific length of the entry prohibition.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 74/11, § 1, of the Immigration Act; The administrative authority must provide specific factual circumstances to justify the duration of an entry ban, and a mere citation of a prior departure order does not constitute a valid motivation for the maximum period.

Mots-clés

Généré par l'IA
entry ban duration motivation duty immigration law administrative procedure asylum board non-compliance departure cassation annulment violation de l'interdiction d'entrée

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 74/11, § 1, of the Immigration Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.094 van 14 september 2017

in de zaak A. 218.642/XIV-36.948

In zake : XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Acer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Franrijklei 33 bus 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 maart 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 161.156 van 1 februari 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.880 van 11 april 2016.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.948-1/9

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Ali Acer verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De verwerende partij neemt op 29 oktober 2013 een beslissing waarmee verzoekers aanvraag van 11 maart 2013 om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Eveneens op 29 oktober 2013 neemt de verwerende partij een beslissing waarmee aan verzoeker een inreisverbod van drie jaar wordt opgelegd.

XIV-36.948-2/9

Op 9 januari 2014 stelt verzoeker tegen de voornoemde beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

Met een arrest van 1 februari 2016 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – pleitnota

4. Op 29 maart 2017 dient de verwerende partij per telefax een “pleitnota” in.

Het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen wel toegestaan hun antwoorden op de door de Raad van State gestelde vragen die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. Vermits de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke vragen maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.

V. Voorwerp van het cassatieberoep

5. Verzoekers beroep tot nietigverklaring wordt met het bestreden arrest niet-ontvankelijk verklaard “in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis onontvankelijk wordt verklaard”.

Zoals verder blijkt, heeft het enige cassatiemiddel uitsluitend betrekking op de beoordeling van de wettigheid van de beslissing van 29 oktober

XIV-36.948-3/9

2013 tot afgifte van een inreisverbod aan verzoeker. Het voorwerp van het cassatieberoep is daartoe beperkt.

VI. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van de partijen

6. Verzoeker werpt in een enig middel de schending van de materiëlemotiveringsplicht op.

Verzoeker voert aan dat volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet en dat die beslissing ook een motivering voor de duur van het inreisverbod zou inhouden, te weten dat verzoeker niet heeft voldaan aan de terugkeerverplichting door geen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op 21 februari 2013, en dat hij op 11 maart 2013 een nieuwe aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet heeft ingediend.

Verzoeker zet uiteen dat op grond van artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet de duur van het inreisverbod moet worden vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat tot het voornoemde artikel 74/11 heeft geleid, wordt benadrukt dat richtlijn 2008/115/EG

van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115) oplegt dat men tot een individueel onderzoek overgaat, dat men rekening houdt met “alle omstandigheden eigen aan het geval” en dat men het evenredigheidsbeginsel respecteert (Parl. St.

Kamer, 2011-2012, nr. 1825/001, 23). Verzoeker laat gelden dat in de aanvankelijk

XIV-36.948-4/9

bestreden beslissing een inreisverbod voor de maximumtermijn van drie jaar wordt opgelegd, zonder enig onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod. Hij besluit dat het bestreden arrest voorbijgaat aan artikel 74/11 van de vreemdelingenwet en daardoor de materiëlemotiveringsplicht schendt.

7. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Zij acht het middel ook niet-ontvankelijk omdat het er hoofdzakelijk toe strekt de feitelijke toedracht van de zaak ter beoordeling aan de Raad van State voor te leggen.

De verwerende partij vervolgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat in de aanvankelijk bestreden beslissing afdoende is uiteengezet om welke redenen een inreisverbod van drie jaar is opgelegd en dat terdege rekening is gehouden met de specifieke omstandigheden van verzoeker. De inhoud van artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet is niet geschonden vermits zorgvuldig is gemotiveerd om welke redenen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de aanvankelijk bestreden beslissing formeel is gemotiveerd wat de duur van het inreisverbod betreft en dat wordt verwezen naar de specifieke omstandigheden, eigen aan verzoekers situatie. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt, zoals volgens de verwerende partij terecht door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt aangehaald, uitdrukkelijk gewezen op het feit dat een inreisverbod wordt opgelegd omdat verzoeker heeft nagelaten gevolg te geven aan het op 21 februari 2013 betekende bevel om het grondgebied te verlaten, terwijl de termijn van het inreisverbod op drie jaar wordt bepaald omdat verzoeker inmiddels zelfs nog geen stappen heeft ondernomen om het grondgebied vrijwillig te verlaten, doch daarentegen - wars van de op hem rustende terugkeerverplichting - een nieuwe aanvraag tot verblijfsmachtiging heeft ingediend.

XIV-36.948-5/9

Geheel ten overvloede laat de verwerende partij nog gelden dat de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing volledig in overeenstemming is met considerans 14 van richtlijn 2008/115.

8. In de memorie van wederantwoord, genoemd “memorie van antwoord”, benadrukt verzoeker dat het niet naleven van de terugkeerverplichting tot gevolg heeft dat een inreisverbod moet worden opgelegd, doch dat de duur van dat inreisverbod eveneens moet worden gemotiveerd. Te dezen haalt de verwerende partij enkel aan dat een nieuwe aanvraag overeenkomstig artikel 9bis van de vreemdelingenwet werd ingediend. Volgens verzoeker heeft een inreisverbod verregaande gevolgen waardoor zijn toekomst in de Schengenzone wordt gehypothekeerd.

Beoordeling

9. In de uiteenzetting van het middel acht verzoeker ook artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onterecht de mening [is] toegedaan dat de duur van het inreisverbod wel degelijk werd gemotiveerd in de aanvankelijk bestreden beslissing”.

Uit artikel 74/11, § 1, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet volgt dat de minister of zijn gemachtigde verplicht is een inreisverbod van maximum drie jaar op te leggen “indien een vroegere beslissing tot verwijdering niet uitgevoerd werd”. Overeenkomstig het eerste lid van dezelfde bepaling wordt de duur van het inreisverbod vastgesteld “door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval”.

In de aanvankelijk bestreden beslissing staat met verwijzing naar artikel 74/11, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet met betrekking tot het inreisverbod vermeld dat de termijn van het inreisverbod drie jaar is omdat “niet aan de terugkeerverplichting werd voldaan: betrokkene heeft geen gevolg gegeven

XIV-36.948-6/9

aan het bevel om het grondgebied te verlaten dat aan hem werd betekend op 21 februari 2013. Betrokkene heeft, na het betekenen van dit bevel, nog geen stappen ondernomen om het grondgebied van België, en het Schengengrondgebied, vrijwillig te verlaten. Daarenboven heeft hij een aanvraag artikel 9bis ingediend op 11 maart 2013”.

In antwoord op verzoekers kritiek dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing “op quasi automatische wijze” een inreisverbod oplegt voor de termijn van drie jaar “zonder enig onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod”, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest van oordeel dat in die beslissing wel wordt gemotiveerd waarom de maximumtermijn van drie jaar wordt gehanteerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen herneemt de hoger geciteerde motivering van de beslissing tot afgifte van het inreisverbod en besluit dat “verzoeker […] dus bezwaarlijk [kan] voorhouden dat geen rekening zou zijn gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval”.

Zoals verzoeker terecht laat gelden, impliceert het verplicht opleggen van een inreisverbod niet dat daarbij ook de maximumtermijn van drie jaar moet worden opgelegd. De duur van het inreisverbod moet overeenkomstig artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet worden vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt letterlijk vermeld dat de termijn van het inreisverbod 3 jaar “omdat niet aan de terugkeerverplichting werd voldaan”, waarna wordt verwezen naar het bevel om het grondgebied te verlaten, aan verzoeker betekend op 21 februari 2013. Anders dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorhoudt, vormt dit geen motivering wat de duur van het inreisverbod betreft, noch een verwijzing naar “specifieke omstandigheden van het geval”. Het gaat slechts om de vaststelling dat een vroegere beslissing tot verwijdering, meer bepaald het op 21 februari 2013 betekende bevel om het grondgebied te verlaten, niet werd uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 74/11, § 1,

XIV-36.948-7/9

tweede lid, van de vreemdelingenwet vormt dit enkel de reden waarom een inreisverbod wordt opgelegd. De vaststelling dat verzoeker geen stappen heeft ondernomen om het grondgebied te verlaten, houdt niets anders in dan de vaststelling dat verzoeker niet heeft voldaan aan de terugkeerverplichting en kan dan ook niet worden voorgesteld als een afzonderlijke motivering.

De loutere vaststelling dat verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet heeft ingediend, betreft slechts een administratieve vaststelling doch houdt geen verband met een in artikel 74/11, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet bedoelde specifieke omstandigheid van het geval.

Derhalve kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zonder schending van artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet oordelen dat aan de in die bepaling vastgelegde motiveringsplicht was voldaan voor het opleggen van een inreisverbod met de maximumduur van drie jaar. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf te oordelen of de motieven in de aanvankelijk bestreden beslissing volstaan om een bepaalde duur van een inreisverbod te dragen, doch hij kan desgevraagd wel vaststellen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet heeft geschonden door motieven te aanvaarden die enkel betrekking kunnen hebben op de reden om een inreisverbod op te leggen en niet op de duur van dat verbod.

Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest, voor zover het de beslissing van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 29 oktober 2013 betreft waarmee aan verzoeker een inreisverbod van drie jaar wordt opgelegd.

XIV-36.948-8/9

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 161.156 van 1 februari 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voor zover het de beslissing van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 29 oktober 2013 betreft waarmee aan verzoeker een inreisverbod van drie jaar wordt opgelegd.

2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.948-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.094