Belgian court dismisses appeal due to procedural abandonment after 30 days without requesting hearing continuation.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of State declared the applicant's procedural abandonment after failing to request a hearing continuation within 30 days of receiving the auditor's report. The applicant sought to annul police decisions extending a provisional suspension, but did not intervene after the report recommended dismissal. Consequently, the court ruled that the applicant abandoned the proceedings and ordered them to bear the costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 21, paragraph 7, and 30/1, paragraph 2, of the coordinated laws on the Council of State: When an applicant fails to request a hearing continuation within 30 days after receiving an auditor's report recommending dismissal, a presumption of abandonment arises, resulting in the dismissal of the appeal and the applicant bearing the costs.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 239.093 van 14 september 2017
in de zaak A. 218.581/XIV-36.936
In zake: Johan DEVRIENDT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Goossens kantoor houdend te 3390 Tielt-Winge Kraasbeekstraat 41
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD-ELSENE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van De Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel Jamblinne de Meuxplein 41
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissingen van 9 juni 2005 respectievelijk 4 oktober 2005 van het politiecollege houdende de verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
XIV-36.936-1/4
Dat verslag werd aan verzoeker ter kennis gebracht op 13 juni 2017.
Op 12 juli 2017 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
Verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Beoordeling
3. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld.
Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag.
Verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
4. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing.
XIV-36.936-2/4
IV. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding
5. De verwerende partij vraagt de rechtsplegingsvergoeding te begroten op 700 euro ten laste van verzoeker.
10. Wat betreft de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding, bepaalt artikel 30/1, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State:
“§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met:
1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
2° de complexiteit van de zaak;
3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
Indien de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning bepaalde minimale bedrag, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Wat dit betreft, omkleedt de afdeling bestuursrechtspraak haar beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
[…]”
Te dezen geniet verzoeker juridische tweedelijnsbijstand. De rechtsplegingsvergoeding ten laste van verzoeker als in het ongelijk gestelde partij dient derhalve op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot het bedrag van 140 euro. De verwerende partij toont geen “kennelijk onredelijke situatie” aan die het verantwoordt van dat minimum af te wijken.
BESLISSING
1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een
XIV-36.936-3/4
rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.936-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.093