Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.092 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.092 Généré par l'IA

Court annuls police disciplinary blame due to failure to investigate victim's inconsistent statements and lack of witness hearing.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.092
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the police zone's decision to impose a blame sanction on the inspector. The court found the disciplinary authority negligent because it failed to investigate the victim's contradictory statements regarding her initial complaint and did not hear the relevant witness. Consequently, the disciplinary measure was declared void, and the opposing party was ordered to pay the legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Code of Discipline of the Police; the disciplinary authority must conduct a thorough investigation into facts casting doubt on the accused's conduct and must hear all relevant witnesses before imposing a sanction.

Mots-clés

Généré par l'IA
police disciplinary procedure duty of care investigation failure to hear witness inconsistent victim statements annulment of sanction tuchtvergrijp procedural negligence sanction disciplinaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Code of Discipline of the Police
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.092 van 14 september 2017

in de zaak A.215.894/XIV-36.438

In zake : Davy RAMPART

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de POLITIEZONE 5355 VOORKEMPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Politiezone Voorkempen van 20.03.2015

waarbij beslist werd de tuchtstraf blaam op te leggen aan [verzoeker]”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 232.542 van 13 oktober 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

XIV-36.438-1/11

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017.

Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Marlies De Raeve, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Voorkempen (PZ 5355).

3.2. Op 10 februari 2015 stelt de korpschef van de politiezone Voorkempen een inleidend verslag op waarin wordt voorgesteld om aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Het inleidend verslag bevat onder

XIV-36.438-2/11

meer een uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten, omstandigheden en gevolgen, van het vaststaan en toerekening van de feiten en de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot lichte straf, meer bepaald de voormelde blaam.

3.3. Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de korpschef van de politiezone Voorkempen op 20 maart 2015 om aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen.

Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van het eerste middel

Standpunt van de partijen

4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van onder meer de zorgvuldigheidsplicht omdat de feiten die hem ten laste worden gelegd niet zijn bewezen en niet afdoende zijn onderzocht. De tuchtoverheid acht de feiten, namelijk dat verzoeker bij de aangifte van de diefstal in het vereenvoudigd proces-verbaal (hierna: VPV) de beschrijving van de dader niet heeft opgenomen hoewel het slachtoffer stelt deze duidelijk te hebben beschreven, bewezen enkel op basis van de verklaring van het slachtoffer, hoewel verzoeker altijd formeel ontkend heeft dat zij een beschrijving van de dader gegeven heeft. Verzoeker wijst erop dat het slachtoffer, een aantal dagen later, wanneer zij aangifte komt doen van een poging tot afpersing (om de gestolen I-phone terug te krijgen), in het proces-verbaal, opgesteld door inspecteur van politie M., opnieuw spreekt over een onbekende verdachte en dat zij geen melding maakt van het feit dat zij niet correct zou behandeld zijn door verzoeker bij de aangifte van de diefstal. Nergens wordt melding gemaakt van de gegevens (beschrijving dader, auto, nummerplaat) die zij pas later aan inspecteur van politie T. heeft meegedeeld. In die omstandigheden komt het met betrekking tot het bewijs van de feiten neer op het woord van verzoeker tegen het woord van het slachtoffer, waarbij verzoeker opmerkt dat

XIV-36.438-3/11

nazicht in de Algemene Nationale Gegevensbank - standaardprocedure bij een aangifte - duidelijk maakt dat het slachtoffer geen onbeschreven blad is vermits zij reeds veroordeeld is voor feiten van diefstal en geweldpleging, terwijl verzoeker de eed als politie-inspecteur heeft afgelegd en een blanco tuchtblad heeft. De verwerende partij is onzorgvuldig opgetreden door zich eenzijdig te steunen op een verklaring waarvan de bewijskracht dubieus en niet geheel overtuigend is, terwijl zij geen rekening heeft gehouden met hetgeen ten gunste werd aangevoerd in het verweer.

5. De verwerende partij werpt een exceptio obscuri libelli op voor zover verzoeker aanvoert dat geen rekening werd gehouden met wat in zijn verweer ten gunste van hem werd aangevoerd.

Voorts stelt de verwerende partij dat de tuchtoverheid zich wel degelijk op de verklaring van het slachtoffer mocht steunen. Als de toepasselijke regelgeving geen bijzondere bewijsmiddelen voorschrijft, zoals in casu, beoordeelt de tuchtoverheid op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de haar overgelegde gegevens om tot een bepaalde overtuiging te komen. Zij kan het bewijs van feiten steunen op bekentenissen of harde bewijzen, maar ook op vermoedens. Uit het tuchtdossier blijkt dat de verklaring van M. volstrekt geloofwaardig is. Door inspecteur van politie T. werd immers vastgesteld dat M. op 28 oktober 2014, meer dan een maand na de diefstal, een vrij gedetailleerde beschrijving van de mogelijke dader kon geven, alsook een beschrijving van het voertuig waarmee hij mogelijk is weggevlucht. Er valt geen enkele reden te bedenken waarom het slachtoffer zou verklaren - daarover ondervraagd door verzoeker - dat ze geen beschrijving van de mogelijke dader zou kunnen geven, daar ze dat wel degelijk kan en bij een later contact met de politiediensten ook spontaan heeft gedaan. Het enige dat verzoeker aanvoert is dat M. blijkbaar een aantal keer zou veroordeeld zijn voor diefstal en geweldpleging, maar er valt niet in te zien waarom haar verklaring daarom leugenachtig zou zijn. Het gaat bovendien niet louter over het woord van M.

tegenover het woord van verzoeker over iets dat niet is na te trekken. M. heeft bewezen wel degelijk een beschrijving van de mogelijke dader te kunnen geven.

XIV-36.438-4/11

Dit bewijs zit in het tuchtdossier. Op basis daarvan kan haar verklaring dat ze ook de dag na de diefstal een beschrijving van de dader kon geven als absoluut geloofwaardig worden beschouwd. Het is immers totaal ongeloofwaardig dat een slachtoffer dat de moeite doet om aangifte te komen doen van een diefstal op het politiekantoor, de nuttige aanwijzingen om de mogelijke dader te kunnen vatten zou achterhouden, om dan plotsklaps enkele weken later dit spontaan wel te melden. De tuchtoverheid heeft niet kennelijk onredelijk gehandeld door, op grond van de verklaring afgelegd door M. en het door verzoeker opgestelde VPV, de feiten voor bewezen te houden.

6. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat hij altijd formeel heeft ontkend dat M. de dader van de diefstal tijdens haar aangifte duidelijk had beschreven en verzoeker had geweigerd dit te noteren, ondanks haar aandringen. De motivering in de tuchtbeslissing dat “[w]anneer een slachtoffer aangifte doet/klacht neerlegt en haar ‘verklaringen’ worden door een politie inspecteur genoteerd in een VPV (...), [...] het slachtoffer er redelijkerwijze [kan en mag] van uitgaan dat deze ‘verklaringen’ ook integraal worden opgenomen [en]

[r]ekening houdende met dit gegeven [...] het dan ook meer dan aannemelijk [is]

dat het slachtoffer - niet spontaan - de bij haar gekende opsporingselementen nogmaals aan de orde brengt op het ogenblik van de aangifte van afpersing” is in strijd met de feiten. Indien men haar versie van de feiten wil geloven, is het onbegrijpelijk dat M. een week later, bij de aangifte van de afpersing, geen woord rept over wat zij de week voordien heeft meegemaakt bij de politie. De verwerende partij stelt dan ook onterecht dat verzoeker niet zou uiteenzetten in welk opzicht er geen rekening gehouden is met zijn verweer en dit middelonderdeel onontvankelijk zou zijn. Er zijn voldoende elementen ten gunste van verzoeker die hij in zijn verweer heeft aangevoerd en waarmee geen rekening gehouden wordt, zoals de vraag waarom M. niet onmiddellijk aangifte doet van de diefstal, waarom zij pas aangifte doet van de afpersing na twee dagen, waarom zij bij de aangifte van de afpersing niet vermeldt dat zij een beschrijving van de dader had en dat zij die aan verzoeker gegeven had, maar dat deze die niet wou noteren. Het is trouwens niet omdat achteraf blijkt dat het slachtoffer een juiste beschrijving van de dader

XIV-36.438-5/11

heeft gegeven aan inspecteur van politie T., dat zij dit ook bij de eerste aangifte bij verzoeker heeft gedaan. Zelfs inspecteur van politie T. is niet zeker of zij wel een beschrijving aan verzoeker heeft gegeven, vermits hij daarover in de voorwaardelijke wijs spreekt (“De agent zou tegen haar gezegd hebben dat dit niet nodig was omdat het veel geld zou kosten om de daders op te sporen.”), terwijl dit door de tuchtoverheid als een vaststaand feit wordt beschouwd. Er kunnen meerdere redenen zijn waarom het slachtoffer bij de eerste aangifte geen beschrijving van de dader heeft gegeven. De eenvoudige bewering van het slachtoffer dat zij deze beschrijving wel gegeven heeft, hetgeen door niets gestaafd wordt, is hoe dan ook een onvoldoende bewijs dat zij dit gedaan heeft. De verwerende partij heeft de zorgvuldigheidsplicht geschonden door zich volledig eenzijdig te steunen op de verklaring van het slachtoffer.

7. In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de verklaring van het slachtoffer, in samenhang met andere elementen van het dossier, wel degelijk het bewijs van de tuchtfeiten levert, terwijl de versie van verzoeker door niets wordt ondersteund. De geloofwaardigheid van de verklaring van het slachtoffer blijkt uit volgende elementen: het feit dat zij op 28 oktober 2014, meer dan een maand na de diefstal, ten aanzien van inspecteur van politie T. een vrij gedetailleerde omschrijving van de mogelijke dader en diens voertuig kon geven, de - niet in voorwaardelijke wijze gestelde - verklaring van inspecteur van politie T. dat het slachtoffer tijdens dit verhoor ter kennis bracht dat verzoeker niet was ingegaan op haar verzoek om een verklaring te acteren, het VPV opgesteld door verzoeker bij de aangifte van de diefstal waarin hij melding maakt van “een onbekende man, waarvan zij geen beschrijving kan geven”, waaruit moet worden afgeleid dat verzoeker het slachtoffer expliciet heeft gevraagd of zij een beschrijving van de man kon geven en waarbij dan niet valt in te zien waarom zij dat dan niet doet en kort nadien wel, zoals blijkt uit het dossier, en het feit dat er geen verklaring kan worden gegeven waarom het slachtoffer zou liegen. De hypothesen die verzoeker inbrengt om het slachtoffer verdacht te maken, kunnen geen omstandige betwisting van haar versie worden genoemd. Deze opmerkingen zeggen wel iets over verzoeker zelf, die het slachtoffer mogelijk niet ernstig nam

XIV-36.438-6/11

wat meteen een mogelijke verklaring is voor de tuchtfeiten. Ook het feit dat zij bij de aangifte van de afpersing enkele dagen later geen klacht uitte, ondermijnt haar geloofwaardigheid niet: er kan haar niet kwalijk worden genomen, na te zijn afgescheept door verzoeker, niet te volharden bij andere politieambtenaren van hetzelfde korps, en overigens kan redelijkerwijze worden aangevoerd dat het slachtoffer ervan mocht uitgaan dat haar verklaringen toch waren opgenomen nadat ze daarop had aangedrongen. De hypothese dat het slachtoffer bij de aangifte van de diefstal niet alle nuttige informatie heeft willen meedelen, is op niets gebaseerd en volstrekt ongeloofwaardig.

Beoordeling

8. In dit middel voert verzoeker aan dat de feiten die tot de hier bestreden tuchtsanctie hebben geleid, voor bewezen worden gehouden enkel op basis van de verklaring van het slachtoffer aan inspecteur van politie T., terwijl verzoeker deze versie van de feiten formeel heeft ontkend en de tuchtoverheid geen rekening houdt met de elementen die in zijn verweer ten gunste van verzoeker werden aangevoerd, hetgeen strijdig is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Voor zover verzoeker stelt dat geen rekening werd gehouden met de elementen die in zijn verweer te zijnen gunste werden aangevoerd, is het duidelijk dat hij doelt op de in zijn verweer aangehaalde elementen die kunnen doen twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van M. De verwerende partij stelt dat in de bestreden beslissing wel degelijk en overtuigend werd geantwoord op wat in het verweer werd aangevoerd, en antwoordt inhoudelijk op dit middelonderdeel, zodat het als ontvankelijk wordt beschouwd.

9. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de

XIV-36.438-7/11

feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

10. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de feiten vaststaan en aan verzoeker worden toegerekend, omdat:

“[...]

- uit de verhoren van INP T. en het slachtoffer en de concrete realiteit die blijkt uit de navolgende PV’s duidelijk blijkt dat INP David Rampart - niettegenstaande er meer dan voldoende opsporingselementen beschikbaar waren (o.a. gedetailleerde persoonsbeschrijving, (gedeeltelijke) nummerplaat (4 correcte karakters), kleur en type voertuig,...) - ze niet heeft opgenomen in zijn PV, laat staan ze geëxploiteerd heeft;

- uit het verhoor van het slachtoffer duidelijk blijkt dat ‘ondanks haar aandringen om haar verklaring te akteren dit niet werd gedaan.’ - de door INP David Rampart geacteerde vaststellingen in het VPV NIET in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en de verklaring van het slachtoffer;”

Als repliek op de door verzoeker aangehaalde punten tijdens de hoorzitting, stelt de bestreden beslissing het volgende:

“Het gegeven dat het slachtoffer [...] de dag na de feiten [...] aangifte komt doen (13:34) in de lokale politiepost waar ze woonachtig is in plaats dat ze de politie verwittigd (sic) op het ogenblik van de feiten is niet alleen de vrije keuze van het slachtoffer, doch tevens en mede gelet op het uur van de feiten een verklaarbaar gegeven, dat vaak wordt vastgesteld bij aangiftes.

Wanneer een slachtoffer aangifte doet/klacht neerlegt en haar ‘verklaringen’ worden door een politie inspecteur genoteerd in een VPV (zonder dat er daadwerkelijk wordt overgegaan tot een verhoor dat het slachtoffer bevestigt en tekent en waarvan het kosteloos een kopie kan verkrijgen), dan kan en mag dat slachtoffer er redelijkerwijze van uitgaan dat deze "verklaringen" ook integraal worden opgenomen.

Rekening houdende met dit gegeven is het dan ook meer dan aannemelijk dat het slachtoffer - niet spontaan - de bij haar gekende opsporingselementen nogmaals aan de orde brengt op het ogenblik van de aangifte van afpersing. Ook hier doen de feiten zich voor op 21.09.2014 en doet het slachtoffer pas twee dagen later aangifte op 23.09.2014. In haar verklaring stelt ze bovendien: ‘Bij aantreffen van de daders wens ik terug in het bezit gesteld te worden van mijn Iphone.’ (zie PV Nr.

xx.xx.xx.xxxxxx/2014).

Uw bedenking/onbeantwoorde vraag – ‘Hoe kan iemand via het raam van de bestuurder een Iphone van de passagierszetel halen zonder dat je dit merkt op het ogenblik zelf?’ wordt tevens door het slachtoffer in haar verhoor (zie PV Nr.

xx.xx.xx.xxxxxx/2014) uitvoerig beantwoord: ‘Dan is hij op zeker ogenblik, vermoedelijk doordat hij teveel gedronken had, half in mijn wagen gevallen. (...)

Vrijwel onmiddellijk is hij dan terug rechtgekomen en bijna direct doorgegaan. (...)

Op dat ogenblik zag ik dat mijn Iphone welke op de passagierszetel lag op te laden verdwenen was.’

XIV-36.438-8/11

Het is uiteraard evident dat u als inspecteur - tegen wie een tuchtvordering wordt ingesteld - geniet van een vermoeden van onschuld. Deze onschuld kan echter moeilijk overeind blijven wanneer ze door de concrete feiten en de realiteit teniet gedaan en achterhaald wordt. Dit in het bijzonder wanneer blijkt dat u in een officiële akte (VPV) melding [maakt] van het feit dat het slachtoffer de dader niet kan beschrijven, niettegenstaande het slachtoffer (zelfs meer dan een maand later)

nog steeds een zeer getailleerde persoonsbeschrijving kan geven en bovendien stelt dat ‘ze deze [lees: de dader] vrijwel zeker nog voor de geest kan halen’. Bovendien stelt u in het VPV dat ‘er geen spoor’ van de dader is en dit in weerwil van het feit dat het slachtoffer het voertuig (type [VW Golf of Polo], kleur [wit], nummerplaat [x-xxx of x-xxx en cijfergedeelte begint met een 4]) van de dader duidelijk beschrijft. Uit het verhoor van de dader (PV Nr. xx.xx.xx.xxxxxx/2015) blijkt dat deze zich op het ogenblik van de feiten bediende van een witte VW Golf 7 met nummerplaat x-xxx-xxx wat aangeeft dat het slachtoffer een bijzonder goede beschrijving en sporen kon geven. M.a.w. zijn de door u geakteerde vaststellingen NIET in overeenstemming met de werkelijkheid.

In antwoord op uw vraag: ‘Voor ons is het niet duidelijk of de GSM ondertussen wel of niet terecht is.’ kan tot slot nog worden meegegeven dat de verklaringen van het slachtoffer en het navolgend onderzoek geleid hebben tot algehele bekentenissen door de dader (PV Nr. xx.xx.xx.xxxxxx/2015) en kon er worden overgegaan tot een schaderegeling tussen dader en slachtoffer (PV Nr. xx.xx.xx.

xxxxxx/2015).”

11. Luidens de bestreden beslissing worden de feiten voor bewezen gehouden op basis van de verklaring van het slachtoffer tijdens haar verhoor door inspecteur van politie T. op 28 oktober 2014 dat verzoeker niet is ingegaan op haar verzoek om een verklaring te acteren, en “de concrete realiteit die blijkt uit de navolgende PV’s”.

Uit het verweerschrift van verzoeker naar aanleiding van zijn verhoor op 16 maart 2015 blijkt dat verzoeker een aantal vragen omtrent de vaststelling van de feiten opwerpt, onder meer waarom het slachtoffer bij de aangifte van de poging tot afpersing op 23 september 2014 tegenover inspecteur van politie M. geen melding maakt van het feit dat zij niet tevreden zou zijn over haar eerdere aangifte van diefstal bij verzoeker, en evenmin melding maakt van alle opsporingselementen die zij later aan inspecteur van politie T. wel zou meedelen. Verzoeker betwist in dit verweerschrift dat M. zou hebben aangedrongen om haar verhaal te noteren en stelt niet te begrijpen welke meerwaarde het niet acteren van haar volledige verklaring voor hem zelfs maar zou kunnen hebben. Hij vraagt waarom inspecteur van politie M. niet werd gehoord.

XIV-36.438-9/11

Voorts stelt verzoeker dat, mocht hij bij aanvang over de bijkomende opsporingsgegevens hebben beschikt, hij niet zou zijn overgegaan tot het opstellen van een VPV maar een uitgebreid PV. Vervolgens stelt hij dat indien men alsnog twijfelt over de kwaliteit van zijn werk, hij wenst dat zijn directe overste en de mensen van het Lokaal Informatiekruispunt (LIK) worden gehoord die dit kunnen bevestigen en duiding geven over de hoeveelheid PV’s die door hem worden opgesteld.

De omstandigheid dat het slachtoffer bij de aangifte van de poging tot afpersing tegenover inspecteur van politie M. geen melding maakt van het feit dat zij niet tevreden zou zijn over haar eerdere aangifte van diefstal bij verzoeker, en evenmin melding maakt van alle opsporingselementen die zij later aan inspecteur van politie T. wel zou meedelen, kan doen twijfelen over de ten laste gelegde feiten, hetgeen door de verwerende partij niet verder onderzocht is.

Het argument van de verwerende partij dat het slachtoffer er redelijkerwijze van mocht uitgaan dat haar verklaringen dan toch waren opgenomen nadat ze daarop had aangedrongen, overtuigt niet. De omstandigheid dat het slachtoffer op het moment van haar verhoor op 28 oktober 2014, meer dan een maand na de feiten door inspecteur van politie T., wel in staat was een beschrijving te geven van de dader en diens voertuig, wat uiteindelijk heeft geleid tot bekentenissen door de dader, toont op zich niet aan dat zij op het moment van de initiële aangifte diezelfde informatie heeft gegeven en verzoeker heeft geweigerd dit te acteren.

Door aldus de versie van het slachtoffer voor waarheid te houden, zonder verder onderzoek om de juiste toedracht van de feiten te achterhalen, is de verwerende partij onzorgvuldig geweest in de feitenvinding.

Het eerste middel is gegrond.

XIV-36.438-10/11

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt “het besluit van de Politiezone Voorkempen van 20.03.2015 waarbij beslist werd de tuchtstraf blaam op te leggen aan [verzoeker]”.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.438-11/11

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.092