Belgian asylum appeal court annuls refugee status denial due to failure to address supplementary evidence submitted by applicant.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Refugee Status Board's decision regarding the applicant's asylum claim because the lower court failed to consider supplementary documents submitted by the applicant. The applicant argued that the Board ignored an additional note and supporting materials filed under specific legal provisions, violating the duty to provide jurisdictional reasons. The court ruled that this procedural omission constituted a ground for cassation, leading to the annulment of the rejection while remanding the case for reconsideration.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 39/76 § 1 of the Aliens Act; Article 149 of the Constitution: The duty to provide jurisdictional reasons requires the reviewing body to explicitly address all evidence and submissions presented by the applicant, including supplementary notes, and failure to do so constitutes a ground for annulment.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 239.091 van 14 september 2017
in de zaak A. 218.960/XIV-36.991
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Freddy Landuyt kantoor houdend te 8730 Beernem Bloemendalestraat 147
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE
VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN
kantoor houdend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 26 A
2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 april 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 163.590 van 8 maart 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.933 van 2 mei 2016.
XIV-36.991-1/7
De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Freddy Landuyt verschijnt voor verzoeker, en advocaat Charlotte Vanbeylen, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat het bedrag van de kosten betreft.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoeker komt België binnen op 11 september 2015 en dient dezelfde dag een asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beslist op 21 december 2015 tot weigering van de erkenning als vluchteling en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoeker.
XIV-36.991-2/7
Op 5 januari 2016 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten - asielzoeker.
Verzoeker tekent tegen de beide voornoemde beslissingen beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 13 januari 2016. Met een arrest van 8 maart 2016 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eveneens tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoeker en verklaart hij het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 5 januari 2016 niet-ontvankelijk. Dit is het bestreden arrest.
IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4. Verzoeker heeft op 13 januari 2016 met één verzoekschrift beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen zowel de beslissing van de commissaris-generaal van 21 december 2015 tot weigering van de erkenning als vluchteling en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus als de beslissing van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 5 januari 2016
tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten - asielzoeker.
Met het bestreden arrest wordt het beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal van 21 december 2015 verworpen en wordt het beroep tegen de beslissing van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie van 5 januari 2016 houdende bevel om het grondgebied te verlaten niet-ontvankelijk verklaard.
Zoals de tweede verwerende partij terecht laat gelden in haar memorie van antwoord, richt verzoeker in het verzoekschrift tot cassatie geen middel tegen het bestreden arrest voor zover daarin het beroep tegen de voornoemde beslissing van 5 januari 2016 niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het cassatieberoep is in die mate niet-ontvankelijk.
XIV-36.991-3/7
V. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Standpunt van de partijen
5. Verzoeker werpt in een enig middel, dat hij in de memorie van wederantwoord (genoemd “conclusie”) herhaalt, de schending op van de artikelen 48/3 en 57/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951
(hierna: het vluchtelingenverdrag), en van “het beginsel van behoorlijk bestuur”.
Verzoeker citeert zijn eerste middel bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voert aan dat hij op 15 februari 2016 een aanvullende nota en stukken heeft ingediend die zijn identiteit, schoolresultaten, diploma en medische attesten bevatten. Hoewel deze stukken de kern van de aanvankelijk bestreden beslissing weerleggen, namelijk dat verzoeker niet aannemelijk zou maken daadwerkelijk afkomstig te zijn uit Syrië, wordt in het bestreden arrest nergens verwezen naar deze cruciale stukken. Door de aanvullende nota en stukken niet te beoordelen, is het bestreden arrest volgens verzoeker niet rechtsgeldig en volledig gemotiveerd.
Beoordeling
6. Verzoekers kritiek heeft duidelijk betrekking op de schending van de jurisdictionele motiveringsplicht. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en
XIV-36.991-4/7
ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
7. In het rechtsplegingsdossier bevindt zich een “aanvullende nota”
met bijkomende stukken die verzoeker op 16 februari 2016 met toepassing van artikel 39/76, § 1, van de vreemdelingenwet heeft ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
In het bestreden arrest wordt geen melding gemaakt van deze aanvullende nota met stukken. Evenmin blijkt uit de concrete motivering van het bestreden arrest expliciet of impliciet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de meergenoemde nota en de bijkomende stukken van verzoeker in zijn beoordeling heeft betrokken. De in het bestreden arrest gegeven motieven vormen dan ook geen antwoord op verzoekers aanvullende nota en de daarbij gevoegde stukken.
Het enige middel is gegrond wat betreft de aangevoerde schending van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest in de mate dat daarmee verzoekers beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal van 21 december 2015 wordt verworpen.
VI. De kosten van het geding
8. Verzoeker dient te worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij ten opzichte van de eerste verwerende partij. Bijgevolg worden de kosten verbonden aan het cassatieberoep tegen de eerste verwerende partij ten laste van deze laatste gelegd.
XIV-36.991-5/7
9. In haar memorie van antwoord vraagt de tweede verwerende partij verzoeker te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro.
Verzoeker dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij ten opzichte van de tweede verwerende partij. Bijgevolg worden de kosten verbonden aan het cassatieberoep tegen de tweede verwerende partij ten laste van verzoeker gelegd. Vermits verzoeker tweedelijns juridische bijstand geniet en de tweede verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 163.590 van 8 maart 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor zover het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 december 2015 wordt verworpen.
2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
4. De eerste verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Verzoeker is een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de tweede verwerende partij.
XIV-36.991-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.991-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.091