Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.088 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.088 Généré par l'IA

Cassation court annests foreigner council ruling due to lack of jurisdictional motivation regarding entry ban authority.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.088
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Foreigners' Council's decision of March 4, 2016, which rejected the applicant's appeal against an entry ban. The applicant argued that the attaché who issued the ban lacked the required advisor status, while the council claimed the attaché was authorized under specific articles of the Aliens Act. The court held that the council's failure to explicitly confirm the attaché's advisor status or delegation violated the duty of jurisdictional motivation, rendering the decision void.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 74/11, § 1 and § 4 of the Aliens Act; The administrative body must explicitly confirm the specific legal basis and functional status (e.g., advisor) of the officer issuing an entry ban to satisfy the duty of jurisdictional motivation.

Mots-clés

Généré par l'IA
entry ban authority jurisdictional motivation administrative officer status duty of motivation Aliens Act cassation annulment delegation of powers exceptions procédurales tardives

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 74/11, § 1 of the Aliens Act
Article 74/11, § 1, second paragraph of the Aliens Act
Article 74/11, § 1, third paragraph of the Aliens Act
Article 74/11, § 1, fourth paragraph of the Aliens Act
Article 5 of the Ministerial Order of 18 March 2009
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 239.088 van 14 september 2017

in de zaak A. 218.966/XIV-36.993

In zake : XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erica Van Dijk kantoor houdend te 2000 Antwerpen Emiel Banningstraat 6

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 april 2016, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 163.496 van 4 maart 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.936 van 2 mei 2016.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-36.993-1/10

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Erica Van Dijk, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Charlotte Vanbeylen, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De verwerende partij neemt op 15 september 2015 een beslissing tot afgifte van een inreisverbod voor een termijn van acht jaar aan verzoeker.

Op 16 oktober 2015 stelt verzoeker tegen de voornoemde beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingen-

betwistingen.

XIV-36.993-2/10

Met een arrest van 4 maart 2016 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – pleitnota

4. Op 4 mei 2017 dient de verwerende partij per telefax een “pleitnota” in.

Het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen wel toegestaan hun antwoorden op de door de Raad van State gestelde vragen die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. Vermits de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke vragen maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen.

V. Onderzoek van de middelen

Enig middel

Standpunt van de partijen

5. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65 en 74/11, § 1, tweede en vierde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de artikelen 5 en 6 van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 ‘houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de

XIV-36.993-3/10

vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot opheffing van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de Minister inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het ministerieel besluit van 18 maart 2009), van de jurisdictionele motiveringsplicht en machtsoverschrijding.

Verzoeker voert aan dat hij in zijn synthesememorie voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft laten gelden dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar een niet bestaand artikel “74/11, 2°, 4°”

van de vreemdelingenwet en dat zijn kritiek pertinent was vermits een beslissing op grond van artikel 74/11, § 1, derde of vierde lid, van die wet kan worden opgelegd door een ambtenaar die de functie van adviseur uitoefent terwijl de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen door een attaché, wnd. adviseur.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissing klaarblijkelijk is genomen op grond van artikel 74/11, § 1, tweede en vierde lid, van de vreemdelingenwet, dat verzoeker niet betwist dat die beslissing door een attaché is genomen en dat overeenkomstig artikel 6, § 1, van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 de “personeelsleden die minimaal de functie van attaché uitoefenen of tot de A1-klasse behoren de bevoegdheid wordt verleend om een beslissing te nemen bij toepassing van artikel 74/11, § 1, tweede lid”. Volgens verzoeker kan die overweging onmogelijk een afdoende repliek zijn op verzoekers duidelijke vraag in het kader van een gebrekkige motivering in rechte naar de bevoegdheid van de ambtenaar die de aanvankelijk bestreden beslissing tot afgifte van een inreisverbod van meer dan vijf jaar heeft genomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt niet op de vraag in hoeverre een attaché, wnd. adviseur, was gemachtigd om een beslissing houdende afgifte van een inreisverbod van meer dan vijf jaar te nemen.

Verzoeker laat nog gelden dat het ministerieel besluit van 18 maart 2009 niet voorziet in een delegatie van bevoegdheid van een adviseur aan een waarnemend adviseur voor het nemen van een beslissing zoals de aanvankelijk bestreden beslissing. De benoeming van de betrokken ambtenaar, N. B., als attaché is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2008. De zogenaamde

XIV-36.993-4/10

benoeming van N. B. als waarnemend adviseur blijkt echter niet uit het administratief dossier noch uit enige publicatie zodat zij niet tegenstelbaar is aan verzoeker. Het bestreden arrest bevat geen motivering over de hoedanigheid en/of bevoegdheid van de betrokken ambtenaar om de aanvankelijk bestreden beslissing te nemen.

Verzoeker merkt nog op dat op grond van artikel 5, tweede lid, van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 ook “de personeelsleden binnen het bureau Permanentie van de directie Controle Binnenland en Grenzen van de dienst Vreemdelingenzaken die minimaal een functie van attaché uitoefenen of tot de A1-klasse behoren” bevoegd zijn voor de toepassing van artikel 74/11, § 1, derde en vierde lid, van de vreemdelingenwet. Het blijkt echter niet dat N. B. deel uitmaakt van het bureau Permanentie, noch dat dit bureau is tussengekomen bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing.

6. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat de door verzoeker aangehaalde bepalingen betreffende de jurisdictionele motiveringsplicht betrekking hebben op een vormvereiste en dat in het bestreden arrest op alle door verzoeker aangehaalde elementen wordt geantwoord. Zo heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht geoordeeld en gemotiveerd dat de aanvankelijk bestreden beslissing niet is genomen op grond van een onbestaand artikel maar op grond van artikel 74/11, § 1, tweede en vierde lid, van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is dan ook terecht niet ingegaan op verzoekers vraag over de bevoegdheid van de steller van een beslissing in het kader van een onbestaand artikel. Anders dan verzoeker thans voorhoudt, is volgens de verwerende partij noch in de synthesememorie noch ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke vraag gesteld naar de bevoegdheid van de ambtenaar die een beslissing tot afgifte van een inreisverbod van meer dan vijf jaar heeft genomen.

De verwerende partij vervolgt dat nooit werd betwist dat N. B.

de hoedanigheid heeft van (waarnemend) adviseur en dat verzoeker slechts in de

XIV-36.993-5/10

graad van administratieve cassatie de mogelijke onbevoegdheid van N. B. opwerpt om de aanvankelijk bestreden beslissing te nemen. Uit de motieven van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel was dat N. B. de hoedanigheid heeft van (waarnemend) adviseur en zij dus terecht de aanvankelijk bestreden beslissing op grond van zowel het tweede lid als het vierde lid van artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet heeft genomen.

De verwerende partij laat tot slot gelden dat N. B. bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing de hoedanigheid had van waarnemend adviseur vermits zij met een ministerieel besluit van 24 augustus 2015 hiertoe werd aangesteld voor een periode van zes maanden.

7. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker toe dat, al is de jurisdictionele motiveringsplicht een zogenaamde vormvereiste, de rechter zijn beslissing naar behoren moet motiveren en moet antwoorden op de essentie van de door verzoeker geformuleerde argumenten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat niet op afdoende wijze in op de vraag of de aanvankelijk bestreden beslissing tot afgifte van een inreisverbod van acht jaar, die volgens het ministerieel besluit van 18 maart 2009 moet worden genomen door een adviseur, door de bevoegde ambtenaar is genomen.

Verzoeker merkt nog op dat het ministerieel besluit betreffende de benoeming van N. B. tot adjunct-adviseur hem niet is overgemaakt en dat de bekendmaking ervan ook niet is terug te vinden in het Belgisch Staatsblad.

Verzoeker acht de mededeling hiervan achteraf in de memorie van antwoord niet relevant vermits in de graad van administratieve cassatie in de eerste plaats de motivering van het bestreden arrest moet worden onderzocht. Verder blijkt uit het administratief dossier of uit enige publicatie evenmin dat N. B. deel uitmaakt van het bureau Permanentie.

XIV-36.993-6/10

Beoordeling

8. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.

Zoals uit het rechtsplegingsdossier blijkt, heeft verzoeker in zijn synthesememorie voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer aangevoerd dat de aanvankelijk bestreden beslissing “in fine [verwijst] naar een niet bestaand wetsartikel (artikel 74/11, 2°, 4°)” en dat “de kritiek pertinent [is] in zoverre een inreisverbod op grond van artikel 74/11, § 1, tweede lid kan worden opgelegd door een ambtenaar die de functie van Attaché uitoefent, en een inreisverbod op grond van artikel 74/11, § 1, derde of vierde lid Vw kan worden opgelegd door een ambtenaar die de functie van Adviseur uitoefent”. Verzoeker merkte daarbij op dat de aanvankelijk bestreden beslissing “[werd] genomen door N. B., attaché, Wnd. Adviseur”. Bovendien vermeldt het proces-verbaal van de terechtzitting van de tweede kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 23 februari 2016 dat verzoeker “wijst op artikel 74/11, 1ste lid, 2de of 4de met de vraag of de gemachtigde ambtenaar bevoegd was: een attaché of een adviseur”.

Verzoeker heeft derhalve de bevoegdheid van de steller van de aanvankelijk bestreden beslissing in vraag gesteld, meer bepaald door erop te wijzen dat een inreisverbod van meer dan vijf jaar door een ambtenaar met de rang van adviseur moet worden genomen terwijl de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen door een attaché.

XIV-36.993-7/10

In het bestreden arrest wordt dienaangaande eerst aangehaald dat “verzoeker verwijt dat de ondertekenaar van de [aanvankelijk] bestreden beslissing is genomen door een waarnemend adviseur terwijl deze had moeten genomen worden door een attaché”. Hierna wordt overwogen “dat artikel 74/11, § 2, van de vreemdelingenwet de gevallen aangeeft waarin ‘de minister of zijn gemachtigde’ zich ervan onthoudt of kan onthouden om een inreisverbod op te leggen”, dat “deze bepaling noodzakelijkerwijze [inhoudt] dat het wel degelijk de minister of zijn gemachtigde is die een inreisverbod kan opleggen”, dat “indien de gemachtigde zelf geen inreisverbod zou kunnen opleggen, […] immers niet [valt] in te zien hoe hij er zich in voorkomend geval van zou kunnen onthouden” en dat “hieruit blijkt dat de wetgever wel degelijk een delegatiebevoegdheid heeft voorzien”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat artikel 6, § 1, van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 voorziet dat aan de personeelsleden van de dienst Vreemdelingenzaken die minimaal een functie van attaché uitoefenen of tot de A1-klasse behoren, delegatie van bevoegdheid wordt verleend voor de toepassing van (onder meer) artikel 74/11, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet en dat “het […] niet [is] betwist dat de ondertekenaar van de bestreden beslissing een attaché is zoals blijkt uit de bewoordingen van de bestreden beslissing”.

Anders dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest aanhaalt, heeft verzoeker niet gesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing door een attaché moest worden genomen, doch integendeel dat een attaché er niet bevoegd voor was. Met de hoger aangehaalde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts aan dat uit artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet blijkt dat de minister of zijn gemachtigde een inreisverbod kan opleggen en dat een attaché bevoegd is om een inreisverbod op grond van artikel 74/11, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet op te leggen. Dit tweede lid heeft echter enkel betrekking op een inreisverbod van maximum drie jaar, terwijl de aanvankelijk bestreden beslissing een inreisverbod van meer dan vijf jaar inhoudt, hetgeen is voorzien in het vierde lid. Artikel 5 van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 voorziet dat aan de personeelsleden van de dienst Vreemdelingenzaken die minimaal een functie van adviseur uitoefenen of tot de

XIV-36.993-8/10

A3-klasse behoren, delegatie wordt verleend voor de toepassing van (onder meer)

artikel 74/11, § 1, derde en vierde lid. In het licht van verzoekers kritiek dat voor het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing de hoedanigheid van adviseur was vereist, volstaat de algemene vaststelling in het bestreden arrest dat het niet betwist wordt dat N. B. attaché is, dus niet. Het bestreden arrest voldoet wat dat betreft niet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht.

Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door de gegevens betreffende de benoeming van N. B. tot waarnemend adviseur die de verwerende partij opneemt in de memorie van antwoord: die a posteriori gemaakte overwegingen vermogen het motiveringsgebrek in het bestreden arrest immers niet recht te zetten.

Aan het voorgaande wordt evenmin afbreuk gedaan door het feit dat artikel 5, tweede lid, van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 voor de toepassing van artikel 74/11, § 1, derde en vierde lid, van de vreemdelingenwet ook delegatie geeft aan de personeelsleden van het bureau Permanentie van de directie Controle Binnenland en Grenzen van de dienst Vreemdelingenzaken die minimaal een functie van attaché uitoefenen of tot de A1-klasse behoren: op geen enkel ogenblik is immers gesteld dat N. B. deel uitmaakt van het bureau Permanentie en dat de aanvankelijk bestreden beslissing door tussenkomst hiervan is genomen.

Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de vernietiging van het bestreden arrest.

BESLISSING

1. De Raad van state vernietigt het arrest nr. 163.496 van 4 maart 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

XIV-36.993-9/10

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Geert Debersaques

XIV-36.993-10/10

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.088